Braassem en Kaag

Ondanks een lichte griep varen we uit, want, zoals we sinds Augustus weten, is varen noodzakelijk, leven niet...

'And, as the year

Grows lush in juicy stalks, I'll smoothly steer

My little boat, for many quiet hours,

With streams that deepen freshly into bowers.'

John Keats, Endymion

Vijfhonderd hectare water van de Braassemerplas, aan één zijde bezet met tuinderijen te midden waarvan het droeve dorp Roelofarendsveen, bevolkt door potplanters en bloementuchters, van elke charme ontbloot is. Het café De Haven is dicht, zo te zien voor eeuwig. De bebouwing is van eenzelfde zompigheid als de omringende weilanden, ontstaan door het wegschrapen van de turf, die vroeger verbrand werd en nu in geweldige hoeveelheden dient als vulling voor de begoniapotten. Omdat hier niet langer te baggeren valt, worden nu de laatste hoogvenen van Duitsland, en bij ontstentenis daarvan die van Letland meedogenloos leeggeroofd. Gelukkig is het land waar het kind zijn moer verbrandt. Die aan Vondel toegeschreven en raadselachtige uitspraak wordt begrijpelijk voor wie weet dat moer in deze veen betekent.

Zoals de meeste Westnederlandse plassen is ook de Braassem ontstaan door ontvening. Samen met de bloeiende Oostzeehandel was die turfwinning de bron waarvan de Lage Landen niet alleen lager, maar vooral veel rijker werden.

'De betekenis van turf als bron van energie voor ambacht en industrie en als brandstof voor verwarming valt moeilijk te overschatten', schrijft Sietse van der Hoek in zijn turfboek Het Bruine Goud op zijn beurt over van J.W. de Zeeuw, die berekende dat in de Gouden Eeuw per jaar meer dan vijftien miljoen kubieke meter veen werd gebaggerd, goed voor zesduizend miljard (!) kilocalorieën, dat wil zeggen, vier miljoen kcal per hoofd van de bevolking, twee maal zo veel als in 1840 en vele malen meer dan in de omringende landen. Voor mijn gevoel klopt die rekensom niet helemaal: die inwoners leefden natuurlijk niet allemaal een hele eeuw. Maar goed, als voor diezelfde energie brandhout zou moeten worden verstookt, zou een kwart van Nederland continu met bos beplant moeten zijn, waarin dan dertigduizend mensen zouden moeten werken, terwijl het turfwezen met zevenduizend man toe kon. Als daarbij niet het goedkope turfschip, maar paard en wagen het transport tussen veenderij en stad of industrie had moeten verzorgen, dan zouden daar tienduizend paarden en veertigduizend mensen aan hebben moeten werken, tegenover zesduizend turfschippers. Alleen het voedsel van die paarden zou al een miljoen hectaren cultuurgrond hebben vereist. Door de turf konden al die brouwerijen, tegel- en steenbakkerijen, aardewerk- en porseleinfabrieken, meekrap- en chigoreistoven, blekerijen, ververijen, kalkovens, kortom de hele Nederlandse welvaartsindustrie ontstaan, waarop de Gouden Eeuw dreef en waarbij bovendien in tegenstelling tot in de omringende landen voldoende mensen overbleven om de handels- en oorlogsvloten te bemannen. Gelukkig is het land. . . Later kwamen ook de venen van Twente aan de beurt, waar het veen darg werd genoemd, en het baggeren van de derrie vlossen Over bleef dan de kwacht, de uitgeveende grond. Gerard (van het) Reve eert zijn afkomst in het pseudoniem Darger (Turfsteker) Tavehernen, anagram van Veenahrent; niet voor niets bezorgt de uitgeverij Veen schrijvers turven.

Waarmee we het Braassemermeer afronden en langs de Geestmolen van Rijnsaterswoude (op 28 januari 1960 door roedebreuk ontwiekt, doch inmiddels hersteld) terugkomen in de Oude Wetering waar de veerman 'rij niet rond, neem 't pont' uitdraagt. Langs huize Noordhinder, de schulpstuw en de Drecht naar de ringvaart van de Haarlemmermeerpolder, waar we het zandschip Ambitie ontmoeten. Voorbij de brug met de slaperige, waarschijnlijk filosofie studerende brugwachter zijn rechts langs het kanaal vrijwel alle dikke bomen omgezaagd. Een witgekalkt landarbeidershuisje hangt onwaarschijnlijk scheef tegen het dijklichaam. We passeeren de molen de Googer, een grondzeiler uit 1715 (systeem Fauël op beide roeden), waarvan de rietgedekte kap op de grond ligt, naast de noodkreet 'Wij draaien niet van de wind alleen'. De Hanepoel links mag niet bemotorvaren worden, maar met onze vergunning mogen we wel de Ade op, voor de kabelpont langs naar de Klijpoel, weer zo'n rietomzoomd petgat. Langs de oevers staan zwermen kievieten broederlijk naast mantel- en kokmeeuwen: het eierleven komt op gang. Ook bij de hoogbenige grutto's, al in dat schemerroze zomerkleed als van een maagdenblos en minder zeldzaam. Zij zijn de auteurs van het NJN-fluitje, waarmee de leden van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie elkaar tot op de huidige dag herkennen. Die jeugdige bestudeerders der natuur (en je sokken stinken zuur van het. . .) vormden een klein, maar uiteenlopend gezelschap van wie velen het ver geschopt hebben, van Nobelprijswinnaars (de gebroeders Tinbergen) en literator (Willem Frederik Hermans) tot dichter (Dick Hillenius) en stukjesschrijver. Het aardigste aan de Bond was en is wel dat je er op je 21ste als ouwe sok uitgezwiept werd en dat alle leden van 12 tot 21 jaar oud gelijk stemrecht hebben.

Op de oevers weer geteerde kisthouten stulpen, in het riet de loze vissertjes al met hun rijfstok, al met hun strijkstok, al met hun lapzak lonkend naar de loze molenarinnen van de wipmolens, die de polders ooit droogmaalden. Zomerwoonboten met zwemtrappetjes. Over nog een poel, die de illusie biedt dat iets nog is zoals het was en dan op naar Rijpwetering. Daar drijft familie van Joop Zoetemelk een drogisterij. Ooit leende die wielrenner zijn achternaam aan ene Ove Allansson, schrijver van de Zweedse roman De Kaasrijders, die speelt in het Hollands waterland. Voor de couleur locale had de auteur zich kennelijk op de Hollandse sportpagina georiënteerd want naast de verbastering Felop Zoetemelk werden de bijrollen gespeeld door Henk Wery, Jan Jongbloed, Rinus Veen, Daan Lentz en Huub Schrijvers terwijl de hoofdpersoon Jos Vonhof heet.

We drinken koffie in de Vergulde Vos, keren weerom en bereiken door de Diepenhoek de Kagerplassen. Door de Sever naar de Kever langs een beschoeid eilandje met zitbankjes en betontegelde paadjes langs zompige moerasjes met bemoste stronken en ontrollende varens. Via Spijkerboor komen we bij het dorp Kaag. Daar heerst een aparte sfeer. Ooit woonde er de ootmoed en bouwde in 1873 'Uit Liefde Gaven' het hervormde kerkje. Daarna bouwde de familie Lent voor de werkgelegenheid een gruwelijke loods van Rijnmondformaat, die het hele eiland in de schaduw zet. Daarnaast staat een Nicolaas Kroeseboerderij waarin de familie waarschijnlijk zelf woont. Daar bouwt men geen beenhakkertjes. De jachtbouw trekt vreemde kwanten, zoals de cockney knauwende kopers, in een heupwiegend loopje met de Engelsbrakende botenverkoper op weg naar het lunchrestaurant. Het koopgeld lijkt me niet te bestaan Uit Liefde Gaven. Ook stoten we op twee als Koeman opgeborstelde welstandsventjes van wie de moderne ouders alles gedogen.

We zwerven over Dieperpoel en Zweiland, Norremeer, Laeck en 't Joppe, oeroude plasnamen onder een snel bewolkende hemel. De wind steekt op en maakt het guur. Niet voor Paul van Ostaijen: 'Enkel wind te zijn, tomeloos, mateloos, ongebonden / Wind te zijn', maar wel voor mij wiens kaartleesbril beslaat door de meegevoerde regen. Langs de op de zon georiënteerde onder architectuur gerealiseerde watervilla's met eigen haventjes langs de oevers van het Zijl varen we in de richting van Leiden. Dichter bij de stad staat moderne en nu eens niet lelijke woningbouw aan Zijloever en Bootstraat. Onder wat bruggen door komen we bij de gasthaven in de binnenstad: geen havenmeester, wel te rusten.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden