Buigzame slimmeriken

De politieke cultuur in Nederland is er op gericht minderheden op te nemen. Het zijn de 'regenten' geweest die de veranderingen in de jaren zestig mede mogelijk hebben gemaakt, zo meent de Amerikaanse historicus James C....

OVER TWEE dingen dreigen we hier voorlopig nog niet uitgepraat te raken: over de Tweede Wereldoorlog en over de jaren zestig. Respectievelijk vijftig en dertig jaar geleden, maar scholieren van veertien blijken zich 10 mei 1940 nog altijd te herinneren als de dag van gisteren en met de regelmaat van een klok worden de dagen van de Grote Maatschappijhervorming door columnisten, sociologen, politici en overige opiniemakers als getuigen aangeroepen alsof Jasper Grootveld nog maar net klaar is met z'n financiële Ughe Ughe bij het Lieverdje, en Bram de Swaan zojuist het laatste couplet van de Internationale in het Maagdenhuis heeft uitgezongen. Sommige verledens gaan in Nederland nooit helemaal voorbij.

Wat de jaren zestig betreft spreekt dat voor menigeen vanzelf. 'De openheid waarmee we tegenwoordig over seks praten', schrijft de historicus Hans Righart ter inleiding van zijn onderzoek naar het spraakmakende decennium, 'de egalitaire manier waarop kinderen met hun ouders omgaan, de democratisering van ooit onaantastbare gezagsverhoudingen op school, werk en universiteit, de alomtegenwoordigheid van popmuziek, dit alles en nog veel meer valt terug te voeren tot de jaren zestig' - en als om de onverminderde actualiteit van het tijdperk te benadrukken noemde hij z'n studie De eindeloze jaren zestig, waarbij hij het 'eindeloos' in de titel voor de zekerheid ook nog liet cursiveren.

Misschien worden de jaren zelfs steeds actueler naarmate zich dertig jaar na dato duidelijker een soort richtingenstrijd ontwikkelt tussen mensen die het toen teweeggebrachte gedachtengoed warm blijven omhelzen, en mensen wie de openheid waarmee we tegenwoordig over sex praten, of de egalitaire manier waarop kinderen met hun ouders omgaan, of de alomtegenwoordige popmuziek juist een gruwel is.

De actualiteit lijkt ten slotte bewezen door maar liefst vier recente publikaties over de erfenis van 'zestig', waarvan er twee van uitgesproken polemische aard zijn. De eerste heet Ach Jezus, een intellectueel en telt eigenlijk niet helemaal mee omdat er op half en half besmuikte columntoon meer de draak wordt gestoken met modieuze linksigheden dan met de werkelijke verworvenheden van de jaren zestig. 't Gaat om een bloemlezing uit de bijdragen die Gerry van der List sinds een paar jaar wekelijks levert aan de Forumpagina van de Volkskrant, en die je misschien vooral 'pikant' moet noemen omdat de auteur een gerenommeerde VVD-liberaal is, die dus graag Volksempfindliche plaagstoten uitdeelt in het overigens zo progressieve ochtendblad.

Interessant is vast te stellen dat die belijdenis van pluriformiteit van redactionele kant tien, vijftien jaar geleden nog ondenkbaar was geweest. Ik heb nog meegemaakt dat de verschijning van een serie artikelen van Henry Kissinger halverwege moest worden gestaakt omdat men ter redactie niet wilde weten (en lezen) van een man 'met bloed aan z'n handen' - en nou kan Van der List, ook wat het bloed betreft, natuurlijk op geen enkele manier in de schaduw staan van Kissinger, maar zijn medewerkerschap aan de Volkskrant markeert toch een keerpuntje. Of is het 'alles-moet-kunnen'-adagium dat zeker in de jaren zestig werd geboren, intussen nog verder in (letterlijk) liberale richting opgerekt?

De tweede publikatie is één grimmige aanklacht tegen alles wat sinds 1965 'maar heeft moeten kunnen', en als gevolg waarvan de ludieke seksuele revolutie zou zijn ontaard tot kinderporno, de gezellige onderwijsdemocratie tot onwetende studenten, de knusse weedpot tot heroïnespuiten en de mooie publieke omroep tot RTL en erger.

Het bundeltje tirades - de uitgever spreekt van essays, alsof je kano's ooit taartjes zou mogen noemen - werd geschreven door Hermand Wigbold, die ze bundelde onder de titel Bezwaren tegen de ondergang van Nederland, waaruit begrepen zou kunnen worden dat de auteur liefst wil voortleven als de Da Costa van de late twintigste eeuw. Z'n boekje werd in deze krant onlangs al ernstig berispt - de (post)moderne Volkskrant is tenslotte een volbloed kind van de jaren zestig, dus zal altijd eerlijk voor haar moeder opkomen.

Deels was de kritiek natuurlijk terecht, al was het maar omdat de robuuste bootwerkerstaal die Wigbold indertijd zo geknipt maakte als bijna-laatste hoofdredacteur van het Rotterdams geworden Vrije Volk, haar doelen gewoonlijk al na drie alinea's voorbij is geschoten. Maar deels was ze ook niet terecht, bijvoorbeeld in de suggestie dat hij soms als een soort spijtoptant een radicaal vernieuwingsverleden zou hebben verloochend.

Wigbold was helemaal niet het type van de jaren-zestig-contestant - zijn Achter Het Nieuws aarzelde in 1969 geen seconde om de bezetting van het Maagdenhuis scherp af te keuren: bijna net zo scherp als de vrijwel voltallige PvdA-top, van voorzitter Vondeling, via burgemeester Samkalden tot aan bemiddelaar Ed van Thijn, de actie afkeurde.

Wigbold was toen al meer de 'oudere' scepticus als Annie Romein-Verschoor, die kort voor haar dood haar leeftijdgenoten kapittelde, en schreef: 'In hun panische angst om voor oude trutten te worden aangezien, gaan al te veel autoriteiten van alle geledingen, tot aan de top van CRM, zich haasten om achter de opstandige jeugd te gaan staan, of die zo ver mogelijk tegemoet te komen.'

Maar daar kom ik nog op.

DE TWEE RESTERENDE publikaties houden zich allebei regelrecht (en wetenschappelijk) bezig met de jaren zestig, en meer speciaal met de vraag 'waar ze vandaan kwamen' en in hoeverre ze - als deel van een veel weidser, Europees-Amerikaanse beweging - in Nederland andere achtergronden en andere gevolgen hadden dan elders. De al genoemde Righart, die spreekt van 'het mythische decennium', zegt in zijn Woord vooraf dat op die vraag 'nog niemand een bevredigend antwoord (heeft) gegeven' en dat zijn boek 'een eerste poging daartoe wil zijn'.

Is dat niet een beetje grootspraak? Een samenhangende studie naar de 'bronnen' van de sociaal-culturele explosie die zich in de jaren zestig voltrok, is bij mijn weten inderdaad niet eerder geschreven, en zeker niet eentje gebaseerd op zo veel (literatuur)onderzoek als in De eindeloze jaren zestig het geval is. Maar ik ben bij Righart bijna geen verklarende factor tegengekomen die in tientallen monografieën en deelstudies niet al eerder is genoemd of zelfs geanalyseerd: de breuk tussen een vooroorlogse generatie, die groot of oud was geworden met crisis en oorlog, en de naoorlogse die daar steeds minder boodschap aan zou willen hebben; de geleidelijke ontbinding van het politieke, maatschappelijke, culturele en religieuze bestel in de loop van de jaren vijftig; de spectaculaire welvaartsdoorbraak uit het begin van de jaren zestig; de technologische sprongen-vooruit die daarmee gepaard gingen; de snelheid waarmee scholieren, studenten en werkende jongeren (kortom 'de jeugd') economische betekenis kregen - al die stappen in het proces zijn al eens eerder gevolgd en gesignaleerd, ze zijn geen van alle door Righart 'uitgevonden'.

'Nieuw' zou je z'n stelling kunnen noemen dat de stroomversnelling - veroorzaakt door vooral exogene omstandigheden - oud èn jong in verwarring bracht. 'Mijn veronderstelling is', schrijft hij al in z'n eerste hoofdstuk, 'dat beide generaties door de snelle materiële veranderingen in een crisis raakten en dat in deze dubbele generatiecrisis het epicentrum van de jaren zestig gezocht moet worden.' Omdat het op zichzelf zo'n interessante (veronder)stelling is, mag het des te spijtiger worden genoemd dat hij haar verder in zijn boek niet of nauwelijks heeft uitgewerkt.

'De geschiedenis van de jaren zestig in Nederland', stelt hij, 'kan niet geschreven worden zonder rock 'n' roll en zij is dus ook niet los te denken van dit Anglo-Amerikaanse cultuurverschijnsel.' Het is duidelijk dat de geschiedenis van diverse subculturen - de muzikale voorop, die van radio en televisie meteen daarna - Righart's eerste aandacht hebben gekregen. Hij hanteert het belang van vooral de muziek bijna als een axioma, en heeft dus haast onevenredig veel research gestoken in de sociaal-culturele ontwikkelingen van de late jaren vijftig en de vroege jaren zestig. Vandaar boeiende (en in wetenschappelijke kring niet erg gebruikelijke) analyses van bronnen als de muziek- en jeugdbladen Tuney Tunes, Muziek Expres, Hitweek en Aloha, en een afzonderlijk tekstonderzoek naar de Familie Doorsnee.

Maar er is geen antwoord op de vraag die mij al jarenlang intrigeert: hoe verklaren we dat specifiek op jongeren gerichte concerten heel lang worden verzorgd door oudere heren in smoking of frak, en dat hun macht ineens blijkt overgenomen door jongens die niet eens meer een das dragen?

In filmarchieven (dat was ook een bron geweest voor Righart) kun je de schielijke overgang zien: Bill Hailey is nog een soort vader die begrijpt dat zijn kinderen een andere sound verlangen - maar voor je het weet zijn musici van boven de 25 uitgerangeerd (of verbannen naar ouderen-avondjes) en treden de Beatles en de Rolling Stones aan: snotapen voor snotapen.

Via welke sociale, economische of commerciële mechanieken is die spectaculaire overgang bewerkstelligd? Ik heb het vermoeden dat andere dan louter (sub)culturele factoren hier een doorslaggevende rol hebben gespeeld dan uit Righart's onderzoek te voorschijn komt. In dat opzicht heeft z'n boek - zeker als hij toe is aan het straatspektakel van Happening, Huwelijk, Telegraafrellen en Flower Power - iets obligaats: Mulisch' Bericht aan de rattenkoning is informatiever en analytischer.

En wat ik bij alle deelbeschouwingen over 'zestig' altijd heb gemist, mis ik nu ook bij Righart: aandacht (en liefst ook 'verklaring') voor het feit dat de vroegste rebellie in de jaren zestig begint bij ouderen: bij boer Koekoek en de zijnen in Hollandsche Veld, bij de piratenoorlog van de heren Verhey en Landré, (Veronica en REM-eiland) en bij de dwarse meisjes van Oranje die achter mekaar met een roomse Spanjaard, een burgerjongen en een Duitser wensten te trouwen. Waren zij niet de eerste Provo's?

WAARMEE IK TOEBEN aan het laatste van de vier boeken over de jaren zestig: Nieuw Babylon in aanbouw - Nederland in de jaren zestig, een studie waarop de Amerikaan James Kennedy kortgeleden is gepromoveerd.

'De Nederlandse vrees om ouderwets te worden gevonden', schrijft Kennedy in zijn voorwoord, 'is zo groot dat enige kritiek daarop weinig schade kan berokkenen.'

Dat is een mooie, haast laconieke standpuntbepaling, die meteen een toon zet en meteen ook een onderscheid aangeeft tussen zijn verhandeling en die van Righart. Righart steekt niet onder stoelen of banken dat hij - geboren in 1954 - door de jaren zestig mee gevormd is, en uit zijn inleiding kan gelezen worden dat hij het decennium nog altijd aanziet voor iets dat het midden houdt tussen een mirakel en een zegen-van-boven. Kennedy meldt: 'Dit boek is niet voortgekomen uit een verlangen naar de jaren zestig, en ik deel weinig van de vooroordelen en de nostalgie van de 'protestgeneratie', die tot nu toe het beeld van de jaren zestig grotendeels hebben bepaald. Ik ben per slot ook te jong om al hun idealen en frustraties te hebben ervaren.'

Of hij als Amerikaan ook nog extra onbevangen op het tijdvak terugkijkt, is niet ondenkbaar, maar feit is dat zijn benadering van meet af aan blijk geeft van een veel prikkelender en wellicht ook veel 'historischer' visie dan die van zijn Nederlandse vakbroeder. Zijn stelling komt er samengevat op neer dat 'de belangrijkste brengers van vernieuwing mensen waren van wie omvangrijke veranderingen het minst werd verwacht. Hun ondergewaardeerde rol is cruciaal in het begrijpen van de metamorfose die Nederland in de jaren zestig doormaakte.' En op een andere manier geformuleerd: 'Het geloof in de onverbiddelijke komst van veranderingen is altijd een cruciale factor in de Nederlandse politieke cultuur geweest.' Kennedy kent, kortom, een essentiële rol toe aan wat in de jaren zestig werd verketterd als het establishment (hij spreekt van elites), dat in zijn zienswijze fundamenteel aan de 'revolutie' bijdroeg door er niet alleen op te anticiperen, maar er als het ware naar te verlangen.

De wijze waarop de schrijver oude Hollandse tradities verbindt met ogenschijnlijk onverklaarbare vormen van progressiviteit is niet alleen steeds verrassend (als in het hoofdstukje waarin hij de rol van monseigneur Bekkers analyseert), maar ook steeds overtuigend. Centraal staat voor hem het consensusklimaat dat hij zo kenmerkend acht voor de Nederlandse cultuur - en op grond waarvan hij Righart met straatlengten verslaat in de analyse van de Zo-is-'t-televisierel uit 1964.

'De Nederlandse politieke cultuur', vat hij zijn opvatting samen, 'richtte zich volgens eeuwenoude traditie niet op het uitsluiten, maar op het incorporeren van minderheidsgroeperingen. (. . .) Protestbewegingen als de provo's, kabouters en Dolle Mina's zagen talloze (soms ongewenste) mogelijkheden om in de dominante cultuur te integreren.'

Dat lijkt me een moeilijk te weerleggen stelling, die niet verwijst naar een al dan niet opportunistische 'regenten'vorm van repressieve tolerantie, maar die de eer gunt aan een oudhollands maatschappelijk gezelschapsspel waarin iedere dissident - dikwijls met subsidie van de overheid - het recht krijgt om z'n eigen subcultuur te vormen.

'De protestbewegingen', concludeert Kennedy ergens, 'werden eigenlijk vooruitgeholpen door de veranderingen die plaatsvonden onder de regenten zelf', en hij geeft een mooi, klein voorbeeld in het pleidooi van het antirevolutionaire kamerlid Beinema om (anno 1970) de filmcensuur te laten vervallen, omdat 'handhaving van de huidige filmkeuring zou betekenen dat men een waterstroom van honderd meter breed zou willen tegenhouden met een dijk van veertig meter lengte'.

Het is fascinerend te zien hoe Kennedy vaak dezelfde gebeurtenissen, rapporten en onderzoeken aanstipt als Righart, maar vanuit zijn veel originelere visie op het nabije verleden tot totaal andere interpretaties komt.

Of zijn conclusies overal beaamd mogen worden - ik zou het niet weten. Beide auteurs hebben typisch literatuuronderzoek gedaan en dan blijkt maar weer eens hoe verschillend twee wetenschappers de uitkomsten van een en hetzelfde onderzoek kunnen wegen. Jammer aan Nieuw Babylon in aanbouw is ook een beetje dat de beloofde parallel met de 'utopie' van Constant eigenlijk achterwege blijft, of in ieder geval verdwijnt achter andere vergezichten dan in de eerste pagina's werden geschetst.

Maar prikkelend blijft zoals gezegd de nadruk op de rol van de regenten - niet afgeschilderd als de weerbarstige vijanden van alle vernieuwing, en ook niet zoals Annie Romein dacht 'in panische angst om voor oude trutten te worden aangezien', maar als flexibele slimmeriken die al wisten dat de voorstelling niet deugde vóór de jongelui met tomaten begonnen te gooien.

Gesteld voor de keuze tusen Righart en Wigbold, kies ik onherroepelijk voor Kennedy.

Hans Righart: De eindeloze jaren zestig - Geschiedenis van een generatieconflict.

De Arbeiderspers; ¿ 49,90.

ISBN 90 295 3471 0.

James C. Kennedy: Nieuw Babylon in aanbouw - Nederland in de jaren zestig.

Boom; ¿ 45,-.

ISBN 90 5352 228 X.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden