Buiten de natuur heerst het mateloze

IN ELK SERIEUS dagboek vind je momenten van onverwachte helderheid, pagina's die je leest met het gevoel dat de schrijver rakelings langs de waarheid scheert....

FRANK VAN DIXHOORN

Gombrowicz schrijft in 1956: 'Wanneer zal er een eind komen aan dit gewervel, dit geruk, waanzin der bladeren, vertwijfeling der takken; als de ene groep bomen kalmeert, begint de andere te huilen, het ruisen gaat van plek naar plek, en ik ben ingesloten in dit huis, ingesloten in mijzelf. . . ja, werkelijk, nu, in de nacht, ben ik bang dat mij misschien iets zal 'verschijnen'. . . Iets abnormaals. . . want mijn monsterachtigheid groeit, mijn verhouding met de natuur is slecht, verslapt, en deze verslapping maakt mij voor 'alles' toegankelijk. Ik denk niet aan de duivel, maar aan 'zo maar iets'. . . Ik weet niet of dat duidelijk is? Als deze tafel zou ophouden tafel te zijn, zou veranderen in. . . Niet noodzakelijk in iets duivels. De duivel is maar een van de mogelijkheden - buiten de natuur heerst het mateloze.'

Wat bedoelt Gombrowicz met 'buiten de natuur'? Een paar bladzijden eerder heeft hij afgerekend met een absolute God in den hoge waar je van kunt dromen, en vele bladzijden daarvoor met een dame die 'geloof' als een absolute grootheid wil hanteren. Toch staan die woorden daar niet vrijblijvend. Buiten de natuur. Je kunt mooi fantaseren over monsters en giganten, maar Gombrowicz vertelt geen sprookjes - hij heeft andere dingen aan zijn hoofd.

Opvallend is de luchtige toon die het fragment - bij vlagen - heeft. In de ruimte waar hij is voelt Gombrowicz zich angstig, opgejaagd, alsof hij niet alleen is. Hij is bang dat hem iets zal verschijnen, 'iets abnormaals', 'zomaar iets'. Het zou de duivel kunnen zijn, maar ook iets anders. Een zekere spot is onmiskenbaar. Wat maakt het uit, lijkt hij te denken, als ik spitsroeden moet lopen heb ik er niet veel aan om te weten wie mij ranselt. Met een subtiele gedachtensprong heeft hij de dreiging afgewend, de afgrond ontweken. Met een zekere trots schrijft hij daarna over zijn verlangen naar het 'gewone' bestaan.

De spot van Gombrowicz helpt hem het gevaar te bezweren, of zijn angst te beteugelen. Je kunt er jaloers op zijn, dat vermogen om wat toch ontzagwekkend is en wonderbaarlijk voor te stellen als iets gewoons, 'zomaar iets', zonder dat het daardoor minder ontzagwekkend wordt.

Soms blijft de spot achterwege. In zijn roman Kosmos beschrijft Gombrowicz een zomer op het Poolse platteland; twee jonge mannen ontmoeten elkaar en huren een kamer in een schamel pension. In de lome hitte ontwikkelt zich een absurd verhaal dat bij nader inzien misschien niet zo heel absurd is. Het heeft te maken met een mus, opgehangen aan een touwtje in een holte tussen de struiken, een misvormde mond, een moeder die 's nachts met een smidshamer (of een bijl, dat is niet te zien) op een boomstronk inhakt, en het amoureuze avontuur van de heer des huizes, vele jaren geleden met een keukenmeid.

Het zomerse landschap, de mensen die daarin bewegen - alles wordt voor de twee jongens een obsessie, een werkelijkheid beladen met mogelijke (en dreigende) betekenissen. Het zijn trouwens geen van beiden sterke persoonlijkheden: de ene (Fuks) heeft grote problemen met zijn chef en praat daar hinderlijk veel over, de ander (Witold) is een zenuwachtig mannetje dat in onmin leeft met zijn ouders.

Het is Witold die uiteindelijk lijkt te bezwijken in deze zelfgeschapen atmosfeer. Na een avond van rondsluipen en gluren loopt hij door de tuin naar de veranda en ziet daar Dawidek, de kater van de dochter des huizes. Het beest staat op om zich te laten strelen, maar Witold is zichzelf niet: 'Ik pakte de kater stevig bij zijn keel en begon hem te wurgen, ik besefte in een flits wat ik deed, maar er was niets meer aan te doen, te laat, met alle kracht drukte ik mijn handen samen. Ik wurgde hem. Hij verslapte.'

Het vervelende bij dit soort episodes is dat je gaat zoeken naar een psychologische verklaring: als je die hebt gevonden is het niet langer nodig de jongen of zijn daad serieus te nemen. Waarom zou het wurgen van die kater niet méér zijn dan een bevlieging of een drift of zelfs een vlaag van verstandsverbijstering - en bovendien, wat zeggen dat soort termen nou helemaal?

Wie het boek leest wordt als het ware uitgenodigd, nee, verleid om zichzelf die vraag te stellen. De kater, maar ook andere levende en levenloze objecten worden zo voorgesteld dat het schenden of zelfs het waarnemen van zo'n object een daad van metafysische betekenis lijkt.

Toch zijn er grenzen, en Gombrowicz is zich daar voortdurend van bewust. De karakters van Witold en Fuks krijgen iets onuitstaanbaars door de verwaandheid waarmee ze tegen beter weten in aannemen dat zij alles wat ze meemaken en zien kunnen ontrafelen. Een wandeling of een tochtje met paard en wagen is genoeg om de gekste fantasieën in elk geval tijdelijk te vergeten. Ook in het dagboek stelt de schrijver zich teweer tegen de verbeelding die op hol slaat: 'Je kijkt in de afgrond om anderen te vertellen wat je gezien hebt,' zegt hij - vooral tegen zichzelf. 'Je zoekt grootheid om je éen duim tussen de mensen te verheffen.'

Laten we dus eindigen met iets alledaags, zoals Gombrowicz zelf doet. Een asbak. Je gooit er de as in van je sigaret of je ziet hem en denkt er vervolgens niet meer aan. Geen probleem.

Maar stel nu eens dat je die asbak nog een keer ziet: dan krijgt ie al iets aparts, dan wordt hij beladen met betekenis. Nee? Het is een gewone asbak? Als hij zo gewoon is, waarom zou u het dan nog eens benadrukken?

'Zou de werkelijkheid,' vraagt Gombrowicz, 'in haar kern de aard van een obsessie hebben? Gegeven dat wij onze werelden construeren door het associëren van verschijnselen, dan zou ik niet verrast zijn wanneer er in het begin der tijden een willekeurige en terugkerende associatie was geweest die een richting vastlegde in de chaos en orde schiep.'

Om vervolgens af te sluiten met een zin die even beklemmend is als onbevredigend. 'Er is iets in het bewustzijn dat het tot een valstrik maakt voor zichzelf.'

Frank van Dixhoorn

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden