Britse politieke cultuur is in veel opzichten beter dan die van de VS

DAVID BROOKS

In 1920 hield de moeder van Winston Churchill een afscheidsdiner voor de Franse ambassadeur in Groot-Brittannië, Paul Cambon, die na twintig jaar vertrok. Een van de gasten vroeg aan Cambon wat hem tijdens die twee decennia in Londen was opgevallen.

'Ik heb een Engelse revolutie gadegeslagen die diepgaander en grondiger was dan de Franse Revolutie,' antwoordde Cambon. 'De heersende klasse is vrijwel beroofd van zijn politieke macht en voor een groot deel ook van zijn bezit en landgoederen; en dit is vrijwel ongemerkt tot stand gebracht, zonder dat er ook maar iemand het leven bij heeft gelaten.'

In dit antwoord ligt besloten hoe de politiek eigenlijk zou moeten werken. Groot-Brittannië stond voor een enorme taak: om zich te ontwikkelen van een aristocratische, politieke economie naar een economische, industriële. Deze overgang ging geleidelijk, zonder enige opschudding, en beide politieke partijen speelden er een rol in.

Dit kwam niet omdat de politieke leiders zo geniaal waren. Elk van de partijen deed manmoedige pogingen om het grote probleem van het land op te lossen, elk vanuit zijn eigen belangen. De politieke tegenstanders, als het hun beurt was om de macht over te nemen, behielden stilaan het beste van wat de ander had bereikt. Geleidelijk, door constructieve concurrentie, ruziede het land zich voorwaarts.

Het Verenigd Koninkrijk lijkt nu weer in zo'n constructief geruzie aanbeland. Meestal als ik van Washington naar Groot-Brittannië reis, voel ik me alleen maar somberder worden. Maar nu is dat omgekeerd. Het Britse politieke systeem is in de grond doelmatig, en het Amerikaanse niet.

Zoals de Britse politicus Oliver Letwin al zei, heeft een generatie van wanbestuur tussen 1945 en 1979 het Verenigd Koninkrijk met drie enorme problemen opgezadeld: een verstikte industriële economie; een overgecentraliseerde verzorgingsstaat; en een lamgeslagen volk, met mensen die maar niet loskomen uit de armoede. Door de economie te bevrijden, pakte Margaret Thatcher het eerste probleem aan en de daaropvolgende Labour-regeringen hebben voortgebouwd op de vorderingen die zij had gemaakt. Intussen zijn opeenvolgende regeringen bezig geweest met het hervormen van de verzorgingsstaat en het activeren van de massa.

In interviews zijn de leiders van de Conservatieven en Labour van harte bereid elkaar bij het grof vuil te zetten, maar wat een buitenstaander opvalt, is hoezeer hun belangen elkaar juist overlappen. Een aantal regeringen, al vanaf de kabinetten van John Major in de jaren '90, hebben geprobeerd de macht te decentraliseren, te komen met nieuwe manieren om de resultaten van de overheid te meten, de afhankelijkheid van de sociale zekerheid te verminderen en het beleid met betrekking tot jonge kinderen te verbeteren.

Veel van deze programma's zijn mislukt, maar het is wel duidelijk waar het heen moet: van een gecentraliseerde staat uit het industriële tijdperk naar een postindustriële staat met een netwerkstructuur.

De daadkracht hiervan is vooral nu evident. Premier David Cameron is een vaardig politicus die het politieke landschap domineert. Hij berijdt niet alleen de stokpaardjes van zijn partij, maar slaat gelijktijdig allerlei nieuwe wegen in. Zijn versoberingsbeleid bestaat zowel uit belastingverhogingen als bezuinigingen. Hij beschermt met alle macht het budget voor hulp aan het buitenland, maar hij bezuinigt op vrijwel alle andere gebieden. Hij heeft de hervorming van de sociale zekerheid en het onderwijs met harde hand aangepakt en maakt een terugtrekkende beweging in de hervorming van de gezondheidszorg.

Door zijn aandacht evenwichtig te spreiden, door daadkracht te tonen, door aan te dringen op noodzakelijke belastingmaatregelen is hij populair gebleven. Zijn partij heeft het goed gedaan bij recente lokale verkiezingen, ondanks de pijnlijke belastingverhogingen.

Groot-Brittannië kan bogen op een goed functionerende politieke cultuur. Die wordt gedomineerd door mensen die in Londen wonen en elkaar vaak al vanaf de kostschool kennen. Dit maakt die wereld roddelziek en vaak incestueus.

Maar de nadelen wegen niet op tegen de voordelen. De grote kranten bepalen nog steeds de agenda, en niet de radio of de televisie. Waar de typische Amerikaanse politicus op een zeepkist uit volle borst voor eigen parochie staat te preken, staat de typische Britse politicus achter een tafel oog in oog met zijn tegenstanders te discussiëren.

De Britse leiders en politieke smaakmakers kennen hun tegenhangers beter. Ze zullen zich minder snel verdraaiingen van de feiten of blunders kunnen veroorloven. Ze zullen niet zo snel geloven dat de andere partij volkomen slecht is. Ze zullen meer dingen aannemen van allerlei verschillende mensen. Als ze mensen haten, zal die haat zich op een persoon richten en geen aanleiding zijn tot een heilige oorlog.

Het Britse politieke systeem geeft de partij die de meerderheid heeft veel meer macht dan waarvan een partij in de VS ooit zou durven dromen, maar de culturele normen maken het politieke debat minder moralistisch en minder onwrikbaar.

De Britse pers doet ook goed werk door mogelijke corruptie aan de kaak te stellen. De media slaan genadeloos toe bij maar het geringste vermoeden van malversatie. Vorige week nog kreeg een minister het voor zijn kiezen dat hij onhandige opmerkingen had gemaakt over verkrachting. Wij Amerikanen hebben geen enkele reden ons zelfvoldaan of superieur te voelen tegenover de Britse politieke cultuur.

David Brooks is columnist van de New York Times. Terwijl de typische Amerikaanse politicus op een zeepkist voor eigen parochie staat te preken, staat de typische Britse politicus oog in oog met zijn tegenstander te discussiëren.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden