Brekend heimwee naar het onbereikbare: Slauerhoff schiep in een leven als zwerver chaos in de orde

Schrijver of scheepsarts, op zee of aan de wal. Jan Slauerhoff heeft een leven lang getwijfeld. Aan boord verborg hij zijn dichterschap, aan de wal kon hij als arts nauwelijks werk vinden, van zijn schrijven kon hij niet leven....

DE ZEEMAN-DICHTER Jan Slauerhoff overleed op 5 oktober 1936 in het rusthuis Villa Carla in Hilversum. Zijn moeder en zuster, zijn ex-vrouw Darja Collin en zijn vriend Roland Holst hadden afscheid van hem genomen. Hij sliep toen ze vertrokken. Het was een vredig, stil einde. Hij had het anders gedacht - opstandig, heftig, heroïek - en voorspeld:

In Nederland wil ik niet sterven,

En in de natte grond bederven

Waarop men nimmer heeft geleefd.

Dan blijf ik liever hunkrend

zwerven

Dat einde, het werkelijke en het gedroomde, typeert zijn leven. Hij was een twijfelaar en een vertwijfelde. Hij was scheepsarts om den brode en dichter uit roeping; een rusteloze zwerver die het op zee zomin als op de wal kon vinden, die een leven zocht achter de horizon en de onvergetelijke regels schreef:

Alleen in mijn gedichten kan ik

wonen,

Nooit vond ik ergens anders

onderdak.

Om zijn persoon woedden diepe twisten. Slauerhoff spleet vriendenkringen en huwelijken, veroorzaakte heftige vetes en slepende brouilles. Hij was gehaat en werd op afstand gehouden, was tegelijkertijd ook geliefd en bemind. Een onzekere en breekbare man, die eeuwig met zichzelf en zijn gezondheid, zijn ambitie en zijn plannen worstelde, voortdurend werd gekweld door geldzorgen en slepende liefdesperikelen.

Vele generaties later is hij nog altijd het grote voorbeeld van de romantische dichter, vervuld van een brekend heimwee naar het onbereikbare. Zijn werk spreekt eeuwig aan, zoals een ijle schreeuw van een meeuw een diep verlangen naar zee bij een jongen kan blijven oproepen. Hij heeft dat zelf ook ervaren, als kind op Vlieland, en koos, ondanks zijn geteisterd astmatisch gestel, voor het zeegat.

Wim Hazeu heeft de snippers van Slauerhoffs levensverhaal uit de scheepskist van zijn leven opgediept: Slauerhoff - Een biografie, 865 pagina's dik. Hij heeft zijn leven nagevorst, zijn reizen nagereisd, de sporen van zijn liefdes opgepikt, zijn vetes ontrafeld, het patroon van het zwalken uitgelegd. Geen aspect is onbelicht gelaten; opgevist uit briefwisselingen en dagboeken, nagelaten geschriften, herinneringen van vrienden, scheepsmaats en familieleden. Hij heeft het vergrootglas van de vorser over een zwerversleven gelegd. Hij herschikt en detailleert, vindt nieuwe gegevens, details, verfijningen, nuanceert en herweegt.

Slauerhoff heeft zelf heel weinig correspondentie bewaard en andere bronnen bleven dicht. Terborgh sloot bij testament zijn nalatenschap voor vijftig jaar af, Arthur Lehning hield zijn dagboeken gereserveerd voor zijn biografe. De biograaf kreeg van Slauerhoff een slag om de arm mee, de flap van het boek draagt een motto van de schrijver-scheepsarts: 'Elke biografie moet een mengsel zijn van waarheid en verdichting, het kan niet anders. Wie zuivere historie eist, geeft blijk het wezen der historie niet te kennen; de absolute historie bestaat niet, ook niet bij volledige feitenkennis.'

Zijn voorvaderen noemden zich nog Slauroff of Slauraff. Hazeu ziet er een afgeleide in van Slûderaff, wat zoveel betekent als üppig lebender Müssiggänger, de luxueus levende nietsnut. Hij zet nog een stap en brengt die 'eigenschap' in verband met de meisjesnaam van Slauerhoffs moeder, Pronker. Hier gaat zijn Spielerei wat ver bij iemand die, zoals uit zijn verdere leven blijkt, in zijn schrijverschap eeuwig gekweld werd door geldzorgen. Slordig was hij, een nietsnut niet.

Hazeu schreef een dikke pil die dat andere aspect van Slauerhoffs leven eer aan doet. In het leven aan boord van de stoomschepen waarop hij voer, was zijn functie voor de bemanning teruggebracht tot een gemoedelijk 'de pil', zoals een marconist toen ook eenvoudig 'draad' heette.

De biografie loopt dat korte, maar intense leven door, van de jongensjaren in Leeuwarden en op Vlieland naar de studententijd in Amsterdam, de reizen als scheepsarts naar het Verre Oosten, Zuid-Amerika en West-Afrika. Hazeu volgt de koers van Slauerhoffs literaire leven en zeilt met hem mee langs de klippen van zijn, ook talloze, liefdesaffaires. Op welke sterren zijn hart koerste zouden zijn vriendinnen nooit ontwaren (hijzelf evenmin). Slauerhoffs leven is in alle opzichten dat van een zwerver.

Hij was een zoon van een hardwerkend paar, dat met grote inspanning van een behangselpapierwinkeltje een gerenommeerde meubelzaak opbouwde. Vaders politieke sympathie lag bij de SDAP, maar hij sprak er niet openlijk over, moest zich inhouden met het oog op zijn rijke klanten. Het maakte in Slauerhoff direct al een opstandigheid wakker. Hij was een jongen met een zwakke gezondheid, werd door zijn moeder in de watten gelegd en door een zusje bemoederd. Hij dweepte met zeemansverhalen en bracht de zomervakanties bij familie op Vlieland door. Voor zijn biograaf is Vlieland 'waarschijnlijk de enige locatie waarop Slauerhoff zich in diverse fasen van zijn leven heeft thuisgevoeld'. Hij zou er zijn vrienden en vriendinnen mee naartoe nemen en nam er later nog eens waar voor de huisarts op het eiland.

DE BIOGRAFIE peilt de schatplichtigheid die Simon Vestdijk aan het werk van Slauerhoff heeft. Ook Vestdijk zat op die HBS in Leeuwarden, volgde hem naar de universiteit in Amsterdam en als scheepsarts - en trad in zijn sporen als dichter. Waar hij kennelijk zo van schrok dat hij er later afstand van nam in een pinnige ontleding van diens werk: 'Ontdoe een Slauerhoff van zijn demonie, en men ontdekt een geest over welks burgerlijkheid men zich niet genoeg verwonderen kan.'

Op de universiteit, eenmaal vrij van die banden van thuis, stortte Slauerhoff zich in een poëtisch verzet. Hij was slordig en nochalant; zijn kleding en verschijning groezelig, zijn gedrag uitdagend. Hij maakte vrienden en vijanden, een tussenweg was er niet.

Een sleutelfiguur in zijn leven was de Oostenrijkse arts Hans Feriz, eeuwige steun en toeverlaat. Feriz arrangeerde scheepsartscontracten, zorgde, wanneer Slauerhoff aan wal werkloos was, voor een waarnemerschap. Een andere constante was zijn vriendschap met Arthur Lehning en diens vriendin Annie Grimmer, die zich tot een ménage à trois ontwikkelde waarmee Lehning geen moeite had. Zij werd de onbereikbare Larrios uit zijn verhalen. Hij was een ontketend schrijver, maar vooralsnog zonder uitgever en emplooi.

Volgens Slauerhoff bezat Nederland geen 'koloniale en nautische' literatuur. 'De Hollandse literatuur houdt zich liever bezig met binnenwateren, binnenland, binnenkamer, binnengedachten.' Bij zijn eerste aankomst in Batavia was hij doodziek, een longbloeding. Hij had waarschijnlijk toen al tuberculose, maar hield het geheim, bang afgekeurd te worden. Bij de KNSM hoefde hij niet terug te komen.

Schrijver of scheepsarts, op zee of aan de wal. Hij heeft een leven lang getwijfeld. Aan de wal was voor hem als arts geen werk te vinden, van schrijven kon hij niet leven; van de sociale omgang in de grote stad werd hij gek, dorpse kleinzieligheid benauwde hem. Hazeu bestrijdt de mythe dat Slauerhoff geen vriendschappen sloot, die waren er wel degelijk, maar hij citeert Ter Braak: 'Het eene moment kon men Slauerhoff als vriend beschouwen; om het volgende oogenblik verrast te worden door een plotselinge eruptie van onverklaarbare vijandschap.'

ZIJN TWEEDE scheepscontract bij de Java-China-Japan Lijn bracht de grote passie voor China. De reizen waren zwaar, de officieren droegen een revolver. Hij zag de ellende van de koelies op het schip, schreef er Lehning over en noteerde: 'De meeste havens zijn geciviliseerd (en gesyphiliseerd). Een enkele is nog origineel.' Hij vond het magische rijk achter de havensteden onderweg: het onmetelijk China, het rijk van zijn fantasie, en ontdekte het Macao van de Portugese dichter Luís Vaz de Camoës, de drijfveer van Het verboden rijk. Aan boord verborg hij zijn dichterschap. 'Ik ben op een schip en een dichter en een kip, dat is de pest op een schip.' Hij had zich liefst in China willen vestigen.

Hazeu volgde Slauerhoffs leven niet alleen in brieven en dagboeken, maar voerde ook gesprekken met zijn vroegere scheepsmaats. Zij beschouwden hem als een aimabel arts, hij was weinig geïnteresseerd in verwende eerste-klasse passagiers, maar zeer begaan met de bemanning. Hij was aan boord een rare snuiter misschien, maar geliefd.

Met grote regelmaat, in alle opmerkingen die Slauerhoff maakt in brieven en dagboeken, verschijnt het verlangen naar 'de rust van de wijde watervlakte, de blijde zekerheid nu eens nergens tegen aan te stoten, de wieging van het schip die ietwat slaperig maakt. Het land is zo volkomen weggevaagd alsof het nooit bestaan had. De vrede van vóór de schepping is teruggekeerd.'

Van Nederlands-Indië moest hij niets hebben. Hij vond de Hollanders er bekrompen: 'Alle bezitters in Indië en O.-Azië zijn van een stompzinnige arrogantie die doet wenschen dat de russische sikkel eenmaal door deze rotte aren varen zal, dat de russische hamer eenmaal deze meerendeels kale schedels zal verbrijzelen.'

Het veroveren van vrouwen speelde een grote rol in zijn leven. Er ging een onweerstaanbare aantrekkingskracht van hem uit. Hij zwierf van vrouw naar vrouw, zoals hij in zijn studentenleven van kamer naar kamer had gezworven en zijn zeemansleven van haven naar haven. Wanneer hij in Holland was, kreeg hij altijd wel onderdak bij Arthur Lehning en Annie Grimmer, en later bij Du Perron. Of bij zijn moeder, wat voor iemand als hij een hel op aarde moet zijn geweest. Een eigen 'home', klaagde hij eens smartelijk, had hij niet.

Hij probeerde zich in Utrecht te specialiseren in de dermatologie, om zich in het buitenland als havenarts te kunnen vestigen. Hij vond het een vreselijke stad en was het klimaat van de universiteit ontwend. Keer op keer joegen geldzorgen hem weer naar zee, hij maakte reizen naar Zuid-Amerika en West-Afrika en viel her en der, als hij thuis was, voor langere of kortere tijd in voor een huisarts. Hij sloot vriendschap met Du Perron, die hem 'een allersympatiekste kerel', noemde, 'verwaarloosd, verward, spontaan, gevoelig en onverschillig tegelijk, half jongensachtig en half verlopen'. De vriendschap eindigde in een verpletterende vete.

Slauerhoff was uitgesproken slordig, legendarisch slordig zelfs, in zijn handschrift, typeschrift, versvorm, vertelperspectief; in zijn kleding, lichaamsverzorging, omgang en tafelmanieren; in alles. Hij rebelleerde tegen de orde. 'Hij schiep', zegt Hazeu, 'chaos in de orde.' Er was nog iets anders. Volgens zijn biograaf kende hij de zwakte van zijn lichaam, de aard van de kwaal die aan zijn gezondheid vrat. Hij was gehaast, hij had geen tijd.

Hij vond in de danseres Darja Collin zijn grote liefde, die zo lang duurde als een scheepsreis. Hij had een vrouw en een thuis aan de wal gevonden, maar toen hij van zee kwam, was zij te druk met haar studio, of op tournee. Haar werk ging voor, hij moet dat gevoel bij zichzelf herkend hebben. Hun kind werd dood geboren, het fotootje van het dode zoontje zou hij altijd bij zich dragen. Hij ging weer varen, vestigde zich als huisarts in Tanger. Het werd niets. Hij was gaan varen om te kunnen schrijven. In Tanger moest hij van de schrijverij zijn bestaan als arts bekostigen. Hij keerde terug.

Voor Hazeu is Slauerhoff na zijn studie 'de zwerfzieke zoeker die nergens thuiskomt (. . .), de man die 'Chaos behoort en nimmer raakt tot Orde'.' Hij heeft zaken op een rij gezet, de biografie barst van de details en de gegevens. Hazeu is een begenadigd onderzoeker, maar vertellen is iets anders - dat kon Slauerhoff, die weer nimmer tot orde geraakte.

Na zijn overlijden werd in zijn nalatenschap een envelop gevonden met het opschrift: 'Ongeopend verbranden.' Zijn oude liefdesverdriet was er in bewaard. Er zaten twee naaktfoto's in van Darja en een portret van de prins van Wales, waarop Slauerhoff had geschreven: 'Voor vorstengunst heeft zij mij vuil verraden.'

Hij had niet alleen op die lokkende roep van een Waddenmeeuw voor het zeegat gekozen, maar ook voor een dichterschap dat eeuwig is:

Naar een groot koud geluk wil ik ontvlieden,

In een klein zwart schip dat geen land meer bezeilt,

Om, alleen met de golven die niet meer loven en bieden,

Onder de waatren die alom stilte gebieden,

In te gaan tot een dood diep en wild overijld.

Wim Hazeu: Slauerhoff - Een biografie.

De Arbeiderspers, Open Domein, ¿ 99,-.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden