Briljante gelijkhebber met taal als scherpste wapen

Zijn grootste slachtoffer was de criminoloog Wouter Buikhuisen, maar eigenlijk was bijna niemand veilig voor de polemist Hugo Brandt Corstius. In zijn columns hanteerde hij een bondige schrijfstijl en een spottende, eigengereide toon. De wiskundige, taalvirtuoos en systematicus overleed vrijdag op 78-jarige leeftijd.

Eind 1987 hielden de krantenlezers van Nederland - en dat waren er toen nogal wat - even de adem in. Zou Hij Hem Accepteren? Na wat hem drie jaar eerder was overkomen? Zou de schrijver die drie jaar eerder werd geschoffeerd door de regering die weigerde hem een literaire staatsprijs te geven, die besmette prijs nu alsnog accepteren?


Het ging om de Prijs der Prijzen, de P.C. Hooftprijs. Een eminente jury had hem toegewezen. De laureaat was niet zomaar een oude bok die aan de beurt was, maar een van de bekendste, productiefste en meest gevreesde columnisten van de jaren zeventig en tachtig, Hugo Brandt Corstius. Wiskundige, taalkundige, atheïst, republikein en vegetariër. Allesweter en alleskunner. Bestrijder van domheid. Taalknutselaar. Maar ook - menselijk trekje - stotteraar.


Hij kreeg de prijs als essayist, en vooral polemist. Zoals veel polemische talenten was hij begonnen in het studentenblad Propria Cures. Hij ontwikkelde zich tot een briljante gelijkhebber, beroepskwetser en hartstochtelijk hater.


Hugo Brandt Corstius (1935-2014), die vrijdag in Amsterdam overleed, was beter bekend onder zijn vele pseudoniemen, zoals Piet Grijs, Battus, Jan Eter, Victor Baarn, Maaike Helder en Stoker. Onder die en vele andere namen schreef hij zijn geselende stukken in Vrij Nederland (al vanaf 1957; het laatste in 2008), de Volkskrant en NRC Handelsblad. Bij elke naam hoorde een karakter en een type onderwerpen; de pseudoniemen waren eigenlijk heteroniemen, zoals bij de Portugese schrijver Pessoa. Piet Grijs maakte zich vooral boos over cultuur en wetenschap. Stoker bestookte laffe politici, Maaike Helder was een opgeruimde natuur, Jan Eter ruimde plaats in voor de liefde en Drs. G. van Buren was een dame van koninklijken bloede. Battus kreeg maar niet genoeg van de wonderen van de taal.


En dan bestond er ook nog een keurige wetenschapper, professor. dr. H. Brandt Corstius, die alles wist van informatica en computerlinguïstiek. Ook op dat vakgebied publiceerde hij - naast al die honderden stukjes. Hij moet in de jaren zeventig en tachtig hebben beschikt over een onstuitbare werklust en energie.


De schrijver werd nog beroemder dan hij als stukjesschrijver al was, toen hij te gevaarlijk werd geacht voor de P.C. Hooftprijs. Het was een onthutsend moment, in 1984. Nooit eerder was de voordracht van een kandidaat voor deze staatsprijs niet gevolgd. Het werd een enorme mediarel. De voorzitter van de jury, Cornelis Verhoeven, zelf door de columnist voor 'Roomse gluipkop' uitgemaakt, was geen fan van de laureaat, maar had zich manmoedig over zijn gekrenktheid heen gezet. Zo niet het kabinet.


Minister van Cultuur Elco Brinkman (CDA) meende dat Brandt Corstius 'het kwetsen tot instrument had gemaakt'. Hij had zich hogelijk ongepast uitgelaten over ministers. Over Onno Ruding, CDA-minister van Financiën, bijvoorbeeld. Die wilde in 1984 de toestroom naar de bijstand beperken; schandelijk, vond Piet Grijs.


In Vrij Nederland schreef hij: 'Alle technieken die bij de jodenvervolging speelden, zijn nu bij de jacht op de minima te bezichtigen. De joden een ster? De bijstanders een pasje.' Het plan van Ruding om mensen die geen moeite deden om uit de bijstand te raken te korten - nu volstrekt normaal - noemde hij 'de Endlösung': 'De ondankbaren moeten verhongeren. Verhongeren duurt te lang. Vergassen is beter. Ruding is de Eichmann van onze tijd.'


Er zullen voor Brinkman en de zijnen nog wat kwestietjes hebben meegespeeld. In 1981 had Brandt Corstius' vermomming Stoker, die tussen 1979 en 1986 dagelijks op de voorpagina van de Volkskrant de actualiteit fileerde, de D66'er M. Imkamp een racist genoemd. De man had een boek geschreven over bevolkingspolitiek, vandaar. Twee jaar later beledigde Stoker de VVD-ministers Smit-Kroes en Schoo; hoofdredacteur Harry Lockefeer had het stukje niet willen plaatsen en Brandt Corstius dreigde op te stappen. Het werd bijgelegd.


Ook bij Vrij Nederland dreigde hij weleens met opstappen. In dat blad publiceerde immers ook zijn aartsvijandin en collega-columnist Renate Rubinstein. Zij was in zijn ogen vreselijk rechts, en vóór kruisraketten. Daarom noemde hij haar, een Joodse vrouw, 'een antisemiet'. Opvallend hoe snel men elkaar in die jaren bekogelde met termen als 'fascist' of 'antisemiet'.


Het koningshuis was ook een geliefd doelwit. In Vrij Nederland beschreef Jan Eter in 1978 prinses Beatrix en prins Claus als een oersaai setje: 'prinses Leegheid en prins Onbenul. Nee, dan Beatrix' ouders', schreef Eter: 'Zij liet zich met wonderdokters en bezoekers van de planeet Venus in, (...) hij bestal de zaak voor een paar miljoen dollar en liet een spoor van venerische ziekten achter.' De Amsterdamse officier van justitie stelde een onderzoek in wegens majesteitsschennis. Eter werd niet vervolgd.


De krantenkolommen stonden begin 1985 bol van verontwaardiging: de overheid diende zich niet te bemoeien met de inhoud van literatuur! Hier was het vrije woord in het geding. Een columnist mocht bespotten wie hij wilde, óók als het slachtoffer toevallig formeel de uitreikende instantie was. Liever geen P.C. Hooftprijs dan een monddood gemaakte jury. De prijs werd twee jaar niet uitgereikt. Vervolgens werd er een onafhankelijke stichting opgericht, die voortaan zou beslissen over de prijs. Die stichting wilde de toekenning van de P. C. Hooftprijs alleen maar hervatten als hij in 1987 zonder verder beraad naar Brandt Corstius zou gaan.


Het was spannend. Voor een gebaar van columnist Nico Scheepmaker, die geld inzamelde opdat de afgewezene toch een prijs van zijn bewonderaars zou krijgen, had Brandt Corstius bedankt. Uiteindelijk accepteerde hij de prijs in 1987 wel, met een vilein lachje. In zijn dankwoord bezwoer hij dat 'er nooit meer over de P. C. Hooftprijs zal worden gesproken. Nooit meer.'


Gerrit Komrij spaarde in zijn feestrede de politici niet, maar hij relativeerde wél de ernst van de columnist. 'De Eichmann en Goebbels van Hugo Brandt Corstius', zei Komrij, 'hebben net zo weinig met de historische werkelijkheid te maken als het anagram en het acrostichon met de dagelijkse omgangstaal. Ze houden alleen verband met Brandt Corstius' systeembeheer.' Het was maar literatuur, het was maar spel. Het is de vraag of 'Hugo BC' er blij mee was om op zo'n manier onschadelijk te worden gemaakt. Hij meende wat hij schreef; hij wilde wel degelijk het Kwaad bestrijden.


Dat 'systeembeheer' was wel een treffende typering. Brandt Corstius was een bezeten classificeerder. Alles moest worden geteld, geturfd en in vakken geplaatst, gekwadrateerd en gevierendeeld, uiteengereten en opnieuw gegroepeerd. Dol op lijstjes, schemaatjes en patronen. Vandaar ook zijn belangstelling voor rare taalverschijnselen als palindromen (woorden die je van achter naar voren kunt lezen, zoals 'levensnevel' of 'redder') en spiegelwoorden (zoals 'jog' en 'goj'). Hij verzamelde al zijn woordenlijstjes en taalverschijnselen in een zelfgemaakte grammatica, die van het Opperlands, een taal waarin niet de betekenis maar de vorm telt.


Zijn taal was zijn scherpste wapen, hij deed volop mee in de literatuur, maar de bèta in hem was nooit ver weg. Hij hield van exact, of schijnexact. Hij had een scherpe, bondige schrijfstijl, een spottende, eigengereide toon en een eikenhouten manier van redeneren waar geen speld tussen te krijgen leek. Zelden bleek hij gevoelig voor argumenten van de tegenstander. Daarin leek hij op Karel van het Reve, een van zijn helden, maar zijn toon was minder gemoedelijk. Komrij noemde hem in de genoemde rede 'een ijskoude jongleur', Martin van Amerongen typeerde zijn manier van polemiseren als 'gewetenloos'.


Op W.F. Hermans, die andere grote polemist en andere beroemde bèta in onze letteren, leek hij ook. Beiden hadden in eigen ogen onwrikbaar gelijk, beiden vonden de meeste medemensen dommerds. De een was ijzerenheinig rechts, de ander halsstarrig links. Ze hadden beiden een effectieve, botte schrijfstijl en een voorkeur voor flink op de man spelen en beledigen. Beiden hadden een grote bewondering voor de schrijver Multatuli, de eerste 'columnist' in onze literatuur. Geen wonder dat ze juist over die figuur laaiende ruzie kregen. Waar bleef die biografie van Multatuli die 'grijze Piet' zou schrijven?, hoonde Hermans. Brandt Corstius vond dat Hermans in diens boek over Multatuli toonde dat hij niets begreep van de drijfveren van Eduard Douwes Dekker. Beiden gaven geen duimbreed toe; beiden claimden de overwinning. Brandt Corstius bracht het tot naamgever van een bundel essays van Hermans: Malle Hugo (1994). Hoger kun je niet stijgen.


Ook aan een andere naam is die van Brandt Corstius voor altijd verbonden: die van criminoloog Wouter Buikhuisen. Het was een nare affaire. Een effectieve karaktermoord (niet alleen door Brandt Corstius overigens, maar hij liep wel voorop) van een wetenschapper die het bestond onderzoek te willen doen naar biologische kenmerken van misdadigers. Dat was in die tijd, rond 1980, in de ogen van linkse journalisten en wetenschappers volslagen not done. Het was de tijd van de antipsychiatrie; geestesziektes zouden worden veroorzaakt door de maatschappij, door opvoeding, door verrotte structuren, niet door aangeboren afwijkingen. Hersenonderzoek was taboe. Dat Buikhuisen gewerkt had op het ministerie van Justitie, maakte hem extra verdacht.


'Demoniseren', zou dit later heten. Piet Grijs vermoordde Buikhuisen vakkundig in een woedende serie columns, later gebundeld in Buikhuisen, dom én slecht. Hij was een 'verblinde vakidioot', een 'aartsopportunist', een 'domme charlatan', een 'impotente carrièrewetenschapper'. Zijn onderzoek werd vergeleken met de oorlog in Vietnam : 'Zijn napalmbommen zijn kleiner, maar preciezer gericht: midden in de hersenen.'


De publieke opinie keerde zich tegen Buikhuisen. Hij werd bedreigd, vond poep in zijn brievenbus, tijdens zijn oratie werd een rookbom gegooid. Niemand die het opnam voor de wetenschap. Zijn eigen Leidse universiteit liet hem vallen. In 1988 hield Buikhuisen het voor gezien. Hij begon een antiekwinkel. In 2004, toen neurobiologie en breinonderzoek in zwang waren, schreef Theo van Gogh: 'Grijs was even visionair als de Inquisitie die Galilei veroordeelde.' Brandt Corstius is nooit teruggekomen op zijn standpunt over Buikhuisen. Excuses maakte hij niet.


Eind jaren negentig leek de polemische energie een beetje uitgeblust, al bleef Piet Grijs tot 2008 columns schrijven voor Vrij Nederland. Daarnaast gaf hij les aan studenten Nederlands aan de Sorbonne in Parijs. Misschien paste hij niet meer zo goed in de tijd. Zijn tijd, dat waren de jaren zestig, zeventig en tachtig. Toen werden alle vermolmde normen en waarden door zijn generatie, zijn onaantastbare generatie die alle media domineerde, omvergekegeld.


In zijn bespreking van Opperlans! schrijft Kees Fens, een groot bewonderaar, in 2005 in de Volkskrant, hoe de 9-jarige Hugo ooit een encyclopedie ontwierp waarin álles zou staan en overal naar doorverwezen kon worden, op datum. Die encyclopedie zou veel later internet heten, concludeert Fens verbijsterd. Geniaal ventje.


Hugo Brandt Corstius heeft drie kinderen, van wie er zeker twee zijn journalistieke en stilistische talenten erfden. Maar niet zijn venijn, verbeten gelijk en woedende strijdlust. Nu zijn gedroomde internet bestaat heeft iedereen enorm gelijk.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden