NIEUWS

Burgemeesters vragen regering spijt te betuigen voor lot Molukkers, maar hoe diep moet Nederland zich eigenlijk schamen?

Zeventien burgemeesters willen dat de regering spijt betuigt voor het tragische lot van de Molukkers in Nederland. Maar schrijver Herman Keppy, zoon van een Molukse vader, is onderhand wel klaar met ‘al die zielige verhalen’.

Molukkers in een van de kampen waarin ze werden ondergebracht nadat ze waren aangekomen in Nederland, de foto is gemaakt in 1955. Beeld Getty Images
Molukkers in een van de kampen waarin ze werden ondergebracht nadat ze waren aangekomen in Nederland, de foto is gemaakt in 1955.Beeld Getty Images

De burgemeesters van zeventien gemeenten met een Molukse gemeenschap dringen er in een open brief bij het toekomstige kabinet op aan spijt te betuigen voor de ‘onwaardige’ ontvangst van Molukkers na de dekolonisatie van Indonesië. De publicatie van de brief in de Volkskrant valt samen met de zeventigste verjaardag van de ontscheping, in Rotterdam, van de eerste uit Indonesië afkomstige Molukkers. Uiteindelijk zouden zo’n 12.500 mensen – overwegend veteranen van het ontbonden Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) en hun gezinsleden – de overtocht maken.

Volgens de burgemeesters was de migratie van de Molukkers – bewoners van een eilandengroep in het oosten van de Indonesische archipel – een tragedie van fouten en gebroken beloften. De Molukkers, ‘loyale militairen die uit naam van onze Koningin hadden gevochten’, werden kort na hun aankomst in Nederland uit het leger ontslagen, ze werden overwegend gehuisvest in vroegere Duitse kampen (zoals die in Vught en Westerbork), en keerden niet terug naar het land van herkomst – in weerwil van de beloften van de Nederlandse regering om zich daarvoor in te spannen.

Een gebaar van de Nederlandse regering zou als een weldaad worden ervaren door de Molukse gemeenschap, zegt Sjors Fröhlich, burgemeester van de Utrechtse gemeente Vijfheerenlanden, en een van de ondertekenaars van de brief. Waar dat gebaar uit zou moeten bestaan? ‘Je zou kunnen denken aan een gesprek tussen vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap en de minister van Binnenlandse Zaken of de minister-president. Die zou op z’n minst moeten zeggen: wij schamen ons voor wat u is aangedaan. Burgemeesters hebben zich wel in die geest geuit, maar de landelijke overheid heeft zich in dezen altijd onbetuigd gelaten.’

Behoefte van jonge Molukkers

Met zo’n spijtbetuiging zou de regering ook voorzien in een behoefte van jonge Molukkers, meent Fröhlich, burgemeester van een gemeente met ongeveer 800 ingezeten van Molukse origine. ‘De derde en vierde generaties, want daar heb je het onderhand al over, voelen zich nog altijd sterk verbonden met de geschiedenis van hun ouders en grootouders. Maar ook met de mensen die op de Molukken zijn achtergebleven. Het ráákt hen als zij horen dat zij worden gedwongen de Indonesische vlag te hijsen.’

De kille ontvangst van Molukkers is ook onderdeel van de familiegeschiedenis van schrijver Herman Keppy, uitgever van het tweemaal per jaar verschijnende Indies Tijdschrift. Toch heeft hij ‘dubbele gevoelens’ bij de positieve aandacht waarin de Molukkers zich de laatste jaren ineens kunnen verheugen. ‘Zeker: het was heel pijnlijk voor trotse Molukkers om in voormalige detentiekampen te worden ondergebracht. En ze voelden zich in alle opzichten ontheemd. Toch word ik onderhand ontzettend moe van alle zielige verhalen van en over Molukkers die zo slecht zijn behandeld en die nog steeds heimwee hebben naar het land van hun voorouders. Kom op zeg, na zeventig jaar zouden er toch ook andere verhalen over ons verteld mogen worden.’

Daarmee doelt hij niet alleen op de succesverhalen over Molukkers in Nederland – waaraan de burgemeesters in hun open brief overigens ook refereren. Of aan het feit dat de gemiddelde Molukker naar zijn overtuiging beter af is in Nederland dan in de Molukken. Het gaat hem vooral om de vertekeningen en de ‘onzinclichés’ in de Molukse historiografie. Neem alleen al de welbekende suggestie dat het KNIL overwegend uit Molukse (of Ambonese) manschappen bestond, en dat voor hen in het zelfstandige Indonesië geen plaats meer zou zijn. ‘Dat is echt onzin. Aan Nederlandse kant hebben veel meer Javanen dan Molukkers bij het KNIL gestreden tegen de Indonesische onafhankelijkheid. Die konden allemaal afvloeien naar het Indonesische leger, daar waren de nieuwe machthebbers heel ruimhartig in. Zo’n tweeduizend Molukse KNIL-veteranen, onder wie de weinige officieren, hebben van die mogelijkheid gebruik gemaakt.’

Geen terugkeer

De overigen, zo’n vierduizend militairen, wilden echter niet de Indonesische nationaliteit aannemen, en konden evenmin terugkeren naar de Molukken omdat daar op dat moment – 1950 – net de strijd had gewoed tussen het Indonesische leger en Molukse onafhankelijkheidsstrijders. Op aandrang van enkele Molukse sergeants-majoor, die door de Nederlandse regering als gezaghebbende gesprekspartners werden aangemerkt, werden deze vierduizend veteranen (het KNIL was opgedoekt) naar Nederland verscheept – met het plan om weer naar de Molukken terug te keren zodra de omstandigheden dat toelieten.

Zover is het dus nooit gekomen. Keppy: ‘Nederland had ons een onafhankelijke republiek beloofd, wordt dan gezegd. Maar hoe had Nederland dat na de soevereiniteitsoverdracht aan Indonesië moeten doen? Het eerlijke verhaal is dat de Molukse veteranen niet wilden terugkeren naar een oud vaderland met nieuwe meesters.’

Tragisch was hun lot zeker, zegt Keppy. Maar op de gangbare vaststelling dat zij niet naar de Molukken kónden terugkeren, is wel wat af te dingen. ‘De Molukkers doen zichzelf geen recht als zij hun geschiedenis reduceren tot wat een relatief kleine groep de laatste zeventig jaar in Nederland is overkomen. Elders in de wereld wonen nog miljoenen andere Molukkers. En de geschiedenis van de Molukkers in Nederland begon niet in 1951, maar al 114 jaar geleden, toen de eerste Molukkers naar het toenmalige moederland kwamen om te studeren of te werken, als arts bijvoorbeeld.’

Nederlanders hebben niet de geringste behoefte om het Molukse slachtofferschap te weerspreken of te nuanceren, zegt Keppy. ‘Het is typerend voor de hedendaagse Nederlanders om zich voor hun verleden te schamen. Als iemand met een bruine huidskleur hen op vroegere misdragingen aanspreekt, dan knikken ze beschaamd. Nou, ik ben ook bruin, en ik zeg dat die houding mij onderhand een beetje begint tegen te staan.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden