Buitenstaander in Afrika

Elke reiziger die tot dan toe matig geïnteresseerd was in zijn huidskleur, wordt in het zuidelijk deel van Afrika colourconscious....

DIT IS DE mooiste plek ter wereld, of misschien moet ik zeggen: was. Niet dat de boel hier zo achteruit is gegaan. Geen sprake van. Het damast ligt nog steeds rimpelloos op de tafels, de servetringen zien eruit alsof ze dagelijks worden gepoetst (dat is ook zo), de parketvloer glimt, en dat doen ook de gezichten van de dames als ze aan het dansen zijn. Ik zie kleine zweetdruppels op voorhoofden van breekbaar wit porselein.

Het is niet eens warm. Het is de inspanning. Zeventigjarige benen kunnen de Engelse wals best aan, maar dan moet het bandje niet ineens overschakelen op van die razendsnelle nummers van Cliff Richard en de Beatles.

Nee, hier is, afgezien van die moderne muziek, alles bij het oude gebleven. Maar u weet wat er gebeurd is; de wereld veranderde.

Vijftien jaar geleden kwam er plotseling ontzagwekkend veel wereld bij. De boycots werden opgeheven, de nationale luchtvaarmaatschappij kreeg toestemming om te landen waar ze maar wilde, en plaatsen als New York en Londen - die voorheen alleen een rol speelden in nieuwsberichten en in de herinnering van hele oude mensen - deden er opeens weer toe.

Dit was de mooiste, meest elegante plek ter wereld, toen de wereld nog zo groot was als Rhodesië en het buitenland beperkt bleef tot Zuid-Afrika. Maar sinds de mensen weer reizen en overal vergelijkingsmateriaal opdoen, is de status van dit oord onzeker geworden; aangetast door de verwende, wereldse blik.

De meeste bezoekers denken trouwens dat ze verderop moeten zijn, zo'n vijf minuten lopen hier vandaan. Daar zijn de Victoria Falls. Twee kilometer aan watervallen, 100 meter diepte, kolkende stromingen, regenbogen, heel aardig. Maar de vaste klanten weten dat de Victoria Falls slechts de aanleiding zijn voor een bezoek aan het Victoria Falls Hotel: het is 'oud, koloniaal, kalm, ruim van binnen en dromerig van buiten', zoals Doris Lessing schrijft. In een wirwar van gangen bevindt zich het eigenlijke doel van de reis, het heilige der heiligen; de eetzaal, The Livingstone Room, met zijn koele, hoge plafonds, zijn gothisch aandoende glas-in-loodramen en handgesneden lambrizeringen.

Zodra je het hek van de hoteltuin gepasseerd bent, begint Zimbabwe, begint de rest van Afrika - de bewakers waarschuwen de gasten voor overstekende olifanten, en vooral de Europeanen moeten daar aanvankelijk om grinniken, totdat ze de vertrapte bomen tegenkomen en de poten die het gedaan hebben - maar hier binnen is alles geruststellend Europees: de Rhodesiërs zijn erin geslaagd de herinnering aan de oude wereld vacuüm te verpakken, en midden in de wildernis te laten herleven.

De obers met hun witte schorten, de krakende karretjes vol likeuren, en de wijnkaart, oh, de uitgebreide wijnkaart, waarop je altijd bourgognes en chinons kon vinden, ook toen er officieel geen Franse produkten te krijgen waren en het Rhodesië van Ian Smith nog behandeld werd als de paria van de internationale gemeenschap.

Het is een miniatuurlandschap onder glas: wie hier zat kon zich verbeelden dat hij sneeuwvlokjes zag dwarrelen, zelfs als de thermometer buiten 35 graden aanwees.

En nog steeds overheersen de dromerige blikken, merk ik wanneer ik de gerant om een tafel vraag. Het publiek geniet van het eten, de ambiance en vooral van het pensioen. Alleen het personeel is zwart. Dat is al lang geen kwestie meer van gedwongen, maar van vrijwillige, apartheid. Er bestaat zoiets als schuldige grond, plekken die de geschiedenis in zich hebben opgezogen en niet meer kunnen loslaten.

Elke zwarte Zimbabwiaan kan hier binnenlopen; er is geen portier meer, zoals vroeger, die het hem verbiedt. Het enige waartegen hij zich moet verweren zijn de spoken in zijn eigen hoofd. En omdat het wat ongemakkelijk eet wanneer je wordt omringd door waanvoorstellingen en fantomen, zijn de zwarten die het zich kunnen permitteren, uitgeweken naar het aanpalende Casino-hotel: dat is minder beladen, en gelukkig ook duur.

'Wij moet alles leren', hield vice-president Joshua Nkomo de autochtone bevolking al voor 'dus ook om rijk te zijn'. Maar een blik op The Livingstone Room, en Zimbabwe verandert weer in het oude, blanke Rhodesië, zoals het tot 1980 heeft bestaan.

Ik kan me voorstellen hoe dezelfde echtparen hier vroeger dineerden, even zelfbewust, iets minder craquelé misschien, toen president Mugabe nog een terroristenleider was en het blanke minderheidsregime zichzelf had opgesloten in haar eigen, autistische gelijk. Wilde de wereld hen niet begrijpen? Dan kon de wereld barsten. Het Scala en de Walldorf bevonden zich onbereikbaar ver aan gene zijde, maar zij hadden The Livingstone Room, dat toppunt van glamour in een uitgesproken plattelandssamenleving. Natuurlijk geldt hier een kledingcode.

Het jasje dat ik aan heb, wordt goedgekeurd door de man die het gastenboek beheert, maar daaronder hoor ik een overhemd te dragen, geen T-shirt. Een das is niet verplicht, de boord mag open - niet te ver, uiteraard - maar aan T-shirts kan hij niet beginnen.

Ik heb nooit geweten hoe goor en onbetamelijk een T-shirt eigenlijk is, totdat ik deze zwarte gerant het woord hoorde uitspreken - uitspugen moet ik zeggen - alsof hij zojuist een slok verzuurde melk had genomen.

Ik ben hier maar een nacht, leg ik uit, ik heb geen bagage bij me, geen overhemden. Maar hij heeft zijn ogen al op onaanspreekbaar gedraaid. Ja, jammer dan. Echt bijzonder spijtig.

Ik geloof dat ik het aan de vrouw te danken heb die net aan haar geflambeerde crêpes wilde beginnen, dat hij milder gestemd raakt. Ze zendt mij een bemoedigende, mascarablauwe blik toe en hem een vragende. Er wordt nu druk overleg gepleegd achter de balie. Meer gasten kijken op, en al die gezichten stralen een zelfde vergevingsgezindheid uit - het soort dat kinderen ten deel valt wanneer ze thuiskomen met een winkelhaak in hun nieuwe broek.

Maar ik ben geen kind, en alle gaten in mijn kleren horen daar te zitten.

Het restaurant vraagt stilzwijgend aan de gerant om mijn fout door de vingers te zien en mij in hun bastion toe te laten, uit schattigheidsoverwegingen. Zoals bekend gaat grootmoedig gedrag heel goed samen met een zekere neerbuigende houding, en in dit geval vloeien die twee vanzelfsprekend samen. Terwijl ik sta te wachten, en de gerant nog smoest met de bedrijfsleider, verander ik in het levende bewijs van de blanke, Rhodesische ruimdenkendheid.

'Laat die jongen toch', klinkt het onhoorbaar zachtjes uit de zaal. En vlak daarachteraan, tegen mij: 'Je ziet, wij zijn de beroerdsten niet.'

Gered door de verkeerde partij. Het kan me niet dankbaar stemmen. Maar uiteindelijk geeft de man van het restaurant toe, al doet hij geen moeite zijn irritatie te onderdrukken, en ook de rest van het (zwarte) personeel zal er die avond geen misverstand over laten bestaan dat ik hier niet ben binnengekomen als gast, maar als smokkelwaar. Vandaar dat mijn verzoek om wijn, bestek, een glas wellicht, zuchtend wordt aangehoord en daarna langdurig vergeten.

Of begon ik ook al spoken te zien. Het is er wel het land voor.

Ondertussen heeft het bandje opnieuw ingezet: Yesterday, all my troubles seemed so far away, now I need a place to hide away, oh, I believe in yesterday.

Een zaal vol blanke Rhodesiërs en vakantievierende Afrikaners: ik zag hoe ze de woorden voor zich uit mompelden, alsof ze het liedje ter plekke verzonnen.

Vlak achterelkaar bezocht ik zowel Zimbabwe als Zuid-Afrika, die twee besmettingshaarden waar de wereld tot voor kort haar collectieve verontwaardiging op kon richten. Ik had me voorbereid op de effecten van de apartheid: op townships, op etnisch ressentiment, en op het wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Rassenwetten kunnen met een pennestreek ongedaan worden gemaakt, maar de daarbij behorende gevoeligheden niet.

Mijzelf had ik vooral een observerende taak toebedeeld; die van de reiziger met het fototoestel en de verrekijker in de aanslag. Ik had me nauwelijks gerealiseerd dat ik zelf het object zou zijn van onderzoek en inspectie, en al helemaal niet dat ik beoordeeld zou worden op grond van criteria die ik amper begreep.

Zij wel. Want daar, in dat zuidelijke deel van Afrika zijn de mensen getraind in het raciale verschil; niet alleen wordt elke kleurnuance opgemerkt, ook weet men dan meteen tot welke groep je behoort, en wat voor soort gedrag er van je verwacht mag worden.

Elke reiziger die tot dan toe maar matig geïnteresseerd was in zijn huidskleur, wordt in een mum van tijd colourconscious gemaakt. Het is afgelopen met de luxe van de onverschilligheid en met de liberale desinteresse, waarop verlichte geesten in het Westen zich zo graag beroepen.

Mij werd met zoveel woorden gevraagd de kleurling te spelen. Ik was daar wel toe genegen, al wist ik niet precies hoe ik die rol gestalte moest geven. Wat doet een kleurling zoal? Hoe gedraagt hij zich in taxi's, disco's en in restaurants, waar kledingcodes gelden? Zou een getraind iemand net iets extra, iets kleurlingachtigs hebben toegevoegd aan het incident in The Livingstone Room?

Van de vier raciale categorieën die het apartheidsregime hanteerde (blank, zwart, Aziaat, kleurling) heeft de laatste soort me altijd het meest schimmig toegeschenen. En mij niet alleen. Ik herinner me een interview met de echtgenote van ex-president De Klerk, uit 1983, waarin zij kleurlingen definieerde als 'een negatieve groep': hun specifieke opdracht bestond eruit de gaten te stoppen die in het apartheidssysteem dreigden te vallen; ze moesten niet blank zijn, niet zwart, en zichzelf ergens in dat obscure midden zien te vinden.

Al wilde mevrouw De Klerk wel toegeven dat het kleurlingen zelf nogal onduidelijk was, en niksig. Geen wonder dat ze in die kringen 'geestelijke problemen' signaleerde. Zij noemde met name de 'argwaan' en de 'verongelijktheid' waar kleurlingen last van zouden hebben; de verschillende stadia van paranoia.

Het is onuitstaanbaar; maar vaak zijn het niet de vrienden, maar de verklaarde vijanden, die je de spiegel het hardhandigst voor ogen houden.

De vierde avond in Johannesburg besluit ik alleen op pad te gaan.

Ik ben al naar Soweto geweest, naar Yeoville, ik heb ernstige gesprekken gevoerd over de toekomst van het land, waarbij ik mijn gesprekspartners moeiteloos overtrof in pessimisme. Op de een of andere manier stemt zo'n verantwoord, politiek programma me steevast achterdochtig: zo leven mensen niet, denk ik, wanneer ik om acht uur 's ochtends de aangeslagen stemmen hoor die piekeren over de oogst en de aanhoudende droogte.

Zwarte kennissen hebben me het adres gegeven van een homo-disco in Braamfontein - al lieten ze daar de waarschuwing aan voorafgaan dat ik er enkel 'Afrikaners' aan zou treffen, verwende blanke prinsjes uit de suburbs, die geplaagd leken te worden door een aanhoudende verkoudheid, zo vaak haalden ze hun neus op.

Mij leek dat overdreven; typisch zo'n vijandbeeld dat bevolkingsgroepen over en weer construeren wanneer ze elkaar nauwelijks kennen. Chinezen eten alle dagen hond en Japanners beginnen de dag met een glaasje urine. Bovendien was ik ervan overtuigd dat het juist in de homo-scene wel mee zou vallen met die raciale stereotyperingen. Niet omdat homo's betere mensen zijn, integendeel: ze zien er hooguit op toe dat hun politieke principes zo min mogelijk interveniëren met hun seksuele verlangens.

De club maakt een huiselijke indruk. Drie, vier veranda's die uitkomen op een keurig gemaaid gazon: er hangen lampions in de bomen en mannen tegen de muur. Van het geheel gaat de suggestie uit dat er verjaardagen te vieren zijn, en dat alleen de allerbeste vrienden een uitnodiging mochten ontvangen.

Wanneer ik het terras betreed, valt me meteen de jongen op die zijn haar in een mooi, bolvormig buxushaagje heeft geknipt, zoals Michael Jackson nog deed toen hij broeken met wijde pijpen droeg en optrad met zijn broers.

Zie je wel: gemengd publiek.

Binnen tref ik een dansvloer aan, een bar, en een lange, zenuwachtige rij voor de wc. Er gaat iets geruststellends uit van dit beeld, iets universeels. Hier gelden de gebruikelijke, internationale wetten van het uitgaansleven.

Na een uur te hebben rondgedwaald moet ik vaststellen dat ik niemands aandacht heb getrokken en dat geen blik de mijne heeft gekruist. Kennelijk heb ik mijn dag niet. Haar zit vast raar. Misschien iets afwerends in mijn ogen. Dat kan overal gebeuren. Dat zegt niets.

Toch begin ik nu minutieus de kleursamenstelling van het gezelschap na te pluizen, zoals alleen hele strenge antiracisten doen (strenge racisten trouwens ook), die je in één oogopslag de etnische antecedenten van een compleet café kunnen geven. De drummer in het bandje is dubieus. De kelners zijn zwart. En de dansers zijn stuk voor stuk veel in de zon geweest - maar dat is geloof ik weer iets anders dan bruin.

Als ik naar de jongens kijk in hun zwarte, gebiesde broeken, die met hun dienblad door de menigte balanceren, kan ik me voorstellen hoe ik mezelf door deze ruimte moet bewegen.

Onopvallend. Onzichtbaar. Er wordt ze niets in de weg gelegd, de jongens. Integendeel: ze brengen de drankjes rond, en de gasten zijn uiterst voorkomend. Er is geen elleboog die per ongeluk in hun rug belandt, geen been dat langs het hunne schuurt. Het lijkt of de klanten hier zijn uitgerust met infrarode radars, die waarschuwingssignalen afgeven zodra het bedienend personeel nadert.

Het effect is doods en dodelijk.

Als ik ten slotte de uitgang opzoek, merk ik dat ik langs, over en door mensen heenkijk. Behalve bij mij wekt dat niemands bevreemding op. De jongen met het afro-kapsel houdt de wacht op het halfhoge muurtje; armen gekruist, vastberaden uitdrukking op zijn gezicht.

'Zullen wij dan maar. . .', zegt hij, zonder ook maar enige animo te hoeven onderdrukken. 'Verder is er toch niemand.' Ik draai me om, zie het gekrioel op de dansvloer en bedank hem vriendelijk voor het aanbod.

'Dit hoeft niets te betekenen.' Ik heb me dat zinnetje vaak ingeprent wanneer zich weer zo'n situatie voordeed die niet spectaculair was of openlijk racistisch, maar alledaags en onbenullig. Ik bedoel bijvoorbeeld het overdreven enthousiasme, waarmee de Afrikaner vrouw vaststelde dat ik las. We hadden net de luchthaven van Kaapstad verlaten en vlogen over de gekleurde townships. Zij keek vluchtig naar het boek dat ik in mijn handen hield en legde toen een warme, vertrouwelijke hand op mijn arm. 'On-der-wijs', zei ze met spellingstreepjes, 'onderwijs is zo belangrijk.'

Ik denk aan het compliment dat me gemaakt werd door twee gekleurde mannen in een bar. 'Heel goed', glimlachten ze samenzweerderig, 'dat je de bestelling juist bij die blonde hebt geplaatst. Laat die ook maar eens lopen.' Pas toen viel het me op dat ik ook iemand anders had kunnen roepen; de donkere man bij de tapkast met de chagrijnige trekken rond zijn mond.

En nog steeds geloof ik dat de obers in het Victoria Falls Hotel meer moeite hadden met mijn onduidelijke raciale status dan met mijn T-shirt. Als ze dan toch moeten bedienen, dan bedienen ze liever blanken; de arbeidsverdeling is misschien onrechtvaardig maar ook tamelijk overzichtelijk. Alles wat dat rollenspel verstoort, wekt ongemak op en irritatie.

Denk ik, geloof ik.

Want dat is ongetwijfeld het venijnigste effect: de argwaan die je gaandeweg bekruipt, de vermoedens, die een eigen leven gaan leiden en de spoken, waarvan je na verloop van tijd zou zweren dat je ze met eigen ogen gezien hebt. Ik kreeg het idee dat ik tegen mijn zin in een familieruzie werd betrokken, die zich al decennia lang had voortgesleept. Iedereen wist hoe de verhoudingen lagen, wie met wie geallieerd was, welke brouilles kost wat kost vermeden moesten worden en waarom.

Zelf kijk je je ogen uit, maar de anderen zijn ervan overtuigd dat jij je dommer houdt dan je in werkelijkheid bent. Vandaar dat je ook een rol krijgt toebedeeld in dit familiedrama. Regie-aanwijzingen onbreken. Een tekstboek is er niet.

'Maar', verzekeren ze je, 'dat is ook niet nodig. Want dit stuk is je op het lijf geschreven.'

Even buiten het centrum van Harare, in het zwarte woonoord, verkopen ze kippen; geslacht of levend, de klant mag het zeggen. Een marktkoopman heeft de grille van een Mercedes in de aanbieding, met een ongehavende ster, die hij kwijt raakt aan een jongen met een ijsmuts op het hoofd. Even later zie ik hoe het gevaarte op de gladde buik van een VW-kever wordt geschroefd. Er zijn duizendpoten, die je kunt eten en die kraken als je er op kauwt. De omstanders schieten in de lach als de toerist voorzichtig proeft.

Ik ben al bijna weer een buitenstaander.

Dan is er nog een man die uitdrukkelijk naar mij wijst: hij staat achter een onoverzichtelijke hoeveelheid zakjes waarin gekleurd zand zit: geel, gifgroen, ultramarijnrood.

'Mister, Mister.' Hij is de kruidendokter, en wil weten of mij iets mankeert. Of nee, ik hoef niets te zeggen als hij even mijn pupillen mag inspecteren. Goed zo, ja. Nu moet ik de ogen even wegdraaien. Hmmmmmm.

Hij maakt in ieder geval de kenmerkende, medische geluiden. En alsof we hier in een spreekkamer staan, buigt hij vertrouwelijk voorover op het plankier, denkt aan het oogcontact tussen arts en patiënt, en stelt de diagnose: 'Bad spirits, mister.'

Een duidelijk geval van slechte, groezelige gedachten. Gelukkig is daar nog van alles aan te doen. Hij pikt een steenrood zakje uit de verzameling en geeft er meteen de gebruiksaanwijzing bij: uitstrooien in koud water, daarna tweemaal daags uitgieten over het hoofd.

'Kan het niet gewoon in bad', vraag ik lafhartig. 'Een hotelbad met warm water.'

Hij moet nu even nadenken, maar dan schiet hem te binnen dat ik een buitenlander ben. En ach, zegt hij royaal, in dat geval maakt het allemaal niets uit, en mag ik doen en laten wat ik wil.

Toch geprobeerd, die avond na het diner in The Livingstone Room.

Bad vol, eerst het spul er in, dan ik. Voor alle zekerheid houd ik ook mijn T-shirt aan. Er gebeurt weinig opzienbarends; het goedje bijt niet, borrelt niet, prikt niet. Hooguit schuurt het wat - maar dat krijg je, als je een handvol zand in je bad gooit. Pas als ik de stop verwijder en het water wegstroomt, zie ik resultaat: er blijft een smoezelig laagje achter op het emaille, klef, onbestemd van kleur. En volgens mij moet dat ongeveer geweest zijn, wat ik in Zimbabwe en Zuid-Afrika probeerde kwijt te raken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden