Brechts opstand krachtig verbeeld

Trommelen doet denken aan een kijkdoos: langzaam schuivende panelen, felle kleuren, een maan, het silhouet van een fabriek.

Het volk mort, opstand dreigt, er wordt gerammeld aan de poorten, getrommeld in de nacht. Bertolt Brecht (1898-1956) noemde zijn tweede toneelstuk uit 1922 eerst Spartakus, naar de Duitse arbeidersopstand van een paar jaar eerder. Onder de definitieve titel Trommelen in de nacht werd het ontvangen als fris en geëngageerd, en betekende zelfs de doorbraak van de jonge schrijver.


Inmiddels is Trommelenin de vergetelheid geraakt, maar regisseur Jetse Batelaan stofte het stuk af en brengt het nu als zijn eerste grotezaalproductie bij het Ro. Het verhaal begint in de huiskamer van een burgerlijke familie: vader heeft geld verdiend aan de Eerste Wereldoorlog maar wil in plaats van wapens nu kinderwagens maken. Zijn beoogd schoonzoon, een niet onbemiddelde opportunist, zou als partner mooi in de zaak passen. Maar zijn dochter dreigt dwars te liggen; zij houdt nog steeds van een soldaat en hoopt op zijn terugkeer.


Dit begin weet Batelaan ijzersterk te ensceneren, vanaf het moment dat de huishoudster van de familie als eerste opkomt, zit je gekluisterd aan zijn beelden. Dit is typisch Batelaan, die bij het Ro naast artistiek directeur Alize Zandwijk opereert en tot nu toe veelal kleinere voorstellingen maakte; verrassende stukken die hun wortels in de mime vinden. De vormgeving (Theun Mosk) van Trommelen doet denken aan een kijkdoos: langzaam schuivende panelen, felle kleuren, een maan, het silhouet van een fabriek, een duistere hemel, deurtjes van bordkarton; en ook het interieur verschuift, waardoor iemand zomaar niet meer aan de verlovingsdis blijkt te zitten, maar ver van haar tafelgenoten. Alle beweging is strak gechoreografeerd.


Even vervreemdend werkt het spel en de uitdossing van de spelers: poppen of maskers in een decor, met houterige mimiek en grimas-gezichten. Hoewel ze een tekst uitspreken die niet helemaal herkenbaar is als van hier, soms zijn er ook (foute) uitspraken en redeneringen te beluisteren die helemaal van deze wereld zijn.


En zo valt in dit eerste deel eigenlijk alles op zijn plaats. Hannah van Lunteren is mooi als de vleugellamme dochter die wacht op haar grote liefde, en Herman Gilis en Sylvia Poorta zijn geweldig als de burgerlijke, schijterige, onbarmhartige ouders die geen compromis te ver gaat. Op de achtergrond dreigen de trommels onder leiding van de Vlaamse percussionist Eric Thielemans.


Maar als de verloren gewaande soldaat (een prima gastrol van Joep van der Geest) terugkeert, verliest de voorstelling aan spanning en zuigkracht. De strakke enscenering is weg, de acteurs staan wat rommelig in de ruimte. De meesten hebben een dubbelrol die minder sterk uitpakt dan de 'eerste'; stemmen zijn vervormd, hetgeen de verstaanbaarheid niet ten goede komt. En wat ze dan te zeggen hebben, klinkt ook veel minder urgent dan ervoor. Het gaat over opstand en woede, betrokkenheid en eigenbelang. We zien een stelletje verschoppelingen en outsiders zoals we die bij het Ro van Zandwijk vaker ontmoeten. Helaas ontberen ze richting en kracht en wekken aldus weinig interesse, terwijl Brechts tekst zo rechttoe rechtaan klinkt als een weinig origineel pamflet. Jammer, het begin is absoluut de moeite waard.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden