Brouwers put geen energie uit boosheid

Betekent Kousbroek 'werkelijk iets' als 'filosoof'?..

Die vraag - waarop lezers van Kousbroek een goed beargumenteerd antwoord beslist niet zullen versmaden - is in het laatste nummer van Maatstaf een kolfje naar de hand van Jeroen Brouwers. Zijn antwoord laat aan duidelijkheid niets te wensen over: 'Geen moer. Lucht komma lucht.' En dat is om minstens twee redenen teleurstellend.

In de eerste plaats omdat het antwoord stoelt op de woorden van Kousbroek zèlf, die bij de dood van W. F. Hermans in NRC Handelsblad schreef: 'Het is opmerkelijk dat er na zijn dood meteen rekeningen werden vereffend door een paar bekende schrijvers die om commentaar werd gevraagd. Laat ik er tenminste één bij naam noemen: Harry Mulisch, die een paar groteske neerbuigende zinnetjes ten beste heeft gegeven over Hermans als filosoof. De reden dat dit mij zo trof is dat Hermans als filosoof werkelijk iets heeft betekend en Mulisch niets, nul komma nul.'

In de tweede plaats, omdat Brouwers ons een beschouwing over de filosofie van Kousbroek - sinds vorig jaar eredoctor in dat vak te Groningen - onthoudt en op zíín beurt een rekening met Kousbroek vereffent, de man die hem verweten heeft 'verschrikkelijke leugens' over de kampen (de Japanse kampen in het voormalige Nederlands-Indië) te hebben verteld. De man ook, die na alle polemiek niet alleen Brouwers' uitgestoken hand negeerde, maar hem tevens vroeg diep voor hem in het stof te buigen.

Dat Brouwers kwaad is op Kousbroek laat zich denken, maar waarom hij uit deze boosheid niet de energie heeft geput om zich grondig met de al of niet aanwezige filosofische kwaliteiten van Kousbroeks werk in te laten, begrijp ik niet. Nu is er sprake van een gemiste kans, of moet ik zeggen: van een bepaalde polemische machteloosheid, die maar al te nadrukkelijk spreekt uit Brouwers' beroep op een autoriteit als wijlen W. F. Hermans (die Kousbroek de vriendschap opzegde).

Polemiek of oratio pro domo? Het lijkt wel alsof in Nederland, zowel in de kranten als in de tijdschriften, belangrijke literaire twistpunten ontbreken, een gevolg dunkt mij van het feit dat vele goed betaalde stukjesschrijvers wekelijks om een onderwerp verlegen zitten en dan maar nu eens deze dan weer gene onder vuur nemen. Zulke stukjes zijn vaak niet meer dan een vorm van handig citeren die bedoeld is om het eigen ego - waarop de hele carrière berust - nog verder te vergroten ten koste van anderen, of wat nog meer zegt: ten koste van een zaak waarmee enig literair belang gemoeid is.

In Maatstaf vindt de lezer nog een tweede voorbeeld van dit verschijnsel, het stuk dat Hans van Straten schreef over de 'ontvangst' van zijn Multatuli-biografie. Het is al niet erg elegant, vind ik, als een auteur op zijn critici reageert, maar als zo'n reactie beperkt blijft - zoals in dit geval - tot een bijeengeciteerde 'complottheorie' - met Hugo Brandt Corstius als kwade genius loerend op zijn prooi midden in het web - dan roept de schrijver het gevaar over zich af dat zelfs degenen die bovenmate in Multatuli zijn geïnteresseerd hem niet erg serieus meer nemen.

Gelukkig staan er in Maatstaf ook artikelen die minder tendentieus zijn. Ronald Spoor en Herman Verhaar geven naar aanleiding van Du Perrons 'halfvoltooide' gedicht De grijze dashond een zeer precies gedocumenteerde beschouwing over de relatie tussen Du Perron, de Russische graveur Alexeieff en de roman Adrienne Mesurat van Julien Green, die op het ontstaan van De grijze dashond van invloed is geweest. Solange Leibovici schrijft over de pas in 1986 gevonden roman Paris au XXe siècle (1863) van Jules Verne, waarin het Parijs van onze tijd treffend getypeerd wordt en Vittorio V. Busato doet - met Harry Mulisch' geschriften dienaangaande in de reistas - verslag van zijn bevindingen in Cuba.

Bzzlletin heeft een themanummer over de dadaïst Kurt Schwitters, wiens werk recent in het Parijse Centre Pompidou te zien en te horen was (zoals Kees Fens toen in de Volkskrant beschreef). Gastredacteur is Jan Oegema, die deze maand een nieuwe vertaling van Schwitters' teksten publiceerde. Hij inviteerde voor dit gevarieerde nummer onder anderen Anne Feddema ('Kurt Schwitters in Friesland'), Jacqueline Oskamp (over Schwitters' klankpoëzie), Jaap Blonk, Lucas Hüsgen, August Hans den Boef en Sjoerd van Faassen (over Schwitters en Theo van Doesburg). Arjan Peters interviewde K. Schippers, die in 1974 in zijn Holland Dada liet horen hoe in de jaren twintig vele dadaïstische vruchten neerploften op de kleibodem van de Nederlandse kunst.

De jongste aflevering van het frisse, door De Bezige Bij in Nederland verspreide Dietsche Warande & Belfort viel mij nogal tegen. Niet omdat het themagedeelte over dans gaat (vandaar de titel: De woorden van het lichaam), maar omdat de meeste scribenten het voorspelbare gezwatel over zo'n stille en in elk geval woordloze kunst als die van de 'lichaamstaal' niet hebben weten te vermijden. 'Het is bepaald niet vanzelfsprekend', schrijft Rudi Laermans in 'Lichaamskunst op de rand van theater', 'om thans reeds enkele beschouwingen aan het werk van Meg Stuart te wijden.' Thans, reeds. De ondoorgrondelijkheid van deze en andere beschouwingen ('Spelbederf: de dans na Steve Paxton') wordt sterk bevorderd door een dergelijk plechtstatig, duurdoend taalgebruik, dat zich naar mijn gevoel allerminst laat rijmen met de schoonheid van de moderne dans (die op de bijgeplaatste foto's meer tot haar recht komt).

Willem Kuipers

Maatstaf, 1995, nr. 7, ¿ 22,50; Bzzlletin, oktober 1995, nr. 229, ¿ 12,50;

DWB, 1995, nr. 5, ¿ 16,50.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden