Burgemeester en korpschef in 1966

De affaire-Groningen lijkt opvallend op wat er in in 1966 en 1967 in Amsterdam gebeurde. Daar struikelde eerst een hoofdcommissaris en vervolgens moest de burgemeester vertrekken....

DE AMSTERDAMSE hoofdcommissaris had er na vijf jaar al schoon genoeg van. In 1961 solliciteerde hij naar het burgemeesterschap van 'die aardige landelijke gemeente Vlagtwedde. Ik was bereid afscheid te nemen van het korps dat mij zo lief was geworden. Ik wilde liever burgemeester zijn van een kleine plaats, in Gods oneindige natuur, een burgervader zijn voor alle mensen dan dagelijks te worden geconfronteerd met geïntrigeer, met de achterklap in een grote stad'.

Dat ging niet door. Hoofdcommissaris Van der Molen modderde verder met een burgemeester en een hoofdofficier van justitie die hem, de omhooggevallen marechaussee-overste, nooit helemaal voor vol aanzagen.

Vroeg of laat moest het fout lopen en dat gebeurde in 1966. Je had het al eind 1965 kunnen zien aankomen. Het fenomeen heette Provo. Elke zaterdagavond was het vaste prik: matten met de politie rond het Lieverdje op het Spui. Jasper 'Uche, uche' Grootveld voerde er zijn rituelen uit, Koosje Koster presenteerde krenten, Rob Stolk opruiende pamfletten. De toeloop was te groot, vond de politie, want af en toe moest er even een automobilist van het gas. Dat was ordeverstoring en voldoende om een peloton gummiknuppels te laten neerdalen vanuit het belendende bureau Singel. Politie en magistraten begrepen niets van Provo, het symbool van de op drift rakende jaren zestig. Provo protesteerde tegen de verstarring die was opgetreden na een hoopvol begin van naoorlogse vernieuwing. Die samenleving werd nu gedomineerd door de Koude Oorlog en ook de oorlog in Vietnam had enige invloed.

Het wettig gezag zag in het groeiende aantal anti-Vietnamdemonstraties alleen maar een revolutie die op uitbreken stond. Pas jaren later erkende de toenmalige chef van het bureau Singel, commissaris P.Landman dat men absoluut niet wist hoe er tegen op te treden: 'Er is veel te veel en veel te hard geslagen. En het heeft een hoop geld gekost.'

In maart van dat jaar 1966 had je Het Huwelijk. Burgemeester Gijs van Hall vreesde grote ellende van het voornemen Beatrix en haar Duitse Claus in het allengs lastiger Amsterdam te laten trouwen. Hij waarschuwde heftig, maakte hoogstpersoonlijk een conceptbrief voor de koningin aan de regering en het aanstaande paar bleek zelfs bereid naar Baarn uit te wijken, maar voor premier Jo Cals was de oorspronkelijke wens van de kroonprinses een prestigekwestie. Hij dreef Amsterdam door. In de herinnering lijkt de tiende maart 1966 zich nu alleen te centreren op die rookbom in de Raadhuisstraat, maar men achtte toen wel liefst achtduizend politiemannen en militairen nodig om de trouwstoet te beschermen op de paar honderd meter tussen Koninklijk Paleis en Westerkerk.

Hendrik Jan van der Molen was in 1955 de roemruchte hoofdcommissaris Kaasjager ('Alle grachten dempen als parkeerruimte') opgevolgd in Amsterdam. Over zijn antecedenten fronsten zich wenkbrauwen. Van der Molen, afkomstig uit het Groningse Bellingwolde, was carrière-militair, in laatste instantie bij de marechaussee (waar hij een paar opzienbarende corruptiezaken had opgelost) en stond bekend als strikt rechtlijnig. Was deze zwijgzame, stugge man wel de meest logische keus voor een post waar op zijn minst enige flamboyance nodig was, die Van der Molens neef Eric Nordholt later weer wel bleek te hebben?

Over Van der Molens samenwerking met burgemeester Arnold d'Ailly is weinig bekend, maar aangenomen mag worden dat daar nauwelijks problemen waren, want d'Ailly kon immers met iedereen overweg. Deze klassieke 'burgervader' placht regelmatig een biljartje te leggen, heel gewoon in de kroeg, en hoorde zo uit eerste hand wat er onder zijn Mokummers loos was.

Mr. Gijsbert van Hall, die d'Ailly in 1957 als burgemeester opvolgde, was van totaal ander snit. 'De laatste der regenten' heette hij. Van Hall was een afvallige liberaal, overgestapt naar de Partij van de Arbeid, gestudeerd in Leiden, nooit politiek actief geweest, dertig jaar gebankierd. Maar hij was van huis uit Amsterdammer, telg uit een oud patriciërsgeslacht vol staatslieden, geleerden, financiers en zelfs verzetsstrijders (een broer was in de oorlog gefusilleerd). 'Ik geloof niet dat ik een populair burgemeester zal zijn', waarschuwde hij meteen maar bij zijn aantreden. Hij doelde daarmee op zijn olijke voorganger, maar de uitspraak bleek een onbedoelde vlucht naar voren.

ZWARTE DINSDAG, 14 juni 1966, kost zowel de hoofdcommissaris als de burgemeester de kop. De dag tevoren zijn er relletjes geweest in de Marnixstraat, waar bouwvakkers protesteren tegen het aftrekken van twee procent administratiekosten bij het verzilveren van hun vakantiebonnen. Als de kruitdamp is weggetrokken, ligt de 51-jarige Jan Weggelaar, op pantoffels uit de Jordaan gekomen, dood op de tramrails. De eerste editie van De Telegraaf, die in de Amsterdamse café's wordt uitgevent, vermeldt dat hij door een straatklinker is geraakt, geworpen door een andere bouwvakker. De bouwvakkers pikken de insinuatie niet en reageren furieus. Tijdens een demonstratie, de volgende dag bij de Dokwerker, wordt niet alleen opgeroepen tot een 24-uursstaking, maar ook tot bestorming van het gebouw van De Telegraaf aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Krantenauto's worden omgegooid, in brand gestoken. Een directielid van de Telegraaf spuit hoogstpersoonlijk met de brandslang binnendringende types van de trap.

Harry Mulisch slaat, pijpje smorend, de zaken vergenoegd gade van achter de ramen van Café Scheltema en noteert in zijn Bericht aan de Rattenkoning: 'Gillende typistes, verteerd door schuldgevoel en berouw dat zij jarenlang leugens hadden getikt, ontvluchtten het gebouw via brandladders aan de achterkant - want die barbaren daarbuiten waren immers arbeiders, dus eigenlijk al een soort Russen, die ongetwijfeld iedere vrouw tienmaal zouden verkrachten'

Wat doet de politie? Vooralsnog niets. Want de 'HC', zoals hoofdcommissaris Van der Molen in 'de fabriek' (het hoofdbureau) wordt genoemd, staat zwijgend in de kamer van burgemeester Van Hall en ziet hoe deze het ene briefje na het andere in handen krijgt gedrukt. Ook procureur-generaal Gelinck en officier van justitie Van Renesse zijn aanwezig. Van der Molen kan alleen maar gissen naar de inhoud van de briefjes en observeert later: 'Feitelijk heeft de burgemeester de hele zaak opgehouden. Die heeft mij nooit verteld wat er zich afspeelde'.

Van Hall weet óók iets niet - dat Van der Molen zélf wil beslissen wanneer de ME zal uitrukken. Pas om kwart voor elf begrijpt Van der Molen wat er aan de hand is, wanneer een rechtstreeks telefoontje van het hoofdbureau tot hem doordringt. Dan geeft de hoofdcommissaris 'met luide stem' het bevel uit te rukken. Er mag van vuurwapens gebruik worden gemaakt. Van Hall en de anderen maken geen bezwaar, stemmen stilzwijgend in.

Maar voor de regering is het allemaal veel te laat: aan dat voortdurende gelazer in Amsterdam moet een eind komen. De minister van Binnenlandse Zaken is, zacht gezegd, geen fan van de Amsterdamse hoofdcommissaris. De Drentse oud-verzetsman Jan Smallenbroek is inmiddels ter ore gekomen dat de Groninger Van der Molen zich in 1940 vrijwillig in Duitse krijgsgevangenschap heeft begeven om daar in alle rust zijn kennis van de klassieke talen af te stoffen, terwijl anderen zich metterdaad doodvochten tegen de mof.

Het meest befaamde gesprek tussen de minister en de hoofdcommissaris zou genoteerd worden op Smallenbroeks Willem-II-sigarendoosje. De bewindsman citeert ervan, onder grote hilariteit van de Tweede Kamer. Van der Molen is er jaren later er nóg boos over: 'Er stond eigenlijk helemaal niks op. Dus de minister heeft wat-ie aan de Kamer vertelde allemaal gelogen.'

VAN DER MOLEN wordt aangeraden de eer aan zichzelf te houden. Hij weigert en wordt ontslagen met een riante regeling. Hij kan, tot zijn pensioen, zeven jaar later, het volle salaris blijven trekken.

Voor de burgemeester is er uitstel van executie, ook al commentarieert de Volkskrant: 'Het is te betreuren dat de minister van Binnenlandse Zaken, de heer Smallenbroek, niet reeds gisteren het ontslag van de heer Van Hall heeft kunnen aankondigen'.

Dat ontslag laat nog tot 1 juli 1967 op zich wachten. Smallenbroek is er dan niet meer. Hij is afgetreden wegens dronkenschap achter het stuur. Zijn opvolger Beernink behandelt de ontslagkwestie dermate schutterig dat Amsterdams loco-burgemeester Koets namens wethouders en raad de historische woorden kan spreken: 'We voelen ons grotelijks belazerd'.

Van Hall krijgt ten afscheid een gouden penning van de stad met als inscriptie: 'Amsterdammer bij uitstek'. Bij Van Halls dood, tien jaar later, vat zijn opvolger Ivo Samkalden samen: 'Het is de problematiek in de verhouding burgemeester - hoofdcommissaris - hoofdofficier van Justitie en de gezags- en bevelsverhoudingen bij de politie, die in deze periode heel duidelijk naar voren waren gekomen.'

Een tekst die zonder meer op Groningen-1998 kan worden gelegd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden