Bush’ echec in Irak beneemt het zicht op het apocalyptisch terrorisme

De Amerikaanse regering heeft in de oorlog tegen terreur op vele fronten gefaald in de uitvoering, zo dreigen de goede uitgangspunten ook te worden vergeten, vreest Arnout Brouwers.

Binnenkort is het vijf jaar na 11 september. De kinderen gaan gewoon naar school, de trams rijden, wie jong is neemt er geen pilletje minder om. De aanslagen op het nieuws – dagelijks in Irak, regelmatig in andere landen, incidenteel dichtbij – roepen voor zolang als het duurt (steeds korter) onze afschuw op, maar we lijken er al aan gewend geraakt. Het is als met een schokkende nieuwsfoto in de krant. Je slaat de pagina om en weg is hij. Elf september? Weg. Bezlan? Weg. Madrid, Londen, Bali? Weg.

Of niet?

Een van de problemen met de oorlog in Irak is dat zij veel mensen en regeringen al bij voorbaat de lust heeft ontnomen een antwoord te formuleren op het massa-terrorisme dat op 11-9 zijn intrede heeft gedaan. Terwijl Irak uiteindelijk een side-show is, net als Vietnam destijds, van het eigenlijke conflict. President Bush besloot in 2002, vlak na de snelle overwinning op Afghanistan en gebruikmakend van grote publieke steun, om af te komen van een lastig probleem: de patstelling in de eindeloos voortdurende, door de Verenigde Naties gesanctioneerde indamming van Irak, die alleen nog werd uitgevoerd door Amerikanen en Britten, en die minstens zoveel levens kostte als de oorlog die erop volgde.

Irak werd niet de verwachte zegetocht, maar een semi-permanente afleiding van de wezenlijke vraag: hoe voorkomen we een herhaling van 11-9 op grotere schaal? Dat deze vraag naar de achtergrond is verschoven werd al kort na 11 september voorspeld: de aard van de dreiging is zo vaag en meestal zo onzichtbaar dat het heel moeilijk zou worden landen en bevolkingen ertegen te mobiliseren. Dat geldt nu des te meer, omdat zelfs de Amerikaanse regering zijn middelen en denkkracht elders heeft geprojecteerd.

En toch laat de uitwerking van de aanslagen van 11 september zich nog dagelijks voelen. Ze hebben op mondiale schaal het menselijke bewustzijn verruimd. Ook van degenen die kwaad in de zin hebben. Een terreurdaad op zo’n grote schaal als op die dag – het is te doen, met relatief eenvoudige middelen. Organisatie, geduld en vooral de wil om het te doen volstaan. En zal de komende generatie terroristen, diep beïnvloed als ze is door de westerse leefwijze, ook niet uitgaan van de gedachte dat groter beter is?

Er is een kiem van twijfel gezaaid in het moderne leven van de westerse mens. Zo geavanceerd, maar ook zo kwetsbaar. Misschien is 11-9 de uitzondering die bevestigt dat terroristen doorgaans niet in staat zijn het destructieve potentieel dat deze wereld biedt volledig uit te buiten. Maar misschien ook niet.

Die twijfel en onzekerheid zijn de gevoeligste klap die de daders van 11-9 hebben uitgedeeld. De doos van Pandora is geopend. De psychologische uitwerking ervan laat zich aflezen uit de reactie van de op westerse websites florerende subcultuur van ‘gelovigen’, die weten dat 11-9 eigenlijk uitgevoerd is door de Amerikaanse veiligheidsdiensten zelf, opdat ze daarna hun mondiale kwade praktijken gelegitimeerd konden voortzetten en de vrijheid in eigen land konden inperken. Deze sekte heeft talloze volgelingen, ook in Amerika zelf, van academici tot automonteurs. Blijkbaar verkiezen veel mensen het kwaad dat ze kennen – de regering van de Verenigde Staten van Amerika – boven het kwaad dat ze niet kennen.

De aanslagen van 11-9 hebben een schaduw over de wereld geworpen. Een schaduw over de betrekkingen tussen landen en – gezien de herkomst van de daders – een schaduw over de relaties tussen mensen. De enige recente historische gebeurtenis die er mee valt te vergelijken, is het gebruik door de Amerikaanse strijdkrachten van atoombommen op Hiroshima en Nagasaki in 1945. Dat stond aan het begin van het ‘nucleaire tijdperk’: leven in de wetenschap dat de destructie van de wereld binnen het menselijke kunnen ligt. Met dat verschil, dat dergelijke wapens nu in handen zouden kunnen komen, niet van staten, maar van individuen belust op een zo heroïsch mogelijke dood.

Zeker, er bestond terrorisme voor 11-9. Sommige Europese landen gaan er zelfs prat op het fenomeen door en door te kennen. Hun diepste wijsheid is tweeledig: het valt eigenlijk niet te bestrijden, maar het gaat altijd wel weer over. Geef het tien jaar of twintig en je zult zien. Maar wat ondertussen te doen? De beste stuurlui staan aan wal, zeker in een klein en zeevarend land als het onze, dat voordat het aan riskante militaire operaties begint, de vijand pleegt te waarschuwen met: ‘Als de grond ons te heet onder de voeten wordt, trekken we ons onverbiddelijk terug!’

Op de vraag ‘wat te doen’ heeft de regering-Bush snel na 11-9 een coherent antwoord gegeven, waarvan de waarde is ondermijnd door haar eigen handelswijze voor, tijdens en na de Irak-Oorlog. Het kwam hierop neer: 1) Het wordt een lang conflict, dat vraagt om een veelzijdig antwoord: sociaal, economisch, diplomatiek en zonodig militair. 2) Staten moeten zich verenigen tegen deze niet-statelijke dreiging. 3) Staten die toch terroristische organisaties op hun grondgebied toestaan of zelfs steunen, moe-ten krachtig worden bestreden. 4) Dreigingen in de vorm van jihadistisch terrorisme of staatsterrorisme die tijdig worden herkend, mogen pre-emptief worden uitgeschakeld.

Tegen geen van deze uitgangspunten van een strategie tegen apocalyptisch terrorisme valt veel in te brengen. Daar zijn ze ook ruim genoeg voor gedefinieerd. Ook het vierde en meest controversiële uitgangspunt bevat een wijsheid die zelfs de voornaamste critici van deze regering niet kunnen ontkennen: als ergens de dodelijke cocktail wordt herkend van het bezit van massavernietigingswapens en de wil en de kunde hiermee op grote schaal burgers te doden, dan is het de morele plicht van degene wiens eerste opdracht het is zijn burgers te beschermen, om op te treden.

Het probleem zit hem niet zozeer in de erkenning van deze principes. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, had er geen moeite mee. Hij liet zelfs een studie doen naar mogelijkheden om deze uitgangspunten beter te verankeren in het volkenrecht. Als Kofi Annan het vindt, dan mogen wij het ook vinden. Het wachten is dus op een volgende Amerikaanse president die deze stellingen herhaalt op een vriendelijke, invoelende manier. En ze beter uitvoert.

Want het probleem zit hem niet in deze uitgangspunten – ook al zit menig Europees commentator er nog danig mee in de knoop. Het probleem is wat je ermee doet. Hoe kom je overeen dat zo’n directe dreiging bestaat of zich ontwikkelt en op welke manier, op welk tijdstip? En met welke middelen treedt je op? Dat vraagt behalve daadkracht (zoals bekend ruim voorradig bij Bush) ook overredingskracht, nederigheid tegenover de feiten en weloverdacht gebruik van het ultieme middel – geweld – waarvan de gevolgen vaak onvoorspelbaar zijn.

Irak heeft Bush’ uitgangspunten geschaad. Ten eerste is het veelzijdige karakter van de strijd tegen terrorisme aan het zicht onttrokken: de vele sociaal-economische, financiële en diplomatieke maatregelen, die wel degelijk zijn getroffen. Ten tweede is het cruciale principe van pre-emptief ingrijpen ernstig ondermijnd.

Het karakter van de oorlog tegen Irak was niet pre-emptief (gericht tegen een aanwijsbaar direct gevaar), maar preventief (gericht tegen een potentieel gevaar, op de middellange termijn). De dreiging werd weliswaar door de hele internationale gemeenschap gevoeld, maar over het antwoord ertegen – en de tijd die daarvoor beschikbaar was – werd zeer verschillend gedacht, ook door Amerika’s bondgenoten.

En terecht, zoals nadien bleek toen de gevreesde wapens niet bleken te bestaan en de analyses waarvan de Amerikaanse regering zich bediende ondeugdelijk bleken – gevoed door politieke druk vanuit het Witte Huis zelf. Achteraf kan de conclusie niet anders luiden dan dat de VN-wapeninspecteurs meer tijd had moeten worden gegund.

De informatie die beschikbaar is gekomen over de arrogantie waarmee de top van het Pentagon de in Washington beschikbare expertise over Irak van tafel veegde, evenals de militaire adviezen die haar niet bevielen, maakt de deconfiture van Bush' strijd tegen terrorisme in Irak compleet.

Het definitieve oordeel over deze oorlog kan nog niet worden geveld. Misschien is het huidige geweld een fase, zoals sommige Irakezen beweren, waar het land sowieso doorheen moest na Saddam, die alle spanningen tussen bevolkingsgroepen kunstmatig had bevroren. Maar zelfs als Iraks toekomst beter uitpakt dan zich nu laat raden, doet dat niets af aan de vaststelling dat Bush in Irak zijn eigen veiligheidsdoctrine heeft onderuitgehaald. Een onfortuinlijke vaststelling, nu zich met de nucleaire aspiraties van het revolutionaire bewind in Iran de volgende crisis aandient.

Des te belangrijker is het om de Irak-Oorlog in het bredere perspectief te blijven plaatsen van het grotere conflict, dat ons nog decennia zal bezighouden: de strijd tegen het apocalyptisch terrorisme. Welke positie vervult Irak in deze context, behalve als ideaal strijdtoneel voor het jihadisme tegen de Amerikanen? Latere historici zullen deze vraag moeten beantwoorden. Wellicht zullen ze inderdaad concluderen dat Irak het Vietnam was van dit nieuwe Grote Conflict. Dat voorspelt weinig goeds voor de politieke erfenis die Bush achterlaat: hij lijkt erin geslaagd in anderhalf jaar een echec te bereiken waarover Amerikaanse staatslieden tijdens de Koude Oorlog twintig jaar deden.

Het vroege stadium van dit echec kan grote gevolgen hebben voor de rest van het conflict. De Amerikaanse regering is er in Afghanistan wel in geslaagd het hoofd van Al Qa’ida af te hakken, maar de ideologie die het bestrijdt, is allerminst verzwakt en aan nieuwe rekruten lijkt geen gebrek. De VS zullen ook een prijs moeten betalen voor het mondiale verlies aan legitimiteit dat hun optreden teweeg heeft gebracht, en voor het feit dat hun optreden in Irak de Europese neiging problemen weg te relativeren en via dialoog (met wie?) op te lossen slechts heeft versterkt.

Tenslotte bemoeilijkt het Iraakse echec de kans op een eensgezinde internationale opstelling tegen landen die zo’n opstelling verdienen, zoals Iran. In een recente toespraak sprak de Russische president Vladimir Poetin in een nauw verholen verwijzing naar het Amerikaanse optreden in de wereld van ‘een wolf, die eet wie hij wil en naar niemand luistert’. Opiniepeilingen bevestigen dat deze woorden accuraat beschrijven hoe nu in de wereld over Amerika wordt gedacht.

Het maakt de kans des te groter dat Iran zijn kwalijke praktijken en zijn uiterst kwalijke antisemitische retoriek ongestraft zal kunnen voortzetten, omdat iedereen het vizier strak gericht wenst te houden op de boze wolf in het Witte Huis. Bange mensen zullen ook inzake Iran liever kiezen voor de vijand die ze kennen.

Dit alles laat onverlet dat Irak een hoofdstuk is van een boek waarvan de grote verhaallijn ons nog onbekend is. Met de schaduw die over het moderne westerse leven is geworpen, lijkt goed te leven – is dat niet de ervaring van alledag? Maar er zijn historische precedenten te over die ons dwingen om de kernproblemen van onze tijd – zoals het apocalyptisch terrorisme – niet weg te denken of weg te relativeren, maar open en eerlijk te blijven analyseren. En te bestrijden wanneer dat nodig is – zonder vrees, zonder illusies en met inachtneming van de waarden waar het ons om te doen is.

Arnout Brouwers is historicus en redacteur van de Volkskrant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden