Bouwmeester van het volle leven

Architect Piet Blom werd beroemd door zijn kubuswoningen, maar zag veel van zijn plannen stranden. Een door bewonderaars samengesteld boek illustreert hoe jammer dat is....

Er komt in Amsterdam een brug over het IJ, voor voetgangers en fietsers. Waar die de noordoever raakt, verrijst een levendige, dichtbebouwde buurt: een tweede stadshart. Negen torens pronken er; en ook in lagere gebouwen wordt gewoond en gewerkt, tussen pleinen vol terrasjes en plantsoenen.

De stadsdeelraad is enthousiast. Dan komt de tegenvaller: het centrale stadsbestuur wil er niets van weten. Het plan van Piet Blom (1934-1999), uit 1988, verdwijnt voorgoed van tafel. Het treft daarmee hetzelfde lot als vele plannen van deze architect, die toch bleef doen wat hij het liefste deed: uitbundige alternatieven bedenken voor de saaie Nederlandse woningbouw. Met zijn ideeën voor compacte stadswijken, waar wordt ‘gewoond, gewerkt en liefgehad’ was hij zijn tijd vooruit.

Soms is hij een eind gekomen. Zoals bij de Spaansekade in Rotterdam. Grote gebouwen zijn hier dooreen geweven, met terrasjes langs de kade. Als enige nieuwe buurt in Rotterdam is de vooroorlogse sfeer hier teruggekomen. Een enorme prestatie. Nu de tragiek: het plan is nauwelijks bekend. Piet Bloms naam wordt meestal alleen verbonden met een klein deel van ditzelfde plan: de kubuswoningen over de Blaak. Nog erger: iedereen kent alleen hun vorm, terwijl de ruimtelijkheid van de woningen, en het stedenbouwkundig inzicht dat er aan ten grondslag ligt, slechts door weinigen worden gezien. Dat geldt voor architecten en anderen: ze loven óf verafschuwen Blom om uiterlijkheden.

Een boek dat deze week verschijnt, kan daar verandering in brengen. Het ontstond op een manier die past bij een buitenbeentje onder de architecten. Het was een bewoner van de door Blom ontworpen Gesloten Stad in Amersfoort die de eerste ingeving had: fotograaf Dirk Verwoerd. Deze fluisterde dat in bij zijn vriend Jaap Hengeveld, een communicatieadviseur die eerder boeken schreef en uitgaf over Circus Renz en het Geldmuseum. Hengeveld raakte gefascineerd door Blom en won de steun van Abel Blom, zoon van Piet en ook zelf architect. Dit driemanschap heeft vervolgens, jaren lang, alles uit de kast gehaald om het in vakkringen vaak miskende werk van Blom alsnog te publiceren. Eenenveertig plannen worden getoond, met grote, kleurrijke tekeningen van de meester zelf. Hengeveld beschrijft sec wat wel en niet is uitgevoerd en hoe dat ging. Mooie foto’s van Verwoerd tonen wat is gebouwd.

Piet Blom was de zoon van een groenteboer in de Amsterdamse Jordaan en bracht met zijn bakfiets aardappelen rond. Dat vertelde hij graag, met twinkelende ogen, alsof de bron van zijn passie dáár lag: in die dichtbevolkte buurt waar, zoals hij zelf zei, ‘de zwartigheid en de verdrietigheid de basis vormden voor de gein’.

Natuurlijk was er meer. Als kind kreeg hij orgelles en al vroeg werd ontdekt dat hij prachtig kon tekenen: hij wilde schilder, musicus of beeldhouwer worden. Het werd degelijker: de ambachtschool, een opleiding tot timmerman. Via de mts, hts en Academie voor Bouwkunst Amsterdam werd hij bouwmeester. Met zijn ongepolijste enthousiasme en fantasie wijdde hij zich aan ruimtelijke composities, en al vlug viel hij op door zijn ‘groot gevoel voor proportie en maat’.

Sommige docenten hadden reserves bij zijn wilde plannen. Maar Aldo van Eyck, die toen lesgaf op de Academie, zag de kwaliteit. Hij stelde zelfs dat Blom een nieuwe discipline had uitgevonden, een die architectuur en stedenbouw herenigt. Blom bevestigde dat met zijn afstudeerproject. Hierin liet hij zien hoe zo’n vijftienduizend mensen (het ideale aantal voor een leefgemeenschap, had hij uitgezocht: ‘steden worden als dorpen bewoond’) ook anders dan gebruikelijk bijeen kunnen wonen.

Een maquette verduidelijkt zijn ontwerpprincipe. Blom heeft er alle vertrouwen in en doopt het ‘de Ark van Noach’: een redding uit die rationele stedenbouw. Van Eyck vindt het prachtig en neemt de maquette mee naar Team X; een groep internationale geestverwanten die zich evenzeer keert tegen de moderne stedenbouw. Maar juist die vakgenoten snappen niets van Blom. Ze vallen over de vorm van de maquette, en zien niet wat Blom hiermee verbeeldt: een vrij invulbaar kader waarbinnen het leven alle ruimte krijgt.

Dat voorval brengt Blom zo tot wanhoop dat hij de maquette aan gruzelementen gooit. Het vervreemdt hem van Van Eyck, en van zijn meeste vakgenoten. Al volgt er drie jaar later, in 1962, een revanche. Met een ontwerp voor een vakantiedorp voor wezen (het ‘Pestalozzidorp’ bij Amerongen) wint hij de deftige Prix de Rome.

Dankzij die prijs krijgt Blom meteen een opdracht: het verbouwen van een boerderij tot tijdelijke mensa voor de nieuwe Technische Hogeschool in Twente. Dit dankt hij aan architect Wim van Tijen, een libertijnse modernist die de veelbelovende jongeman een risicovrij werkje gunt. Blom grijpt die kans. Hij betrekt met zijn gezin een koetshuis in de buurt, en is zelf aannemer en uitvoerder. Het resultaat verrast vriend en vijand. Alles lijkt nieuw – en toch staat daar in hoofdlijnen nog diezelfde boerderij. Onder het oude pannendak is het een ruimtelijk feest, met trappen, tussenverdiepingen, dakramen, vides. ‘En functioneel zeer bruikbaar’, erkent Van Tijen.

Dit bouwwerk brengt Blom roem, zelfs internationaal. Dan brengt een vervolgopdracht een duisterder kant van zijn gedrevenheid aan het licht. Hij had gehoopt de hele campus te mogen ontwerpen, en voelt zich met de opdracht voor een nieuwe mensa afgescheept. Balorig ontwerpt hij een gesloten burcht. Deze ‘Bastille’ oogst voornamelijk kritiek. Toch moet Blom er, al doende, plezier in hebben gekregen. Want volgens Hengeveld wordt deze ‘kakofonie van kleine en grote ruimtes, een theatertje, een speakerscorner, een dancing, een café etc.’ tegenwoordig zeer gewaardeerd, vooral door zijn gebruikers.

De Prix de Rome biedt Blom nóg een kans: met het prijzengeld kan hij op eigen houtje aan zijn echte missie werken. Hij maakt nu een uitvoerbaar plan: een wijk waarin verschillende woningentypen, werk- en woonruimten zijn vervlochten; iets wat dan, in 1965, baanbrekend is. Doordat de woningen op pilaren staan, is daaronder ruimte voor een druk straatleven. Boven kan riant worden geleefd, met alle ruimte voor ‘bloemetjes buiten, een duiventil, een kamer erbij, de zon en regen’. Blom geeft dit plan een naam die ook op latere projecten toepasbaar is: ‘Wonen als een stedelijk dak’.

Eind jaren zestig krijgt hij het tij mee. Minister Schut van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt subsidie beschikbaar voor experimentele woningbouw die ‘de eentonige naoorlogse stedenbouw doorbreekt’. Bloms ‘Wonen als een stedelijk dak’ wordt begin jaren zeventig in Hengelo gerealiseerd. Het resultaat viel hem zelf nogal tegen. Zijn ontwerp verrijst dan ook in een buitenwijk, niet in de binnenstad waar het zou horen. Al blijkt ook deze wijk nu, ruim dertig jaar later, alsnog bewoond te worden volgens de oorspronkelijke bedoeling: er zijn winkels op de begane grond en de bewoners vormen een gemeenschap. Het aantal woningen, eerst 124, is uitgebreid tot 184. De wijk is dichter bebouwd dan de Jordaan, en biedt toch meer bewegingsvrijheid.

Na deze ‘Kasbah’ in Hengelo weet Blom zijn principes in nog uitbundiger vorm in praktijk te brengen. Eerst in Helmond, waar hij, wederom financieel gesteund door Schut, de kubuswoning uitvindt. Bloms inspiratie zijn de bossen in de Peel; hier ziet hij voor zich hoe mensen zouden kunnen leven in de ruimtelijke opzet van een bomenwoud. Zijn ontwerp is ongekend: alle leefruimten van een woning zijn gesitueerd in een kubus die op één punt staat, degelijk vastgezet op een brede kolom met berging, trap en toegangsdeur.

Dit ontwerp is evenwel zelfs Schut te dol: hij dwingt een proefproject af van slechts drie bomen. Als Blom toch een groter ensemble kubuswoningen in Helmond kan bouwen, worden er van de geplande 188 uiteindelijk slechts 18 gerealiseerd, in combinatie met theater ‘Het Speelhuis’. Daarna is Rotterdam de enige stad waar hij nog kubuswoningen neerzet.

Sneu voor Blom, al laten zijn vele plannen overtuigend zien dat hij niet vastzit aan één vormentaal. Zo maakt hij voor de Haarlemse Ripperdakazerne een plan (1994) waar bejaardenappartementen en gezinswoningen worden ineengevlochten tot een rijk ensemble, waaraan hij op eigen risico een luxueus woongebouw met wintertuinen en zes hofjes toevoegt.

Voor Valkenburg ontwerpt hij een promenade langs de Geul, waardoor deze rivier weer het hart wordt van de stad (met Hans van Eijk, 1993). Ook Rotterdam wil hij nog één keer iets moois geven, als reactie op het verdwijnen van het IJzeren Gordijn. Hij tekent ‘Perestrojka’: een Russisch paleis met uienkoepels bij het Hofplein (1986-’89): een verwijzing ‘naar de verten waarmee Rotterdams haven en handel voortaan direct zijn verbonden’, en dat dan vol betaalbare woningen voor gewone mensen. Tegelijk is dit gebouw bedoeld als bijdrage aan het Rotterdamse stadshart, waarin Blom de nieuwbouw almaar killer vindt.

Vrijwel alle plannen stranden. Blom stuit vanaf eind jaren tachtig op muren van onbegrip. Dat lijkt gek, want de tijd is rijp voor al die kwesties die hij al zo lang bepleit: compacte stadswijken, geen onderscheid tussen wonen en werk, vrijheid voor bewoners om hun huizen en buurten mee te bepalen. Vroeger was hij te visionair, nu valt men over zijn vormentaal, die niet eigentijds genoeg wordt gevonden. Dat raakt hem diep, omdat hij niet wezenlijk hecht aan uiterlijke vormen – al leeft hij zich er graag in uit.

De jaren negentig brengen toch nog twee belangrijke gebouwen. Allereerst het ‘Russisch Paleisje’ (1993) in Amersfoort. Zelf zei hij dat hij dit ontwierp als dank aan twee vrienden die hem door moeilijke jaren sleepten: Herman de Waal en diens vrouw Yenna Prusha. Het gebouw is een toonbeeld van levenslustige ruimtekunst. Binnen een simpele hoofdvorm van tien bij tien meter spiraalt de ruimte als een slakkenhuis rond een vide; via trappen en verspringende vloeren zijn alle vertrekken met elkaar verbonden, elk met een verschillend uitzicht en karakter. Het is ook méér dan een woonhuis, want hier is tegelijk de muziekpraktijk van Prusha, die er pianolessen en concerten geeft. Dat laatste gebeurt in een magistrale concertkamer: pal onder het dak en negen meter hoog.

Het kantoor voor het Gasbedrijf Midden-Kennemerland in Heemskerk (1998, met Van Eijk) brengt voor even weer waardering onder vakgenoten. Dit compacte gebouw is een stad op zichzelf, voorbeeldig ambachtelijk en geïnspireerd op Heemskerks oude kastelen. Bloms passie krijgt een nieuwe richting: hij laat zien dat zo’n kantoor een verrijking kan zijn van een woonwijk – een aanklacht tegen ‘fantasieloze blokkendozen op grondverslindende bedrijfsterreinen’.

Bladeren door het boek stemt weemoedig. Wat was het mooi geweest als deze ontwerper meer kansen had gekregen. Had hij zijn allerlaatste werk maar kunnen afmaken. De opzet had hij klaar: een wooncomplex in Heemskerk, waarin ouderen en gehandicapten door elkaar zouden wonen. Helaas: nog voor de tekeningen waren uitgewerkt, stierf Blom plotseling, 8 juni 1999, op vakantie in Denemarken. Het plan werd grover uitgewerkt, in afgeknepen vorm. Waar Blom, bijvoorbeeld, langs de tuinkant een uitnodigend open gevel tekende, zijn nu slechts kale muren en bergingsdeuren.

En dit is dan Heemblom gedoopt, ‘als eerbetoon aan de architect’. Heemzonderblom was beter geweest.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden