Burgertrutten-drama vol goede bedoelingen

Torch Song Trilogy van Harvey Fierstein, regie Eddy Habbema. In Stadsschouwburg Amsterdam. Tournee. Het meest opmerkelijke aan de voorstelling Torch Song Trilogy is wat er niet te zien is: de spetterende travestie-act waarin het hele ensemble met neptieten, valse wimpers en lagen make-up over het toneel zou swingen....

Erg jammer, om twee redenen. 1. Ik had Antonie Kamerling, Hugo Haenen, Paul de Leeuw, Gerrie van der Klei en al die anderen wel eens flink te keer willen zien gaan als flamboyante dragqueens. 2. Door het ontkennen van het showelement valt des te meer op hoe gedateerd, achterhaald en burgertruttig Torch Song Trilogy in wezen is.

De geschiedenis van het stuk - A Drama of Homosexuality - en zijn schrijver Harvey Fierstein is genoegzaam bekend. Het is een drieluik waarin de nachtclubartiest Arnold Beckoff (Fierstein zelf) in het eerste deel een affaire krijgt met de biseksuele Ed, in het tweede deel met vriendje Alan een weekendje bij Ed en zijn vrouw doorbrengt, en in het derde deel een zoon adopteert, een gezinnetje sticht en een einde maakt aan het hoofdstuk 'Hoe vertel ik het mijn moeder'.

In 1976 kwam het eerste deel uit, off-off Broadway, in 1981 werd het complete stuk een hit, in 1988 volgde de verfilming en nu, twintig jaar later, is het een Van den Ende-produktie.

Kan het nog wel, zo'n stuk dat in alles de sfeer van de jaren zeventig ademt? Ja, vinden de makers. Homoseksualiteit is lang niet zo geaccepteerd als randstedelingen wel denken. Zeggen ze. Of: het gaat over een veel universeler thema, namelijk respect hebben voor jezelf en vandaaruit voor je medemens.

Deze produktie is dus gemaakt om het publiek in Assen te doen geloven dat homo's gewone mensen zijn (inclusief hun wens om een gezinnetje te stichten) of om ons te doen inzien dat we met het cynisme, met het egocentrische van deze tijd op de verkeerde weg zitten.

Nou, liever een verkapte nicht in Assen of de verwarring van het fin-de-siècle dan zo'n gezelligheidstrut als die Arnold Beckoff. In het stuk wordt hij geneukt in de darkroom, vindt daar niks aan (want niemand zegt tegen hem 'Arnold, ik hou van je'), gaat op zoek naar Mr. Right, vindt die uiteindelijk, maar de jongen wordt dood geknuppeld door potenrammers.

Arnold lijkt zijn leven te gaan slijten als een treurende Italiaanse weduwe, totdat de biseksueel toch voor hem kiest en moeder hem eindelijk met rust laat.

De Libelle zou zich nog schamen voor zo'n verhaal en uit de film bleek destijds al wat voor vervelende ijdeltuit die Fierstein (die zelf Beckoff speelde) is. Het is òf zingen, òf de darkroom, òf thuis het ontbijt klaarmaken voor je liefje. Fierstein is al twintig jaar met die keuze bezig en krijgt theatermakers nog steeds zo gek dat getob serieus te nemen.

Wat de voorstelling betreft: die loopt over van de goede bedoelingen. Eddy Habbema is een regisseur die werkt vanuit het ambacht en zo helder mogelijk een verhaal wil vertellen. Paul de Leeuw slaagt erin een rol te spelen en niet zichzelf. Bob en Annie de Rooij kloppen weliswaar aan de deur, maar ze mogen niet naar binnen. Op zichzelf is dat knap, hoewel ik me blijf afvragen waarom De Leeuw deze rol zo graag wil spelen.

Hij heeft met zijn theater- en televisieshows veel overhoop gehaald en taboes doorbroken, en dan nu deze regressie. Alsof hij van Sodom en Gomorrha naar Staphorst is verhuisd.

Als acteur redt Paul de Leeuw het net. Hij struikelt hier en daar over zijn tekst, omdat hij als cabaretier bang is voor stiltes. Zijn gebrek aan dictie wordt opgevangen door een authentieke inleving en de soms grappige valse nichtenhumor. Antonie Kamerling speelt het vriendje en Thomas de Bres de aangenomen zoon. Kamerling (leren broek, te heet gewassen T-shirt) doet het goed: lijzig, koel, berekenend, echt een jongen van nu. De Bres is erg goed: levendig, goeie stem, nergens een karikatuur van de vervelende puber. Hugo Haenen is als de biseksuele Ed nog het best: met zijn flair en routine maakt hij zijn rol geloofwaardig en zelfs genuanceerd.

Pleuni Touw speelt de moeder en ziet eruit als een look-a-like van Anne Bancroft die in de film de moeder was: grijze pruik, stijf mantelpak, bijpassende motoriek. De bijtende toon in het verbale gevecht met haar zoon blijft achterwege, waardoor het derde bedrijf meer een vlot blijspelletje wordt dat een adembenemende apotheose.

En Gerrie van der Klei zingt een paar jazznummers, voortreffelijk natuurlijk, tongue-in-cheek, met een oogopslag van: 'ach mensen, het is allemaal maar theater'.

Ja, dat is het ook. Speelde Angels in America nog maar.

Hein Janssen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden