BURGERS, JUNKS EN KONIJNEN

Burgerzin - daar hebben we tegenwoordig te weinig van, is een veelgehoorde klacht. Ook koningin Beatrix stelde dat aan de orde in haar geruchtmakende rede van twee maanden geleden....

BAS MESTERS

Koningin Beatrix in haar rede ter gelegenheid van de vijftigste herdenking van de bevrijding: 'Tegenover de verbondenheid van de periode van wederopbouw staat nu een maatschappij die in ontbinding raakt. Er zijn tekenen die wijzen op een reëel gevaar van langzaam afglijden naar een egocentrisch denken en handelen dat de vrijheid van medemensen aantast. We zien verschijnselen van onverdraagzaamheid en ontbrekend medegevoel.'

Marc Seij in een ingezonden brief aan zijn krant: 'De samenleving in ontbinding, waar de koningin haar brave woorden over sprak is hier een gepasseerd station. (. . .) Spangen maakt immoreel. Klaag me aan, ik ben er niet in geslaagd in deze wijk ook maar de minste ethische maatstaven te handhaven, en woon desondanks binnenshuis nog met plezier.'

ER lag een jongen te stuiptrekken in een plas water op straat. Hij sloeg om zich heen en riep: help, help me. Maar Marc Seij deed niets. De jongen stond op en sprong in de Schie. Hij zwom naar het midden, begon te spartelen en riep om hulp. Marc Seij deed niets, net als de andere omstanders trouwens. Ze deelden slechts schaterend elkaars sigaretten. De geërgerde aarzeling van de politie en de GGD om die krankzinnige uit het water te halen, kon Seij niet afkeuren.

Zelfs als de man echt in verdrinkingsnood zou hebben verkeerd, was Marc Seij (23), inwoner van Spangen en student Historische en Kunstwetenschappen, hem niet achterna gesprongen. Bedachtzaam formulerend: 'Iedere keer als het hier fout gaat met iemand denk je: wie is die man? Is hij te vertrouwen? Je weet hier niet wie je redt. Voor evenveel geld duwt hij mij kopje onder.'

Wie met lijn zeven de Mathenesserbrug nadert, ziet voor zich de gestapelde bouw van Spangen opdoemen: ruim vijfduizend woningen met ongeveer twaalfduizend bewoners, waarvan 65 procent allochtoon is. Spangen: een put tussen dijken, in de jaren na de Eerste Wereldoorlog gebouwd met de bedoeling een zuiver en gezond gemeenschapsleven te stimuleren.

Op de dijk links van de Mathenesserbrug slapen zwervers hun roes uit. Net over de Schie links is de meestgefilmde tramhalte van Nederland, condensatiepunt van drugsoverlast. Het welriekende rozenperkje aan de overkant van de straat kan de pisgeuren die van onder de brug opstijgen niet verbloemen. De geurvlaggen markeren het territorium van de internationale drugsscene.

De smalle straten in het oosten van Spangen zijn in handen van internationale drugshandelaren en gebruikers. Op straat en vooral achter de dichtgetimmerde gevels van slooppanden wordt geheeld en gedeald. Zelfs het klimrek in de speeltuin is door verslaafden geannexeerd. In sommige straten houden ouders hun kinderen binnen, want de junks generen zich er niet voor in het zicht van de kleintjes een spuit te zetten.

Het zijn geen opbeurende tijden voor de bewoners van deze verloederde straten. De plaatselijke politiek komt niet verder dan het rondjagen van junks door de verschillende buurten. In Den Haag twijfelt men. Moeten soft drugs en wellicht ook hard drugs worden gelegaliseerd of zwichten we voor buitenlandse druk en verharden we de repressie? En dan zijn er nog de hoofdcommissarissen van politie die onlangs doodleuk verklaarden dat de oorlog tegen de drugshandel is verloren.

De bewoners voelen het. Voorlopig zijn ze op hun eigen overlevingsinstincten aangewezen. Intussen vervuilt niet alleen de straat, maar ook de geest, zeggen ze. In dit 'oorlogsgebied' volgt iedereen zijn eigen overlevingsstrategie.

Marc Seij woont goedkoop en naar alle tevredenheid in zijn voor sloop in aanmerking komende woning aan de Spangensekade. Maar zuinig wonen heeft zijn prijs in Spangen. Tussen zijn tweedehands designspulletjes uit de jaren vijftig vertelt de fragiel gebouwde student over de vragen die het leven in een achterstandswijk bij hem oproepen.

'Het lijkt misschien dat ik zit te vitten als een oud mannetje, maar zo is het niet. Er gebeuren hier zoveel krankzinnige dingen dat mijn morele maatstaven erdoor veranderen. Om mij heen heerst de chaos. En ik, ik ken hoogstens verstandelijke verwondering, geen emotionele opwinding. Ik vraag me wel eens af hoe ik dat kan accepteren. Maar ik heb er gewoon niet zoveel problemen mee. Ik ben toeschouwer. Mijn sociologische interesse in mijn wijk is wellicht een tactiek om het hier naar de zin te hebben.'

Een paar huizen verderop aan de Spangensekade woont Aad van der Linden (40): klein, vermoeide blik, leren jackie, Spangenaar in hart en ziel. Hij heeft drie sloten op de deur, en een net over zijn balkon zodat ze achterom niet binnen kunnen. In het trappehuis hangt een lamp van driehonderd Watt die op infraroodstraling werkt. 'Als die aan is wanneer ik thuiskom, weet ik dat er iemand binnen is. Hoor ik herrie, dan zijn het de buren die wat rommelen; is het stil, dan houdt een vreemd iemand zich schuil en moet ik opletten.'

Van der Linden voert actie waar Seij reflecteert. Als echte Spangenaar trekt hij zich de veranderingen in zijn wijk aan. Drie jaar geleden bond hij met acht man de strijd aan tegen de verloedering. Hij is nu voorzitter van de bewonersvereniging die met veertig man kader allerminst tekenen van ontbinding vertoont.

Dank zij de bewonersvereniging leeft Spangen weer een beetje. Er is een wielerronde, een braderie, en jarige bejaarden krijgen een uitstapje naar het centrum van Rotterdam aangeboden. Alles met het doel een normaal straatleven op gang te brengen.

De door het organiseren zichtbaar vermoeide Van der Linden psychologiseert: 'Klagers zijn de bron van het vrijwilligerswerk. Mensen die niet tevreden zijn worden actief. Er is veel ontevredenheid, dus het aantal actievelingen groeit. Dat houdt mij vrolijk, dat door alle ellende heen nog steeds mensen werken aan het opknappen van hun wijk.'

Maar daarmee is het gevaar niet gekeerd. In de ogen van student Seij heeft iedereen in Spangen een geheim, en dat maakt achterdochtig. Niets is wat het lijkt.

Hij zag de laatste tijd opvallend veel jongeren met hun scootertjes over de stoepen scheuren. Een nieuwe rage, dacht hij. Maar een paar weken later las hij in de krant dat het de nieuwe werkmethode van drugskoeriers betreft. 'Zelfs gewone jochies op brommertjes zijn hier niet te vertrouwen.'

Het enige contact met zijn overburen ontstond toen ze door de politie opgejaagd van hun balkon sprongen. Over de platte daken en zijn balkon vluchtten ze dwars door het glas van zijn tuindeur zijn huis in. 'Dat blijken dan je overburen. Logisch dat je daar niet zo maar een praatje mee maakt. Altijd heb je hier die onzekerheid, zijn het wel normale mensen?'

Hij kijkt plotseling om. Door de halfgesloten luxaflex voor zijn achterraam ziet hij iemand voorbijschieten. Hij lacht er om, haalt zijn schouders op. 'Het is fraai dat het nu live gebeurt. Het is niet voor het eerst dat ik het zie. Er is hiernaast een wc-raampje van 30 bij 40 centimeter waar ze wel vaker uitkruipen. Dat is toch geen alledaags gebeuren in een buurt, iemand die door een wc-raampje kruipt? Ik neem aan dat die man op de vlucht is. Moet ik nu de politie bellen?'

Hare Majesteit: 'Als dit gevaar (van ontbinding) niet wordt onderkend, worden telkens - toegeeflijk en gemakzuchtig - de grenzen verlegd. Vrijheid mag niet verworden tot onverantwoordelijkheid. Wie verzuimt stelling te nemen laat de kans voorbijgaan het proces te keren.'

Seij: 'Ik wil er niks mee te maken hebben. Ik vind dat wel een probleem. Maar er zijn nauwelijks mogelijkheden. En om nu mee te doen in een opzomerclubje - dat is symptoombestrijding. Ik ga morgen ook niet naar die bijeenkomst over de drugsproblematiek. Daarin beken ik schuld. Je zou druk moeten voelen om op dergelijke bijeenkomsten een bijdrage te leveren. Ik heb dat niet.'

Hij ziet zich als een 'ander soort bewoner'. Je hebt mensen die het ook op straat naar hun zin willen hebben en je hebt personen die genoegen nemen met een gezellig huisje. 'Ik heb het burgergevoel niet. Ik heb geen kinderen, ook geen auto. Als ik wel een wagen zou hebben zou ik bij ieder geluidje naar het raam sprinten om te kijken wat er gebeurt. Dat doe ik nu al als ik er een heb geleend. Met auto en kind zou ik meer aan mijn burgerplichten voldoen.'

Maar indrukwekkend zal zijn inspanning niet kunnen worden. De kennis over de complexheid van het drugsprobleem werkt volgens hem verlammend. 'Als ik de politie bel, omdat onder mijn raam gestolen autoradio's worden verhandeld, worden ze morgen honderd meter verderop verkocht. Dat levert toch niks op. Dan mag het wat mij betreft net zo goed voor mijn deur.'

Seij wordt apathisch, anderen kiezen voor agressie. Pas nog in de Da Costastraat waren huizen dichtgetimmerd, omdat ze niet meer werden verhuurd. Steeds opnieuw slopen de junks er weer naar binnen om te gebruiken en te slapen. Het lukte de politie niet ze eruit te houden. De gemeente weigerde de panden te slopen. In de ogen van de bewoners was het een schandplek in een verder gerenoveerde straat. Op een dag hebben de bewoners de junks uit de panden gezet en de huizen in brand gestoken. De burgerlijke ongehoorzaamheid werkte, de panden zijn daarna direct gesloopt.

Zijn dit de burgers op wie de koningin doelt als ze spreekt over de noodzaak van burgerzin op het eigen erf: burgers die verlangend naar veiligheid, en uit angst dat hun kinderen in een spuit trappen, huizen in brand steken? Ze namen toch het recht in eigen handen, volgden de oproep van de koningin en schoven de eigen verantwoordelijkheid voor oplossingen niet af naar anonieme anderen?

In zijn kantoor in het wijkcentrum haalt Van der Linden de schouders op, alsof hij wil zeggen: had je wat anders verwacht. Veertien dagen geleden werd hij bij hem om de hoek nog bijna beroofd. Om één uur 's nachts, 'een jongen met zo'n knife'. Er kwam nog een tweede. Ze probeerden hem in te sluiten. 'Ik ben niet bang, maar ik dacht: Aad, rennen. En op de eerste honderd meter zit het wel goed, dus ik kwam veilig thuis. Sindsdien betaal ik liever een joet voor de taxi, al hoef ik maar vijfhonderd meter naar huis.'

Volgens Van der Linden ga je je als je lang tussen verslaafden woont ook gedragen als zij. 'Je gaat over lijken. Je wordt harder. Je denkt als hij bij me komt: ik maak hem af. En ik doe het ook. Ik heb naast mijn deur een honkbalknuppel. Ik sla het leven uit ze als ze binnenkomen. Terwijl ik toch altijd alles voor anderen over heb. Ik vraag me wel eens af hoe het mogelijk is dat ik zo hard ben geworden.'

Ook zijn assistente Lilian Zevenbergen (21) weet van aanpakken. 'Ik heb altijd een mes bij me. En als ik een heroïnehoer voor mijn deur zie, pak ik de hond, die slaat aan op heroïne, die geur heeft ie in de loop der jaren wel leren herkennen. Ik zeg ze dat ze moeten oprotten, omdat het anders niet goed met ze afloopt.'

Volgens deze banenpoolster bij de bewonersvereniging word je vanzelf zo agressief. Dat krijg je als je als geboren en getogen Spangense plotseling in je eigen straat door kerels wordt aangesproken met: schat, hoeveel kost je?

Voor een rondleiding door de wijk slaat Zevenbergen vanuit het wijkgebouw linksaf richting het verwaarloosde en door junken overheerste deel. Al wandelend door de straten blijkt hoe ook zij gewone dingen anders is gaan zien. Een auto met een man en een vrouw erin: een afscheid? Welnee, weet Zevenbergen: een afwerkplaats, weer zo'n viezerik uit een bumawijk met een heroïnehoertje. Een auto met een Duits nummerbord: een gast? Helemaal niet: dat moet een heroïnetoerist zijn. Het plantsoen, oase van groen? 'Die struiken kunnen ze wat mij betreft nog beter vandaag dan morgen rooien, daarin wordt toch alleen gespoten, gedeald en gevreeën door junks.'

Ook Zevenbergen zegt er niet aan te ontkomen dat ze zich enigszins aanpast aan de junks. Nadat ze een keer 's avonds een been door het raam haar kamer zag instappen, heeft ze een groot mes onder het spiraal van haar bed gestopt.

Om geen problemen te krijgen, sluit ze als het moet de ogen. 'Mijn vorige buren sleepten dagelijks met Akai- en Sonydozen, maar ik heb de politie niet gebeld. Ik had geen last van ze en als er iets was hielpen ze me. Ik vind het wel erg dat ik niet ingrijp, maar het went.'

Het aanpassen gaat nog verder. Mensen zijn gebruik gaan maken van de junks. 'Ouders vragen hun kinderen niet meer hoe ze aan die mooie Nikes komen. Je kunt hier op straat alles op bestelling kopen. Je kunt zeggen: ik wil die en die video, en een uur later heb je hem. Wij hebben ook wel eens een mountainbike met winkelwaarde 1500 gulden bij een junk gekocht. Goed is het niet, maar voor je het weet is hij weer gestolen, en dan ben ik liever maar 75 gulden kwijt.'

Niet linksaf, zoals Zevenbergen, maar rechtsaf slaat Ria Leurs vanuit het wijkgebouw als ze een rondleiding geeft door de buurt. Ze is lid van de andere bewonersgroep, verenigd in de buurtwinkel Wijkwijzer, en vindt dat mensen als Van der Linden en Zevenbergen het Spangense leven door een te donkere bril zien. In de strijd tegen de verloedering kiest ze voor rozere glazen.

'Kijk hier die bloembakken in de Van Lennepstraat, daar die prachtige nieuwbouw aan het Piet Paaltjensplein. En dan het vermaarde Justus van Effenblok. Jaarlijks komen hier nog bussen vol Japanners om de bijzondere architectuur van Brinkman te bewonderen.'

Ze is ervan overtuigd dat alleen een positieve benadering mensen weerbaar maakt. 'Het is niet realistisch om in te zetten op: weg met alle junks. Dat lukt niet en daar word je niet weerbaar, maar gefrustreerd van. Wij hebben in de loop der jaren geleerd uit te zien naar de mogelijkheden.'

Echt boteren doet het niet tussen de twee clubs die zich inzetten voor betere leefomstandigheden in de wijk. Daarvoor is hun werkwijze te verschillend. Maar over één ding zijn de vrijwilligers het eens: Spangen verlaten doen ze nooit.

'Echt waar', zegt Bep van Mullem, een dame van middelbare leeftijd met metalic blank haar in de Kamer van Wijkwijzer: 'Spangen is een hele gezellige wijk.' Haar man Peter somt de geneugten op: goed openbaar vervoer, aardig wat groen, zwembad, kinderboerderij, speeltuin, volkstuin, gymzalen, grote brede straten, buurt- en clubhuizen, en ook nog een eredivisieclub. 'Wat wil je nog meer?'

Een deur verder sluiten de vertegenwoordigers van de bewonersvereniging zich daar op hun manier bij aan. Van der Linden: 'Ik ben hier opgegroeid. Ik heb zoveel uren in deze teringwijk zitten. Ik kan hier niet meer weg.' Zevenbergen: 'Maar ik geloof niet dat ik in deze buurt kinderen op de wereld wil zetten.'

Ze waarschuwen. Vijftig mannen hebben het de laatste tijd veel over de oprichting van een honkbalclub. Gewoon op een avond met knuppels de junks wegslaan. Als er niet snel wat gebeurt, denkt Van der Linden de mannen niet meer te kunnen tegenhouden. 'Tot dusver was het vredelievend. Er is maar een paar keer een pand in brand gestoken.'

Zevenbergen: 'Ik ben bang voor die honkbalclub. Mijn vader denkt er ook over om mee te doen. Hij werkt zich de pleuris, maar wordt uitgelachen door zo'n patjakker met een dikke gouden ketting die hem in zijn Mercedes afsnijdt. Dat gaat steken. Als het zo doorgaat weet ik zeker dat hij zal ontploffen.'

Of het ooit zo ver komt met Ria Leurs lijkt onwaarschijnlijk. Ze ziet nog altijd meer konijnen dan junks in Spangen. 'En we hebben ook uilen en een Vlaamse Gaai.'

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden