Suriname, Bos Langatabiki,18-6-2018
Bob, chauffeur en manusje van alles  uit Brazilie, laat 5 gram goud zien de palm van zijn hand, met een waarde van ongeveer 500 US dollar.

Reportage Goudzoekers in Suriname

Brazilianen gaan op zoek naar goud in Suriname, maar het werk is gevaarlijk en illegaal

Suriname, Bos Langatabiki,18-6-2018 Bob, chauffeur en manusje van alles uit Brazilie, laat 5 gram goud zien de palm van zijn hand, met een waarde van ongeveer 500 US dollar. Beeld Guus Dubbelman

Diep verscholen in het Surinaamse oerbos runt de Braziliaan André Bemassuli zijn eigen goudmijn. Illegaal natuurlijk. Hij heeft er zes landgenoten werken, want Surinamers brengen onrust met zich mee. Van Paramaribo heeft hij niks te vrezen, van gewapende bendes des te meer.

Het is tijd om het magazijn met kogels in het wapen te schuiven. Bob, de chauffeur, is bij Moengo rechtsaf geslagen, het dan nog brede bospad richting Langatabiki op. Anil, vandaag zijn begeleider, weet dat vanaf nu de kans op een overval steeds groter is. Dus is het raadzaam zijn pistool geladen bij de hand te hebben.

De laatste sluierwolken lossen op boven de boomtoppen van het oerbos. Het is nog vroeg, de komende uren heeft de zon vrij spel. Als de eerste regen van de dag gaat vallen, moeten de twee mannen zijn aangekomen in het kamp waar Braziliaanse goudzoekers bezig zijn de Surinaamse bodem om te spitten, op zoek naar goud. Illegaal, zoals dat hier heel vaak gaat.

Bob, die net zomin als Anil vanwege de aard van hun werk met zijn echte naam in de krant wil, is een stevige, 44-jarige Hindoestaanse Surinamer. Hij heeft een mooie, brede kop. Zijn opgeschoren haar is grijs aan de slapen. Hij draagt een camouflageshirt en in beide oren heeft hij ringen van ‘Braziliaans goud’: nep dus; verguld metaal. Maar in het papiertje dat hij openpulkt, zit een heus goudklompje van 12 gram. ‘Toch mooi goed voor zo’n vijfhonderd dollar.’ Het is een deel van zijn salaris.

Al zo’n twintig jaar doet Bob dit werk: het transporteren van allerhande spullen tussen de illegale goudmijnen en de hoofdstad Paramaribo, of het nu om duizenden liters diesel of om een doosje pleisters gaat. Hij zou niet anders willen. ‘Zolang ik het stuur van deze mooie auto nog kan vasthouden,’ zegt hij, terwijl hij de Toyota Hilux, een heel stevige terreinwagen, over een hobbel manoeuvreert, ‘wil ik dit blijven doen. Ik ken iedereen in dit werk, toch? En iedereen kent mij.’

Anil, zijn Hindoestaanse vriend, heeft eigenlijk een heel andere, keurige baan in de stad, maar daarover kan maar het best gezwegen worden. Hij is 32, een beetje verlegen, en veel te zwaar voor zijn leeftijd. Zijn buik is aan een eigen leven begonnen, ver voor de rest van het lichaam uit. Anil heeft zich wel eens vaker laten inhuren als beveiliger. Voor een man uit de stad blijkt hij veel, heel veel van de illegale goudindustrie in het Surinaamse regenwoud af te weten.

Zo nu en dan streelt Anil met zijn rechterhand de kolf van het pistool. Hij houdt het in een open tasje op zijn buik. Bob houdt zijn ogen strak op de verharde zandweg gericht. Hier is het wegdek nog redelijk egaal; straks komen de modderkuilen.

De mijn en de Braziliaanse goudzoekers

De garimpeiros, de goudzoekers uit Brazilië bij de mijn die Bob en Anil vandaag bezoeken, zijn al een jaar of twee in dit gebied actief. De onderhandse ‘concessie’ voor hun werk is afgegeven door een man die zich Rasta noemt, een Surinaamse boslandcreool die inmiddels in het naburige Frans-Guyana woont en die over vele kilometers ‘voorouderlijke grond’ in het bos blijkt te beschikken.

Van de illegale goudopbrengst is 10 procent voor Rasta, 20 procent gaat naar de arbeiders. De rest is voor André Bemassuli, de Braziliaan die de concessie beheert. André is ook de opzichter bij deze mijn. ‘Hij komt maar zelden in de stad’, zegt Bob. ‘Alles wat overblijft, nadat hij iedereen heeft betaald en ook de spullen heeft afgerekend die voor het exploiteren van de mijn nodig zijn, is voor hem.’ André wil niet dat er Surinamers in zijn kamp werken: de criminaliteit, de kans op overvallen, de risico’s zijn dan veel te groot. Bob zelf is op zijn transporttochten tot nu vijf keer overvallen. ‘Telefoon, geld, spullen in de bak: allemaal weg.’ En onlangs nog zijn twee mensen bij een overval vermoord.

De chauffeur slaat linksaf, het smalle pad van rode aarde in dat naar de mijn leidt. Het eerste dat daar te zien is, is een satellietschotel. De zes Braziliaanse mannen en één vrouw die hier werken gebruiken de schotel niet alleen om op tv naar voetbal te kijken, maar ook om een internetverbinding met Brazilië in de lucht te houden.

Claudia

Bij de eetplaats is Claudia, een vrouw met een nette bril, die zó de rol van huishoudster in een Braziliaanse telenovela zou kunnen spelen, druk bezig met een maaltijd van witte rijst, bonen en stukken rundvlees. De botjes zijn voor de twee puppy’s die in het kamp rondscharrelen. André schuift samen met Darci, Raimundo, Cicero, Joãoneto en Gleidison, de vijf arbeiders, aan de houten tafel aan. Bob rust uit in de hangmat. Anil verplaatst het pistool naar een holster aan zijn broeksband.

Garimpeiros uit Brazilie eten hun lunch na een halve dag hard werken in de klei en modder van het oerwoud van Oost-Suriname. Beeld Guus Dubbelman

De 42-jarige opzichter Bemassuli komt uit Belem. Daar had hij een slagerij, totdat zijn broer hem tipte om naar Suriname te komen, want ‘daar kun je goed verdienen’. En inderdaad, maandelijks heeft hij nu naar eigen zeggen ‘zo’n 70 tot 80 gram.’ Goud dus. In geld uitgedrukt komt hij gemiddeld uit op iets meer dan tweeduizend euro per maand.

Gemakkelijk noemt hij het leven hier niet. Met de gevaren van het tropenbos, de vreemde ziekten, de overvallen en het illegale bestaan. ‘Maar voorlopig is het voor mij de moeite waard. Ik zie nu ook geen andere keuze. Maar als ik over een jaar of drie, vier genoeg heb verdiend, wil ik terug naar Brazilië.’

Goudstof en kwik

Vrijwel meteen na het middageten gaan de zes mannen naar de kuil waarin zij momenteel werken. Bob en Anil lopen mee. Het totale goudmijnterrein is een stuk van vele voetbalvelden groot, waar zij de bomen van het oerbos al hebben gekapt en met twee graafmachines diep in de grond hebben gewoeld. Gisteren hebben zij nog een partij grond ‘gewassen’ en de deeltjes goudstof met kwik tot kleine klompjes aaneen gesmolten. Vandaag moet in de kuil bij een nieuwe partij een eerste, grove schifting worden gemaakt. Een krachtige pomp zuigt het zand op en stuwt het door naar een spoelbak. André geeft aanwijzingen aan de mannen, van wie een deel bij de pomp, een ander deel tot bijna borsthoogte in het water staat. Er lijkt van alles fout te gaan, maar de mannen laten geen vloek horen en werken onverstoorbaar door.

Garimpeiros testen de slangen van hoge drukspuiten waarmee ze de grond waar goudstof en klompjes in zitten scheiden van het gesteente dat daaraan vast zit. Beeld Guus Dubbelman

Zo gaat het zeven dagen per week. Ook dankzij Claudia, die altijd weer een nieuwe maaltijd klaar heeft staan; dankzij Cicero en zijn maten, die zich soms even terugtrekken in de hut met apparatuur, om in stilte een sigaret te kunnen roken; en dankzij de bedachtzame André, die via de internettelefoon het laatste nieuws met Brazilië deelt.

Ondergoed aan de waslijn

Het werk mag dan illegaal zijn, de operatie verloopt opvallend professioneel en verzorgd. De slaaptenten hebben spaarlampen. De puppy’s mogen niet in de keuken komen. Zelfs het ondergoed hangt keurig aan een lijn te drogen. En de camouflagekleurige rubberlaarzen van de garimpeiros, met hun zwaar bemodderde zolen, staan op stokken te drogen. Want ook morgen gaat het werk weer verder.

Het is tijd voor Bob en Anil om terug te gaan naar de grote stad, vier uur hobbelen verderop. Een zware donder rolt over de kruinen van het oerwoud. Bob neemt nog wat laatste zaken met André door, spuit snel de zwaarste modder van de zijkanten van zijn Hilux af, controleert het oliepeil en stuurt dan de auto het kamp uit en het smalle bospad op.

Na ongeveer tweehonderd meter blijkt het pad versperd door een boom. Hij is te groot om met de hand aan de kant te schuiven. De twee mannen kijken elkaar aan. Is deze boom omgevallen? Of is hij daar neergelegd door mannen die van plan zijn hen te overvallen? En waar in het donkergroene woud houden die mannen zich dan schuil?

Bob moet in zijn achteruit; terug, en op zoek naar een ander pad. Anil stapt uit, trekt zijn pistool en gaat voor de auto uit.

Meeverdienen aan 'informele' goudwinning: in Suriname worden illegale mijnen geen strobreed in de weg gelegd

Suriname bulkt van het goud. Het edelmetaal is zo belangrijk voor het land dat er een ‘informele’ goudindustrie is ontstaan die geen regels kent. Oerbos wordt gekapt, boscreolen verdreven, natuur vergiftigd met kwik. Het goud splijt Suriname. Want vanuit de ondergrondse economie lopen lijntjes naar machtige personen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.