Bureau Sorry, voor al uw rotstreken

Het zou het begin kunnen zijn van een slechte film. Je gaat een vrouw opzoeken om haar je excuses aan te bieden....

Ineke van den Bergen

Via de keuken ga je naar de woonkamer. Een van de muren is bedekt met fotobehang, nog vochtig, moet pas aangebracht zijn. Op de achtergrond bergen, op de voorgrond een herfstbos met een meertje, waar een hert staat te drinken. De vrouw die je zoekt, zweeft boven het meer, haar armen omhoog, haar voeten iets boven de grond. Er steekt een spijker uit haar voorhoofd, een andere spijker houdt haar handen vast. Je eerste gedachte is: Waar haal je zulke lange spijkers vandaan. En dan: Dit is niet echt. Daarna hol je brakend weg.

Toch niet het begin van een slechte film, maar een gebeurtenis die plaatsvindt op een kwart van het boek Sorry, geschreven door Zoran Drvenkar (1967), geboren in Kroatië en opgegroeid in (West)Berlijn. Hij schreef bekroonde kinder- en jeugdboeken, korte verhalen, gedichten en toneelstukken. Sorry (ook de titel van het Duitse origineel) is zijn derde thriller, die onmiddellijk op de prestigieuze Krimi-Welt-Bestenliste belandde.

Het leek een briljant idee, zowel van de auteur als van zijn hoofdpersonages, Kris, Wolf, Tamara en Frauke, om een verhaal te schrijven over een bureau dat is opgericht om excuses aan te bieden namens anderen. Bedrijven die bepaalde werknemers slecht hebben behandeld of zakenmensen die anderen een smerige streek hebben geleverd, kunnen Bureau Sorry bellen, dat een medewerker naar de gedupeerden stuurt, met verontschuldigingen en niet zelden een financiële compensatie.

Een succesformule, bedacht door een van de vier vrienden, die allemaal om werk verlegen zitten. Dé oplossing voor de donkere schaduw die over het leven van bazen en leiders hangt, waar hun rijkdom hen niet tegen beschermt, en geld voor een goed doel hen niet ontlast van hun schuldgevoel. De, aanvankelijke, losers worden er al snel rijk van en kopen een villa aan de Wannsee.

De pleuris breekt uit als Wolf namens een cliënt excuses gaat aanbieden aan de vrouw die aan de muur blijkt te zijn vastgespijkerd, door de opdrachtgever, die hen ook – van een afstand – dwingt het lijk af te handelen. De zenuwslopende afhandeling, en nog eens een tweede lijk, brengen spanningen mee waar ze aan onderdoor gaan. Er vallen gewonden en doden en langzaam ontvouwen zich achtergronden van de cliënt, die hemeltergend zijn.

Over twee jongetjes van negen jaar, die zich Butch Cassidy and the Sundance Kid noemen, nadat ze de gelijknamige film gezien hadden. Ze lopen lachend in de zomerregen en schuilen in een betonnen buis op een verlaten bouwplaats, tot een auto stopt, waaruit een man en een vrouw stappen. ‘Twee welpen’, lachen ze. Een van hen mag weg, de ander moet blijven, en wordt een welp; hem wordt pijn aangedaan die niet te beschrijven valt. Dat moet je ook niet proberen. Eén dag per maand, twaalf dagen per jaar, jaren lang.

De taal is sterk, de opbouw is complex en knap. Er is ‘jij’, de verteller, de cliënt, in gedachten en handelingen, die zich rechtstreeks tot de lezer richt. Er zijn de stemmen van Kris, Wolf, Tamara en Frauke. Er is: ‘De man die er niet was’. En er zijn ‘ervoor’, ‘ertussenin’, en ‘erna’. Vormen van schuld en boete, moordenaars en verloren mensen, door de werkelijkheid geschonden, eruit weggegleden, en daarna vervaagd, als een oude foto van de jongetjes Butch en Sundance, op de fiets, recht in de camera kijkend.Ineke van den Bergen

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden