Bowie had muziek en stijl als geen ander door

Bowie-watcher Chris Buur legt uit

Pop is muziek plus stijl - als iemand dat door had, was het David Bowie, zegt Bowie-watcher Chris Buur.

Als je zo'n dag hebt dat je niet helemaal in de pas loopt, hoef je alleen maar naar de video bij David Bowies Boys Keep Swinging (1979) te kijken en je schiet meteen weer in je cool. Oh dat onberispelijke dansje achter de microfoonstandaard. Dat achteloos om het pasvormgemaakte lichaam vallende pak, met dat adellijke clubdasje. Het haar in een romantische kuif, twee jaar zijn tijd vooruit, de blik vriendelijk-ironisch, en alles onder controle. Als vrouw doet hij het ook goed: zijn achtergrondkoortje speelt hij zelf. En dan natuurlijk die denderend lichtvoetige basloop, met dwingende swing - je loopt van dit alles een stuk zelfverzekerder over straat. Zo wil ik zijn.

Boys Keep Swinging vat in 3:18 minuten de hele lol van popmuziek samen: dat het bezit van je kan nemen. Door de muziek, natuurlijk, maar vooral ook door het beeld.

Dit stuk verscheen in maart 2013 in Volkskrant Magazine. Het Victoria and Albert Museum in Londen wijdde toen een groot overzicht aan het stijlicoon.

Een gedachte die je op een proces-verbaal komt te staan van de Leo Blokhuis Politie Voor Authenthieke Muziekbeleving - want het cliché wil natuurlijk dat in pop de essentie het liedje is en niets dan het liedje. De lakmoesproef voor elk goed nummer is volgens de mannen in bedrukte T-shirts dat het overeind blijft in een kale versie met alleen gitaar. Clips kunnen fraai zijn, maar dienen vooral voor marketing en moeten gewantrouwd worden als overbodige franje. 'Puur', 'echt', 'back to basics' en 'Bruce Springsteen' zijn de woorden waar ze hitsig van worden. Een diep protestantse instelling natuurlijk: wel je god vereren, maar zonder die lekkere plaatjes. Vandaar dat die vooral in Nederland en de VS zo vigeert.

Bowie heeft zijn plaats in de eeuwigheid verdiend vanwege het feit dat hij afrekende met deze vrome flauwekul. Bowie vestigde pop definitief als, we zeggen het maar gewoon: Gesammtkunstwerk. Zoals film niet alleen beeld is, maar ook geluid, tekst, acteerprestaties enzovoort, zo is de beste pop een onlosmakelijk samengaan van muziek met smakelijke belettering, fotografie, outfits, slogans, imago, mode, bewegende beelden en sound, de gefabriceerde klankkleur. Pop is, met andere woorden, muziek plus stijl.

Beeld ANP

Natuurlijk is muziek hierbij de noodzakelijke voorwaarde, als die niet goed is, dan houdt het op. Maar met hoe je die brengt maak je het onderscheid. Bowie is, ver voor Madonna, Björk en Gaga, de eerste popheld geweest die dat tot in alle facetten doorhad, en die het stijlgedeelte als eerste tot volle wasdom bracht. Het is zijn stijl die ons zo lang gefascineerd heeft gehouden.

Maar wat maakte zijn stijl zo stijlvol? Een ontleding in zeven onderdelen.

1. Bowie had precies het juiste gezicht

Het is misschien merkwaardig om een uiteenzetting over stijlprestaties te beginnen met iets wat geen prestatie is: gelaatstrekken. Maar in de beeldcultuur is de nulstand van het gezicht van welke ster dan ook een wat onderschatte kwaliteit. Het is immers de mens eigen om heel primair op gezichten te reageren - daar is je hele psyche op ingesteld. Jack Nicholson, om een voorbeeld te noemen, laat ons alleen al door de stand van zijn sardonische wenkbrauwen en geïrriteerd geloken ogen denken dat hij iets satanisch in zijn schild voert. Daar hoeft hij niet eens voor te acteren.

Evenzeer lijkt Bowies gezicht van nature goed toegerust voor wat hij een carrière lang wilde uitdrukken: de totale onvoorspelbaarheid. Het is een mannelijk én vrouwelijk, slank, benig gelaat, wat hem een hint van buitenaardsheid geeft, en iets sierlijks en elegants. Dat laatste wordt verstekt door de scherpe, en daarmee duidelijke trekken: de dunne wenkbrauwen, de schijnbaar door een scheermesje getrokken streepmond. De ogen zijn niet erg open, maar een tikje argwanend, monsterend. Op veel foto's kijkt hij je priemend aan, maar echt terugkijken kan je niet - dat komt door die ongelijke pupillen (en niet, zoals iedereen denkt, verschillend gekleurde irissen), gevolg van een vechtpartijtje op het schoolplein. En dan de tanden, geprononceerd als van een hond die dreigt door zijn bovenlip een millimetertje op te trekken. Kom-maar-optanden. Als Bowie lacht, krijgt hij door al die trekken meteen iets ironisch. Als hij niet lacht iets onderzoekends, afstandelijks en ongrijpbaars. Je ziet het al op een beroemde foto van de 6-jarige Bowie: nog geen sterrenstatus, en toch al every inch het coole kereltje.

Bowie op de cover van zijn album Aladdin Sane. Beeld Chris Duffy

2. Bowie had een uitstekend gevoel voor de juiste coiffure

Niet giechelen. Haardracht is een lastig serieus te nemen stijlattribuut, omdat ook de mislukkingen zo pontificaal op je hoofd zitten. Maar da's tegelijkertijd ook het sterke eraan: juist omdat het de omlijsting is van je gezicht - het gedeelte waar de meeste aandacht van het menselijk oog naartoe gaat - is het hét middel tot coolness. Meerdere Bowiekapsels zijn icoon geworden; knip ze los uit en je herkent ze meteen. Niet lang geleden sierde actrice Tilda Swinton de cover van cultuurblad Another Magazine met onmiskenbaar het haar van Bowie in zijn Berlijn-periode eind jaren zeventig, niet toevallig nu weer hip: achterovergekamd, met opgeschoren slapen. Swinton draagt het ook in de nieuwste Bowie-clip, The Stars Are Out Tonight, bij wijze van hommage.

Actrice Tilda Swinton en David Bowie in de korte film The Stars (Are out Tonight). Beeld AFP

In de eerste jaren van zijn carrière zie je Bowie zijn haar zoeken, in hoog tempo. In 1967 was hij mod; nog geen twee jaar later droeg hij hippierockerskrullen. In 1970 groeide dat uit tot meisjeshaar, een jaar later geperfectioneerd tot Hollywoodsterrenglamour, type Marlene Dietrich.

En toen kwam zijn grote doorbraak. Die - het is goed vol te houden - begon met een kapsel.

Bowie bedacht The Rise and Fall of Ziggy Stardust and the Spiders from Mars (1972) als een conceptalbum, als een verhaal over een buitenaards wezen dat in de gedaante van een rockster op een verdoemde aarde uitgroeit tot een messias. Ziggy was de eerste van een reeks personages die Bowie in de jaren zeventig zou aannemen, en meteen ook de meest legendarische - al is het verhaal dat Bowie rond Ziggy vertelde, als je streng bent, van een nogal gammele en-toen-en-toenkwaliteit. De echte gouden greep was Ziggy's haar. Herkenbaar van drie kilometer afstand, want bijna karmijnrood, en zeker in die tijd zeer ongebruikelijk van vorm: kort van boven, lang van achter. Rebels, bovendien, door dat piekerige. En net zo goed mannelijk als vrouwelijk, gebaseerd op modeshoots in toen vooruitstrevende damesbladen als Vogue en Harper's Bazaar. Misschien is het nu moeilijk kijken naar het Ziggy-haar - het matje heeft een onomkeerbaar slechte naam gekregen tijdens de jaren tachtig en door de New Kids uit Maaskantje. Maar toen was hij onverbiddelijk hip. En, vooral: in slechts een paar kubieke decimeters de hele verzinnebeelding van een nieuw tijdperk: niet meer dat zijige zoeken naar wie je echt bent van de jaren zestig (in Bowies woorden: 'You know, all that integrity shit'), maar exuberant en ongegeneerd zijn wie je wílt zijn, man, vrouw, hetero, homo, buitenaards wezen.

3. Kleding is voor Bowie gemaakt

Bowie kreeg er ernstig lol in, te spelen met identiteiten, en ook met zijn kleding ging hij vol op het orgel. Vóór Ziggy besteedde hij zijn eerste gages al aan een mannenjurk van de Londense sixtiesontwerper Mr. Fish, te zien op de hoes van The Man Who Sold the World. Een uitverkoopje, net als zijn eerste stuk van de Japanse avantgardist Kansai Yamamoto. Yamamoto maakte unisexgewaden die zich weinig van de lichaamsvormen aantrokken; ergens tussen een museale seventiessculptuur en een intergalactisch verkeersbord. Je kon er half in verdwijnen. Gedragen door Bowie werden ze de aftrap en het hoogtepunt van de glamrock een popstroming die totale transformatie predikte, heerlijke overdrijving, glitters, make-up en hoogtevreesopwekkende plateauzolen. Een schitterende mix van vrolijkheid en agressie, van Top of the Pops-fähige plastic kinderlijkheid en kwaaiige flirts met seksualiteit, met name homoseksualiteit, dé manier om te shockeren en te laten zien dat je je niks aantrok van saaie, vooropgelegde patronen. Bowie stortte zich op het podium in een fellatio-act met zijn gitarist en verklaarde in een beroemd interview in 1972 homo te zijn en altijd te zijn geweest. Het resultaat: met glamrock werd homoseksualiteit ineens dodelijk hip (daarvoor en daarna zelden vertoond in de popgeschiedenis), met als hilarisch gevolg dat ook hetero-rockacts (The Sweet!) door hun marketingafdelingen gedwongen werden föhn en lipstick ter hand te nemen.

Chris Buur: 'Kleding lijkt voor Bowie gemaakt' Beeld AP

Beetje puberaal was het natuurlijk wel. Boeiender was Bowie wanneer hij zich net wat meer aantrok van de beperkingen van de klassieken. Bowie in een pak: overweldigender manifestaties van stijl zijn er zelden geweest in de popgeschiedenis. Wat hielp was uiteraard zijn extreem slanke postuur, waardoor alle naden precies vielen zoals ze moesten vallen. Maar het opmerkelijkste is zijn unverfrohren smaak. Bowie in het mosterdgele pak (1975) van een van zijn favoriete ontwerpers, Freddie Burretti, daar kan je eindeloos naar kijken. Het valt klassiek afgekleed, maar binnen de strakke lijnen is bijna elk detail ongebruikelijk, de naden sierlijk krullend, het jasje kort, de schouders puntig, de manchetten iets uitlopend, en in totaal een meesterwerkje van elegantie. Helemaal als Bowie erin zit, met precies de juiste nonchalance hangend op een stoel.

En vanaf daar gaat het een tijd alleen maar opwaarts: in de film The Man Who Fell to Earth (1976, Nicholas Roeg), waarin Bowie min of meer als zichzelf gecast is (nou ja: een alien van een dorre planeet die op zoek gaat naar een fortuin op aarde) wandelt hij met ijzige flair in Fred Astaire-esque glamoursuits, met grote hoeden, sierlijk en ongenaakbaar.

Dat ongenaakbare heeft zeker ook te maken met het volgende:

De Ziggy Stardust jumpsuit, ontworpen door Freddie Burretti. Beeld AFP
Outfit ontworpen door Kansai Yamamoto voor Aladdin Sane-tour in 1973 Beeld Masayoshi Sukia

4. Bowie kent zijn rockposes

Bowie met één hand aan een microfoonstandaard. Bowie met een bungelende peuk tussen de lippen. Bowie met een expressionistisch handgebaar op de hoes van Heroes. De poppose is een freeze frame van coolheid, van zo moet je eruit zien, van de beste shots uit America's Next Top Model. Bowie begreep het, en had het in de vingers.

Cover van Bowies album Heroes.

5. Bowie snapt tekst

Ook popteksten zijn poses, in zekere zin; het gaat er vooral om dat het lekker klinkt, dat het een goeie slogan is, dat je hem op een T-shirt kan zetten en dat je er je eigen invulling aan kan geven. Zeker bij Bowie, die sinds een ontmoeting met beatschrijver William S. Burroughs gebruik ging maken van diens cut-up-techniek, waarin bestaande teksten door elkaar worden gehusseld en je met het associatieve resultaat daarvan aan de slag gaat. 'Do you remember a guy that's been/in such an early song'? 'Pictures of Jap girls in synthesis'? Snapt u het? Beide frases komen uit Ashes to Ashes (1980), en het grappige is: toch komt krachtig over dat dit een nummer is over de worsteling met verslaving. Als je dat er in wil horen.

Of dan het lekkere Boys Keep Swinging (1979); alleen de titel klinkt al fantastisch, en is, heel Bowie, erg dubbelzinnig: jongens gaan lekker, jongens ruilen meisjes uit, jongens twijfelen tussen het ene geslacht en het andere. Het nummer is een ironische lofzang op het jongen-zijn ('Als je een jongen bent/kun je een eigen huis kopen/rijles nemen en dergelijke' - waarbij ik dat learn to drive and everything onweerstaanbaar geestig vind) die in zijn precies geformuleerde vaagheid uitnodigt tot tal van interpretaties. En de meisjes dan? En zijn dit echt wel zulke voordelen? En wiens mening horen we hier eigenlijk?

6. Bowie snapt geluid

Ook de muziek heeft een stijlcomponent: de sound. Los van compositie en melodie excelleren popnummers in hoe ze 'klinken' - de som van instrumentencombinaties, hoe ze worden opgenomen en wat hun verhouding is in de mix. Beatles, Phil Spector en de Beach Boys gingen hierin in de jaren zestig al op los, maar ook Bowie besteedde er veel aandacht aan, en schoot een paar keer achter elkaar precies raak met een geluid dat veel invloed zou hebben. Zijn 'plastic soul', zoals hij dat zelf noemde, van het album Young Americans (1975) combineerde de glijerigheid van de seventiessoul met extreem strakke, geometrische ritmes - en eurodisco was geboren. Een mix van warm en koud, instant smakelijk als ijs met warme kersensaus, die hij weer op een heel andere manier toepaste in zijn 'Berlijnse periode', de drie albums Low, Heroes en Lodger die hij opnam terwijl hij met vriend Iggy Pop in Berlijn eind jaren zeventig van een cocaïneverslaving probeerde af te komen. IJzige synthesizerklanken en intimiderend vervormde drumpartijen overgoot hij met zijn emotionele uithalen, en het resultaat klinkt kil en eenzaam, warm en hoopvol tegelijkertijd. Het geluid van aangenaam zwelgen in somberte - helemaal het geluid van het hoogtepunt van de Koude Oorlog, van de doemdenkende Zeitgeist. Nog tot diep in de jaren tachtig wilden bands zo klinken als die drie albums.

7. Bowie bracht de videoclip een flinke stap verder

Zoals dat gaat in het televisietijdperk begint de herinnering aan veel popmuziek met een beeld. Dat van mij is in Bowies geval gehuld in geheimzinnigheid, zoals de beste herinneringen dat zijn - drie robotachtige figuurtjes op een helverlicht strand, drentelend rond een oranje gebouwtje, op de klanken van Sound and Vision (in Nederland een hit in 1977). Beetje droom, beetje nachtmerrie, als een ijzig toekomstvisioen. Maar herinner ik me dit wel juist? Op YouTube is de clip nergens te vinden, noch bij het instituut voor Beeld en Geluid, noch in het TopPoparchief, en als ik vrienden of kenners er naar vraag, weten ze van niks. En de naslagwerken vertellen dat Bowie bij Sound and Vision nooit een promo heeft uitgebracht. Mysterieus, nietwaar. Wat heb ik dan gezien?

Voor een artiest die zich zo extreem bewust was van de visuele component van wat hij deed is het televisiemateriaal van Bowie opvallend standaard; veel optreden-achtige promo's zonder veel visuele effectenmakerij zoals die in die jaren opgang deed. Cool, dat wel, maar geheel vertrouwend op.

Bowies persona: decortje, of setje, microfoon, en playbacken maar.

Pas in 1980 investeert hij echt flink in een clip, wanneer samen met de Britse televisie- en reclameregisseur David Mallet Ashes to Ashes maakt. Maar het filmpje wordt wel meteen gezien als de eerste echt moderne videoclip: associatief, veel beeldtrucage, extreem gestileerd, cinematografisch opgenomen in wilde sets en decors, en op locatie. Een Pierrot (Bowie zelf), kerkelijke figuren (hevig opgemaakte jongens en meisjes die hij had gerekruteerd uit de ultrahippe Londense Blitz-club), een neonroze strand, een halfdode astronaut, bulldozers, lichtflitsen - Ashes to Ashes is van het soort surrealisme for the millions waar de videoclip nog jaren om gehaat zou worden, en toch is het een fantastisch kunstfilmpje dat nog fier overeind blijft in sfeer en impact.

Tekst gaat door onder het filmpje

Helemaal niet erg: popmuziek deelt met mode dat het een viering is van het tijdelijke en voorbijgaande, een eeuwig proces van nieuwe dingen ontdekken en herontdekken, als een goudvis steeds weer enthousiast raken over alweer een nieuwe wending. Dat houdt lang niet iedereen eeuwig vol, als kunstenaar.

Het verschil tussen de vroegere en de latere Bowie laat mooi zien dat het de opwinding is die in popmuziek het verschil maakt. Bowies gevoel voor smaak en timing was tien jaar lang verbijsterend goed, ongeëvenaard, en schoolmakend. Dat samengaan van het juist gevoel voor de juiste sound en voor het juiste beeld op de juiste plaats en in de juiste tijd. Dat al je volgers het idee hebben: aha, dus díé kant gaan we op. Hipheid als kunstvorm.

En dat allemaal samenkomend in één persoon, die een heel universum om zich heen heeft weten te spinnen, van klank en beeld. De robotjes die ik me herinner uit Sound and Vision moeten denk ik, na lang onderzoek, afkomstig zijn geweest uit de flashbackscènes uit de voor Bowie geschreven film The Man Who Fell to Earth, waarin de alien zich het woestijnbestaan op zijnverre planeet herinnert. Niet gemaakt voor de single, gewoon bij elkaar gemonteerd door het toenmalige tv-programma TopPop, maar honderd procent onderdeel van het Bowie-universum.

Waarvan de muziek, overigens, in veel gevallen ook uitstekend overeind blijft in een versie met alleen gitaar.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.