Brieven van een geldwolf aan zijn uitgever

De grote schrijver was ook broodschrijver: alle brieven van Couperus, zzp'er avant la lettre. Aanstaande maandag precies 150 jaar geleden werd hij in Den Haag geboren.

Louis Couperus: De correspondentie

****

Bezorgd door H.T.M. van Vliet.


Athenaeum-Polak & Van Gennep; 977 pagina's; euro 59,95.


'Verscheur je als je blieft mijn brieven: ze behoeven later, als ik nog beroemder ben, niet te worden doorgesnuffeld.'


Dit schreef Louis Couperus (1863-1923) in 1913 in een brief vanuit München aan Willem Kloos. Het was niet de eerste keer dat Couperus zoiets vroeg. Als het aan de schrijver had gelegen, was er niets bewaard gebleven. Hij was zelf niet geïnteresseerd in afgehandelde correspondentie en kon zich nauwelijks voorstellen dat anderen dat wel zouden zijn. Daarnaast was hij bang voor indiscretie. Weliswaar schreef Couperus vooral in zijn feuilletons vrijuit over zichzelf, zijn vrienden en zijn echtgenote, Elisabeth Baud. Maar het beeld dat daaruit kon oprijzen was literair bewerkt, door hemzelf gestileerd.


Anders ligt dat met zijn dagelijkse correspondentie van zo'n vijf brieven per dag. Daarin laat de schrijver zich kennen als een tragische poenschepper, als iemand die er niet voor terugdeinsde vriendschap in te zetten teneinde geld los te peuteren. Het beeld van de beminnelijke Couperus met 'zijn gulle, eenvoudige, hartelijke natuur', zoals in de eerste biografie nog werd geschetst, is met het verschijnen van De correspondentie, bezorgd door Couperus-connaisseur H.T.M. van Vliet (1950), definitief aan diggelen.


Van Vliet traceerde 1.400 brieven, geschreven tussen 1883 en 1923. Een aanzienlijk deel omvat de correspondentie tussen Couperus en Lambertus Jacobus Veen, de man die na publicatie van Eline Vere zijn uitgever en vriend werd.


Veen heeft zich ontfermd over de verzameling brieven, postkaarten en kattebelletjes, verstuurd vanuit plaatsen als Den Haag, Nice en Rome. Behalve met zijn uitgever had Couperus contact met enkele schrijvende tijdgenoten, onder wie Henri Borel en Frederik van Eeden. Daarnaast schreef hij een paar keer met Oscar Wilde naar aanleiding van een vertaling.


Soms kwam het tot correspondentie met critici als Lodewijk van Deyssel en Frans Netscher. Of met Van Hall, redactiesecretaris van De Gids, het literaire tijdschrift waarvan Couperus redacteur was. Verder omvat de verzameling brieven van en aan familieleden, vrienden, een enkele fan, vertalers en de firma Scheurleer & Zoonen, de bank waar Couperus zijn financiën had ondergebracht.


Meer dan duizend brieven dus, steevast opgeborgen en bewaard. Ook in andere opzichten blijkt hoe toegewijd L.J. Veen was. Het eerste contact ontstaat rond 1890, wanneer Veen Couperus het aanbod doet Noodlot bij zijn uitgeverij te laten verschijnen. Couperus bedankt beleefd omdat hij bij Elsevier zit. Bijna twee jaar later komt Couperus erop terug: 'Geachte heer, Naar ik mij herinner, deed U mij eens het voorstel mij uit te geven. Mocht U thans genegen zijn twee werken te doen verschijnen, zoo zoû ik gaarne met U in onderhandeling treden.' Veen doet een bod, waarop Couperus meteen reageert: 'Tot mijn spijt kan ik niet in uw voorstel treden. Hooger aanbiedingen weigerde ik reeds.'


Het tekent de verhoudingen van meet af aan. Veen gelooft in het werk van Couperus en schikt dus. Maar met de jaren realiseert Veen zich dat niet elke tekst een commercieel succes zal zijn. Toch blijft hij bereid voorschotten te geven, het honorarium te verhogen en zelfs leningen te verstrekken.


Het gedoe om geld groeit. Met steeds meer handigheid formuleert Couperus wensen over de financiële afwikkeling. Vaak nog voor er een letter op papier staat. Ondertussen is Elisabeth bij Veen ondergebracht als vertaalster en wordt ook over haar honorarium onderhandeld.


Najaar 1883 vertrekt het echtpaar Couperus naar Florence, een paar maanden later zijn ze in Rome. Couperus heeft het er goed, hoewel hij weinig loslaat over de omgeving. Sowieso is de schrijver in zijn correspondentie sterk op de eigen zaak gericht en nauwelijks op de buitenwereld. Anders dan je zou verwachten, met zijn roman Langs lijnen van geleidelijkheid in gedachten, besteedt hij geen woord aan de Italiaanse steden, noch aan het landschap, de keuken of het weer. Ook in de jaren daarna, wanneer Couperus en zijn vrouw langere tijd in plaatsen als Batavia en Nice leven, lees je niet dat ze het naar hun zin hebben.


De periode in Nice omvat de jaren tussen 1901 en 1910. Het is Couperus' productiefste periode. In Villa Jules voltooit hij drie grote romans: De boeken der kleine zielen, Van oude menschen... en De berg van licht. Als een zzp'er avant la lettre bestiert Couperus zijn winkel, en blijft zich beklagen over de opbrengsten. Zijn luxe levensstandaard, met veel personeel, past hij niet aan. Daarop besluit hij de rechten op zijn werk te verkopen aan L.J. Veen, aan wie hij schrijft: '(...) ook al doet het mij leed zoo geheel en al mijn rechten op mijn werken op te geven, ik waardeer je hulp op dit ogenblik, die mij geheel uit de verwarring, die groot was, helpt.'


Daarop slaat Couperus opnieuw aan het rekenen en vraagt fl.4500,- voor nog te voltooien werk. Veen legt uit dat zijn romans niet goed verkopen en dat de bibliotheken ze ook niet meer automatisch afnemen. Bovendien meent Veen dat het publiek de 'zware' romans 'een beetje moe' is. Veen toont de cijfers en laat zien dat hij, Couperus, in elf jaar tijd fl.50.000 heeft getoucheerd, wat verhoudingsgewijs veel is.


Ter vergelijking, collega Cyriel Buysse ontvangt rond diezelfde tijd fl.150,- voor een bundel novellen. Couperus reageert geïrriteerd vanuit zijn villa te Nice: 'Ik heb er ook genoeg van en schei er meê uit. Daar ik geen lust meer heb mijzelve en jou te ruïneeren door boeken, die niet verkocht worden, heb ik de eer je vaarwel te zeggen.' Couperus wil zich op de Franse markt richten, 'met collaboratie van iemand die ik ken, [zal ik] wel minstens hier evenveel verdienen, als in Holland, met die ellendige honoraria, die je me gunt. Et voilà.'


De zaak sleept zich voort in hun correspondentie, vlamt af en toe op en dooft pas definitief wanneer Veen de geldstroom in 1916 stopt. Vanaf dan werkt Couperus in opdracht om verzekerd te zijn van een maandinkomen. Aan zijn reizen is, mede door het uitbreken van WO I, een eind gekomen. Hij vestigt zich in Den Haag , waar hij uitgroeit tot society-schrijver. Als Veen in 1919 overlijdt, laat Couperus, voorzover bekend, niets van zich horen. Vier jaar later schrijft Couperus zelf zijn laatste brief.


De pracht van deze verzameling zit niet in afzonderlijke berichten. Ook niet in de stijl, hoewel het aantal soorten groeten beslist de moeite van het onthouden is. Niet meer dan een enkele keer lees je een zinnetje waar je vrolijk van wordt: 'Van louter nerfjes kon zij niet lopen, de arme doedel.'


Nee, eerder schuilt de esthetiek van deze brieven in de zichtbaarheid van verschillende ontwikkelingen: in de eerste plaats die van opkomst en neergang van de relatie tussen een auteur en zijn uitgever. In de tweede plaats die van een omslag in de wijze waarop de auteur zijn werk benadert. Couperus veranderde van autonoom kunstenaar in broodschrijver, wat hem zeer aan het hart is gegaan.


Zulke processen zijn pijnlijk inherent aan het schrijverschap en tot op de dag van vandaag actueel. De correspondentie legt ze bloot en is daarmee van een even universele als tragische schoonheid.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden