Buig het hoofd voor het gezinnetje Baselitz

Het handige van de catalogus is: die kun je omdraaien. In het museum op je kop gaan staan mag ook, maar zo acrobatisch zijn er niet veel....

Het gedraai dient nergens toe. De schilderijen winnen er niks mee, de reproducties in de catalogus evenmin. Je kunt je nek verrekken of jongleren met het boek, maar Baselitz is en blijft de kunstenaar van het grote andersom. Sinds 1969 volhardt hij in het ondersteboven schilderen van de wereld, niet om haar nog ingewikkelder te maken dan zij al is, maar om zich te bevrijden van die natuurlijke complexiteit. Kunst is cultuur, geen organisme; het schilderij een abstracte constructie, geen spiegel van de werkelijkheid - l'art pour l'art, nietwaar.

En dan tóch naakte mannen en vrouwen, rijk gevederde adelaars, lege flessen, een boom, een heel bomenbos en zelfportretten op het doek zetten; de abstractie verheerlijken, maar koppig vasthouden aan het figuratieve motief. Wat zou je er nog moeilijk over doen, Baselitz kreeg zijn erkenning lang geleden al. Maar hij roept kleine schandalen over zich af en vooroordelen vanzelfsprekend, bij geoefende kunstkijkers evengoed als bij het lekenpubliek. Moeder tegen kind: 'Daar heb je jouw collega.'

En ik dacht: zijn plaats in de kunstgeschiedenis heeft hij veroverd, maar in de erezaal van het Stedelijk kan er inderdaad geen denken zijn aan buigen voor die kwastende kontdraaier en zijn volgeling Rudi Fuchs, de museumdirecteur die ertoe in staat is te beweren: 'In de context van de realistische schilderkunst is een omgekeerde adelaar geen adelaar meer.' De vogel ondersteboven is namelijk 'een schildering', de uitdrukking van 'een zuiver visueel en materieel onderzoek'.

Zijn felle arendsoog, zijn hoekige snavel, zijn flamboyante vleugels en geslepen klauwen - wie die wil bewonderen is niet goed snik. Baselitz schildert de adelaar weliswaar in zijn vorstelijkste gedaante, maar: op de kop. Dus hola, maant Fuchs: 'Een schilderij van Baselitz van een adelaar - zoiets zou ondenkbaar zijn.' Het is om horendol van te worden, die overijverige ontkenning van elke inhoudelijke toespeling. De adelaar zou best het gesneefde symbool van Duitsland kunnen zijn, maar neenee: hij is een vormenspel, verf op doek - meer niet.

Dat spel is arm en moet maar andere supporters zoeken, mokte ik onderweg naar het Stedelijk, een fan ineens van Magritte, die zich tenminste niet van de domme hield toen hij onder een secuur geschilderde pijp schreef: Ceci n'est pas une pipe. Die pijp kon verf op doek zijn en tóch een pijp, eentje die de dubbele bodem van de schilderkunst onthult. De ontkenning van Magritte was tegelijk een bevestiging, een erkenning van het artistieke vermogen de werkelijkheid te benaderen via een omweg - via de smeuïge leugen van verf op doek.

Als Fuchs het goed ziet en Baselitz niets met die leugen op heeft, wat máákt hij dan een dubbele karikatuur: zowel van de figuratie - de adelaar die geen adelaar mag zijn - alsook van de abstractie: de autonome kleuren en vormen die helemaal geen autonome kleuren en vormen zijn, maar gekwaste klauwen en veren. Aldus in de contramine vanwege dat gekonkelefoes, die zinledige omkering van de werkelijkheid, zette ik me schrap op de drempel van het Stedelijk Museum.

En daar werd het me toch licht in het hoofd. Nog geen stap verzet, of de criticus was om. Niet dat het gelijk van de museumdirecteur zich openbaarde, geen sprake van, maar wel de fabuleuze dadendrang van de kunstenaar, Baselitz de latere, die de zware grondtonen van zijn palet heeft geveegd. Over zijn immense doeken blaast een lentebries - luchtig, onstuimig, als een vrijage met de wind, de richting doet er niet meer toe: zijn werk is een ode aan de kunst en het leven, een zorgeloos liefdesspel, zijn linnen een laken zonder hoofd- of voeteneind.

De schilder is een gulle pater familias die zijn vrouw, het hele gezin en zijn gasten dronken voert, ze op de rug van een paardje zet (Wir zu Pferd, 1997) en het vrije veld in jaagt: juichend hoefgetrappel in lila en wit, door de ijle ochtendnevel. Hij neemt het gezelschap mee op een uitstapje naar de rivier (Wir besuchen den Rhein, 1996) en portretteert het met de blozende gezichten van zonnekinderen op vakantie, rozerood en stroblond - behalve de vader zelf, die kalend terzijde zit: terugdeinzend voor het prototypische gezinsgeluk, hier naar onvervalst Arisch model bovendien.

Of toch vervalst, natuurlijk, want omgekeerde propaganda. De kunstenaar is minder blind voor de buitenwereld dan de museumdirecteur die meent dat opgedoekte adelaars geen adelaars zijn. Baselitz doet daar niet zo huichelachtig over. 'Ik doop Duitse archetypes in modder', zei hij onlangs in een interview. Hij moet toen aan zijn vroegere werk hebben gedacht. Het huidige is, af en toe nog venijnig, toch vooral gedrenkt in witte wijn. En het is niet te reproduceren, zo onmatig, stralend en transparant.

In de catalogus, omgeven door de krasse teksten van Fuchs, verliezen de schilderijen hun krans. In het echt maken ze sluimerende sentimenten los, een vertedering die je - bij Baselitz! - niet voor mogelijk had gehouden. Als de 'modderman' een kind schildert, een kleine jongen, streelt hij hem met zijn penseel prinsheerlijk in slaap. Die jongen (Knaben, 1998) met blote voetjes, opgetrokken knieën en dromerige gezicht, ligt niet ondersteboven op het doek: hij zweeft, op de wieken van de wind, los van de zwaartekracht.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden