Bush’ presidentschap krijgt keizerlijke trekjes

George W. Bush wordt steeds schuwer en gaat steeds meer zijn eigen gang. ‘Als de president het doet, is het niet illegaal.’ Het was een citaat van de nog schuwere Nixon....

Verbluffend is het om te lezen hoe George W. Bush zijn toespraken voorbereidt. Nagenoeg in zijn eentje. Zijn vaste speechschrijver krijgt te horen wat de president in zijn hoofd heeft en daarna gaat het concept in het rond.

Dat wil zeggen: het is niet de bedoeling dat de adviseurs nog betekenisvolle wijzigingen aanbrengen. ‘De tekst is reeds door de president goedgekeurd’, schrijft Fred Barnes in het zojuist verschenen Rebel-in-Chief. Hier toont zich een waarachtig leider, hoor je Barnes denken.

Het is niet moeilijk het tegendeel te veronderstellen: hier toont zich een schuwe president die zich opsluit in zijn eigen gelijk.

Barnes is de hoofdredacteur van de conservatieve Weekly Standard; voor een portret van een presidentschap mocht hij langskomen op het Witte Huis, bij de president en zijn entourage. Het is een grote uitzondering, maar Barnes is dan ook een groot bewonderaar.

George Bush had vanaf het begin, vijf jaar geleden, een hekel aan politieke verslaggevers. ‘Ze herinnerden hem aan de linkse studenten die hij zo verafschuwde in zijn jaren aan Yale’, schrijft Barnes. Op het establishment van Washington had Bush het ook niet begrepen: ‘Het was onvermijdelijk dat hij hun verachtte.’ Washington is voor Bush altijd een plek geweest om te mijden: ‘Hij is van bijna alles in Washington gaan walgen.’

Het grappige is dat het voor Barnes bewijzen zijn van een rebels, vrijgevochten presidentschap. Maar ligt het omgekeerde niet veel meer voor de hand: een verbeten president die om zich heen eigenlijk alleen maar vijanden ziet?

De vraag is of we terug zijn bij de dagen van Richard Nixon, de 37ste president van de VS die in 1974 gedwongen werd tot aftreden.

Het probleem van Nixon was nog niet eens dat hij zich ontwikkelde tot autocraat. Daarvan zijn er meer geweest in de Amerikaanse politieke geschiedenis. Het probleem was dat Nixon macht verzamelde, als een dwangneuroot, met middelen die niet door de beugel konden.

Eindelijk is in Amerika een discussie op gang aan het komen over de vraag of de regering van George W. Bush een variant is op die van tricky Dick. Misschien wat minder paranoïde, maar toch een variant.

Het trefwoord is imperial presidency. Het is een begrip dat in 1973 is gemunt door de historicus Arthur M. Schlesinger jr., begin jaren zestig adviseur van president Kennedy. Diens opvolger, Lyndon Johnson, had de oorlog in Vietnam aangegrepen om het Congres in het defensief te dringen. Nixon borduurde voort op de angst voor het communisme en vestigde ‘een machtsconcentratie in het Witte Huis zonder weerga’, aldus Schlesinger. ‘Het centrale instituut van de regering, het presidentschap, is onbeheersbaar geworden.’

Van Nixon is de vaststelling: ‘Als de president het doet, is het niet illegaal.’ Het is alsof George W. Bush aan het woord is. Hij laat het keer op keer weten: in de oorlog tegen het terrorisme heeft de opperbevelhebber het recht en de plicht bij volmacht te regeren. ‘Ik zal het niet laten gebeuren dat het Congres de uitvoerende macht uitholt’, zei Bush al in het najaar van 2000. Hij moest nog gekozen worden, het WTC in New York stond nog recht overeind.

Wat ook zo sterk aan het politieke klimaat uit de Nixonjaren doet denken is de voortdurende verdachtmaking aan het adres van critici. Wie het spoor niet volgt, is volgens het Witte Huis al gauw een handlanger van de vijand.

In oktober 2001 werd op een achternamiddag de Patriot Act aangenomen. Het belang van burgerrechten viel ten dele ten offer aan de noodzaak van binnenlandse terreurbestrijding. Tot de tegenstanders zei de minister van Justitie, John Ashcroft: ‘Jullie tactieken helpen slechts de terroristen.’

Bush zelf gebruikt al enkele jaren een vaste slogan om de tegenstanders te brandmerken als vijanden van het vaderland: ‘Je bent ofwel voor ons dan wel tegen ons.’

En dan is er het grote complex van heimelijkheid en onwaarachtigheid. Hier worden scheuren zichtbaar. Er is inmiddels een meerderheid onder de Amerikaanse bevolking die hun president niet meer vertrouwt. Het kost de regering-Bush steeds meer moeite de gelederen gesloten te houden.

Begin deze maand trad een gelouterde CIA-analist, Paul Pillar, in het vooraanstaande tijdschrift Foreign Affairs naar buiten met de beschuldiging dat Bush, Cheney en Rumsfeld aan de vooravond van de oorlog tegen Irak de geheime dienst misbruikten. Ze wilden alleen inlichtingen die van pas kwamen. De beslissing om ten oorlog te gaan was al genomen.

Van de New York Times-verslaggever James Risen is het verhaal dat de CIA de in de VS wonende zuster van een Iraakse geleerde naar haar broer in Irak stuurde om van hem te horen over de wapens voor massavernietiging. Ze kwam terug met het bericht: Saddam heeft die wapens niet. De leiding van de CIA wist dat het Witte Huis iets anders wilde horen en besloot de informatie voor zich te houden.

De Britse jurist en hoogleraar Philippe Sands liet begin deze maand weten dat hij een geheim memorandum heeft mogen lezen over een ontmoeting tussen Bush en de Britse premier Blair, eind januari 2003. Bush zat omhoog met de legitimatie van de ophanden zijnde oorlog. Hij suggereerde een Amerikaans U2-vliegtuig in VN-kleuren boven Irak te laten vliegen in de hoop dat het zou worden neergehaald. Het zou de casus belli opleveren waarnaar hij zocht.

Zo komen er steeds meer verhalen die ruiken naar waarheid en die Bush laten zien als een onbetrouwbare president, de gevangene van zijn eigen, op achterdocht gestoelde, mentale gesteldheid.

Niet toevallig verscheen drie maanden geleden The new imperial presidency, een boek dat de voetsporen drukt van The imperial presidency van Schlesinger uit 1974. De nieuwe versie is van de politicoloog Andrew Rudalevige, verbonden aan Princeton University.

Rudalevige schrijft onder meer over ‘de fixatie op geheimhouding’. Hij noteert dat Bush de lessen van Watergate niet heeft geleerd en dat heimelijkheid hoort bij dictaturen, niet bij democratieën. Dan schrijft hij: ‘Dit kan misschien worden afgedaan als een partijdig epistel, behalve dan dat het de woorden zijn van Nixons voormalige raadsadviseur, John Dean.’

Rudalevige vindt dat het tijd is dat het Congres zijn tanden laat zien. Hij citeert Kennedy’s medewerker Ted Sorenson: ‘Het Congres heeft altijd veel macht gehad; had het maar de moed deze te gebruiken.’ Zelfs in dat opzicht beweegt het. Het Congres probeert deze weken de vinger te leggen op de kwestie van het afluisteren, in het geheim en zonder rechterlijke toestemming, van burgers.

Senator Russ Feingold hekelde deze maand het applaus dat opklonk toen Bush zijn State of the Union afstak: ‘Sinds wanneer staan we op en juichen we voor iemand die de wet breekt? Het Congres is verloren als we deze president niet verantwoordelijk houden.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden