Breedste schouders, lichtste lasten

Multinationals hebben het tot kunst verheven om zo min mogelijk belasting te betalen. Met succes spelen zij staten tegen elkaar uit, met steeds lagere tarieven tot gevolg. 'De sukkels die vastzitten aan een land - het mkb, werknemers, zelfstandigen - betalen de rekening.'

JONATHAN WITTEMAN

'De kunst van belastingen', schertste Jean-Baptiste Colbert (1619-1683), schatkistbewaarder van de Zonnekoning, 'bestaat erin de gans zo te plukken dat je zo veel mogelijk veren, en zo min mogelijk gesis verkrijgt.' Zonder te sissen heeft één type gans deze eeuw alsmaar meer veren moeten laten: de Nederlandse werknemer. Terwijl het Nederlandse bedrijfsleven jaar na jaar minder belasting afdroeg over zijn winst, steeg de per werknemer betaalde loonbelasting.

Veel Nederlanders gruwelden van de gesneuvelde kabinetsplannen voor nivellering via de zorgpremie. Maar langs andere weg is al jaren een herverdeling van rijkdom gaande: van werknemers naar bedrijven. Niet alleen in Nederland, maar wereldwijd daalt de vennootschapsbelasting, oftewel de belasting die ondernemingen betalen over hun winst. Daar staan stijgingen op andere vlakken tegenover, niet zelden voor rekening van de werknemer of consument: loonbelasting, btw, tabaksaccijns, kansspelbelasting, benzine.

Nota bene Jeffrey Sachs - bewonderd en verguisd om zijn economische schoktherapie aan postcommunistisch Oost-Europa bij de overgang naar de vrije markt - waarschuwde vorig jaar in de Financial Times voor de 'wedloop naar de bodem' met de mondiale vennootschapsbelasting. Het gestunt met steeds lagere belastingtarieven voor multinationals zet het 'sociale contract' tussen volk en staat op het spel, schreef Sachs. Terwijl bevolkingen zuchten onder bezuinigingen, dijen de belastingprivileges van het grote bedrijfsleven uit. 'Elke regering probeert kapitaal aan te trekken door de belasting meer te verlagen dan de ander. Multinationals en hun onevenredig rijke eigenaren spelen de regeringen met succes tegen elkaar uit. Het spel is duidelijk, en het werkt voortreffelijk.'

Een van de krachten achter de wedloop naar de bodem is de hoge vlucht die belastingplanning heeft genomen onder multinationals, zegt Rodrigo Fernandez, financieel geograaf bij de Universiteit van Amsterdam en belastingdeskundige bij de Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (Somo). Samen met de grote accountantsbureaus hebben multinationals het tot kunst verheven om dankzij uitgekiend winkelen in 's werelds gunstigste fiscale regimes zo min mogelijk belasting te betalen.

Staten raakten verwikkeld in een concurrentiestrijd om de laagste tarieven te bieden, uit angst dat bedrijven elders hun heil zouden zoeken, met een neerwaartse spiraal tot gevolg. In Nederland daalde het tarief deze eeuw van 35 naar 25 procent, Duitsland ging van 38 naar 29 procent, Griekenland van 32 naar 20 procent. Bekeken over alle OESO-landen was de daling ruim 3 procentpunt in zeven jaar tijd. Deze dalingen vertaalden zich de afgelopen jaren in lagere inkomsten uit de vennootschapsbelasting, blijkt uit onderzoek van de Volkskrant. Tegelijkertijd betaalden Nederlanders meer loonbelasting, maar bijvoorbeeld ook anderhalf keer zo veel btw en accijnzen, twee keer meer rioolheffing en bijna vier keer meer kansspelbelasting.

'In de jaren zeventig en tachtig', zegt Fernandez, 'deden slechts weinig bedrijven actief aan belastingplanning. Maar tijdens de jaren negentig zijn de mogelijkheden daartoe radicaal toegenomen.' Dat had deels te maken met de fusiegolf in het mondiale bedrijfsleven, die begin deze eeuw tot een climax kwam, legt Fernandez uit. Door de fusies steeg het aantal bedrijven dat in meerdere landen tegelijk opereerde.

'Als je gebonden bent aan één land, heb je weinig mogelijkheden om op legale wijze minder belasting te betalen. Zodra bedrijven hun activiteiten uitspreiden over vele landen, kunnen ze schuiven met hun winst- en verliesrekening, en daarmee hun belastingdruk verlagen.' Het resultaat: door de fusiegolf groeide het deel van het wereldinkomen dat verdiend werd door multinationals. En daarmee groeide ook het deel van het wereldinkomen waarvoor gewinkeld kon worden in de gunstige belastingregimes.

Belastingplanning begon als een bescheiden fenomeen, maar is uit de hand gelopen, zegt Fernandez. 'Tegenwoordig kunnen bedrijven het hun aandeelhouders niet meer uitleggen als ze zich niet van dezelfde tactieken bedienen. Want dan ben je slecht bezig voor de aandeelhouders.'

Het fenomeen heeft bovendien de belastingongelijkheid doen toenemen. De meeste mensen - rijke tennissers misschien uitgezonderd, of Quote 500-leden - zijn immers niet in staat om de vruchten te plukken van de belastingconcurrentie tussen staten. 'Het leidt ertoe dat alle sukkels die vastzitten aan de nationale schaal - de werknemer, de mkb'er, de zelfstandige - de rekening moeten betalen', zegt Fernandez.

Een extra probleem met de belastingverlagingen voor bedrijven is dat er geen weg terug is, zegt Fernandez. De vennootschapsbelasting is als een lift die wel naar beneden, maar niet omhoog kan. 'Het tarief verhogen heeft niet zo veel zin. Ze treft misschien de bakker om de hoek, maar niet de multinationals. Die kunnen dankzij hun belastingplanning toch hun eigen tarieven betalen. De instrumenten van de staat om de inkomsten te vergroten zijn dus beperkt.'

En landen beconcurreren elkaar lang niet alleen via de vennootschapsbelasting, maar ook (zoals in het geval van Nederland) via lage royaltybelastingen, deelnemingsvrijstellingen en gunstige afspraken met de Belastingdienst. Zo kwam Starbucks de laatste weken in opspraak voor het ontwijken van de Britse vennootschapsbelasting - ondanks een omzet in het Verenigd Koninkrijk van 1,5 miljard euro in drie jaar tijd - via belastingconstructies in Nederland en Zwitserland.

Voorstanders stellen dat lagere vennootschapsbelastingen bedrijvigheid aantrekken en dus werkgelegenheid scheppen. Ook volgens het ministerie van Financiën is een zo competitief mogelijk belastingstelsel het beste voor de Nederlandse economie. Wel namen alle partijen in de Tweede Kamer, op de PVV na, onlangs een motie aan om belastingontwijking via Nederland aan banden te leggen. De motie kreeg bijval van staatssecretaris Frans Weekers (VVD), die zich dood zei te ergeren aan constructies om belasting te ontwijken, maar wel pal zei te staan voor een 'buitengewoon gunstig fiscaal vestigingsklimaat'.

'In de jaren tachtig was de vennootschapsbelasting in veel landen ook wel erg hoog', zegt Roland Brandsma van accountantskantoor PwC. 'Ook daarop was veel kritiek.' Bepleiters van lagere vennootschapsbelastingen zien in de mondiale neerwaartse trend een correctie op de te hoge belastingtarieven van weleer. Nederland kende begin jaren tachtig een tarief van 48 procent, Duitsland hief tot de jaren negentig zelfs 56 procent.

Aan de andere kant vrezen critici voor een ondermijning van de verzorgingsstaat en groeiende belastingongelijkheid. 'Moderne staten hebben te maken met vier gevechten', zegt Fernandez: 'tussen oud en jong, tussen laag- en hoogopgeleid, tussen stad en platteland en tussen werknemers en bedrijven. Het vierde gevecht, de klassieke strijd tussen arbeid en kapitaal, is er allang, maar de drie andere zijn er de laatste decennia bijgekomen. Kunnen we in zo'n context het probleem erbij hebben dat multinationals minder belasting betalen? De opties voor overheden om aan inkomsten te komen, raken uitgeput. Je kunt de pensioenpremies niet nog veel verder verhogen, je kunt niet eeuwig bezuinigen op sociale voorzieningen. We hebben democratisch afgesproken hoe we de rekening van de verzorgingsstaat betalen. Maar in de praktijk dragen de allerbreedste schouders - de bedrijven - de lichtste lasten.'

Is er een oplossing? Alle EU-staten moeten dezelfde tarieven invoeren voor bedrijven, zegt econoom Pedro Gomes van de University of Essex, die een rapport schreef voor de Europese Centrale Bank over het probleem. 'Individuele oplossingen hebben geen zin. Landen moeten wel meedoen aan de race naar de bodem, anders verliezen ze sowieso. Een gemeenschappelijk beleid is de enige uitweg.'

Een nog betere oplossing, zegt Oxford-econoom Michael Devereux, zou zijn als landen gezamenlijk besloten om bedrijven te belasten op de plek waar hun producten zijn gekocht, niet waar ze zijn gemaakt. Door multinationals als Starbucks belasting te laten betalen naar rato van waar ze hun omzet hebben gemaakt, zegt Devereux, voorkom je dat de consumptie van Engelse koffiedrinkers de Nederlandse schatkist spekt.

EEN KWART MINDER INKOMSTEN IN TIEN JAAR

In Nederland daalde het tarief van de vennootschapsbelasting tussen 2001 en 2011 van 35 naar 25 procent. Dat is hoger dan het Verenigd Koninkrijk, dat zijn tarief in vier jaar tijd verlaagde van 30 naar 24 procent, maar lager dan bijvoorbeeld Duitsland (29,5 procent), België (34 procent) of Amerika (40 procent). Het Europese gemiddelde daalde sinds 2005 van 24 naar 20,5 procent - in Ierland is het tarief bijvoorbeeld slechts 12,5 procent.

Maar wie de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek erop naslaat, ziet dat de werkelijke Nederlandse achteruitgang nog scherper was. Terwijl het Nederlandse bbp tussen 2000 en 2011 steeg van 418- naar 602 miljard euro en het aantal bedrijven in deze periode fors toenam, liepen de overheidsinkomsten uit vennootschapsbelasting met een kwart terug: van 16,7- naar 12,4 miljard euro.

Deels kan dat aan de crisis liggen. Maar ook als percentage van het resultaat vóór belastingen liepen de inkomsten terug: van 33 procent, via 15 procent in 2008 naar 14 procent in 2011. Met andere woorden: de terugval staat los van de hoogte van de winsten.

Met de loonbelasting gebeurde het tegenovergestelde. In 2000 vormde de vennootschapsbelasting nog 4 procent van het bbp, en de loonbelasting net onder de 6 procent. In 2011 bedroeg het deel vennootschapsbelasting nog maar 2 procent, en de loonbelasting bijna 8 procent.

Per Nederlander met inkomen steeg de betaalde loon- en inkomstenbelasting tussen 2000 en 2011, gecorrigeerd voor inflatie, met 44 procent: van 2.607 naar 3.755 euro. Loonbelasting vormde verreweg het grootste deel van dat bedrag. De stijging van 44 procent zou kunnen samenhangen met forse salarisverhogingen. Maar in dezelfde periode stegen de totale lonen van de Nederlanders, gecorrigeerd voor inflatie, met slechts 10,5 procent - een stijging die bijna wegvalt als ook de groei van het aantal werknemers en het aantal gewerkte uren wordt meegerekend.

Wel maakt CBS-hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen de kanttekening dat werknemers tussen 2000 en 2011 slechts marginaal meer sociale premies (AWBZ, AOW en het Algemeen nabestaandenpensioen) hoefden te betalen, terwijl de premies voor werkgevers sneller stegen. Maar ook als de sociale premies worden meegerekend, was in de periode 2000-2011 sprake van een stijging: gecorrigeerd voor de inflatie kwam die neer op 20 procent.

AEX: SBM BETAALT HET MINST, SHELL HET MEEST

En de winnaar is... SBM Offshore uit Schiedam. Van alle AEX-bedrijven betaalde de olie-installatiebouwer de afgelopen vijf jaar mondiaal het minst aan vennootschapsbelasting. Oliebedrijf Shell betaalde juist het meeste belasting over de winst, en dat is al zeker twintig jaar het geval.

De afgelopen twintig jaar zijn de bedrijven die nu in de AEX staan gestaag minder belasting gaan betalen over hun wereldwijde winst. Zonder Shell mee te rekenen - veruit het grootste bedrijf op de Amsterdamse beursgraadmeter - daalde het percentage van een kleine 30 procent in 1992 naar 19 procent vorig jaar. Inclusief Shell kromp de gemiddelde belasting over de winst van 23 procent in 1992 naar 19 procent in 2011. Vanaf 1995 (30,5 procent) is het percentage vrijwel doorlopend gezakt.

SBM Offshore (in de jaren zestig ontstaan door samenvoeging van Nederlandse scheepswerven) laat weten in velerlei landen in Europa, Azië, Afrika en Noord- en Zuid-Amerika te opereren, met evenzoveel belastingregimes. In sommige landen hoeft SBM Offshore geen winstbelasting te betalen, staat in het jaarverslag 2011, zonder te vermelden welke. Ook schreef het bedrijf de afgelopen jaren meermaals rode cijfers, wat de lage vennootschapsbelasting ten dele verklaart.

Ook de vastgoedbedrijven Unibail-Rodamco en Corio behoorden de afgelopen jaren tot de AEX-bedrijven die bij hun wereldwijde activiteiten het minste belasting over de winst betaalden. Dat heeft te maken met hun structuur als zogeheten 'real estate investment trust': ze hoeven zelf weinig of geen vennootschapsbelasting te betalen, maar de winst vloeit door naar de aandeelhouders, die daarover weer wel belasting moeten betalen.

Shell betaalt wel veel vennootschapsbelasting, een gevolg van de vaak hoge belastingen in Afrika en het Midden-Oosten. In Nigeria loopt de winstbelasting voor oliebedrijven op tot 85 procent, in Angola tot 65 procent, terwijl Oman 55 procent rekent.

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden