Boulez, Berlioz en Bartoli: best en bovenste best

Als zangers ergens de pest aan hebben, dan is het 'in een hokje' zitten, en daar vervolgens 'niet uit mogen'....

Dat waren maandag The London Symphony Orchestra en Pierre Boulez, die met het publiek in het Amsterdamse Concertgebouw het schouwspel meemaakten van een diva op vreemde bodem: de kunst van honderd nootjes op één adem, de kunst van de parelende Italiaanse dictie, alle kunsten waarmee Bartoli gewend is een zaal aan haar voeten te krijgen, dat zijn allemaal dingen waar Berlioz in zijn cyclus Les nuits d'été nu juist geen boodschap aan heeft.

In deze liederen over versterving en verloren jeugd, gecomponeerd op gedichten van Théophile Gautier, is elke toon een fenomeen, een gedaante op zichzelf. Als de nacht er niet als een 'lijkwade' overheen ligt, zoals Gautier dichtte in Sur les lagunes, dan is er wel een schaduw die in een suizeling van luttele klanken over een zerk valt. Of een . . . die de echo is van een . . ., zoals in het lied Absence, waarin de muziek een verklanking wordt van de stilstand.

Gedragenheid is het sleutelwoord in deze nacht-ode van Berlioz, die in allerlei varianten op het repertoire heeft gestaan van vocalistes van allerlei soort, van Janet Baker en Victoria de los Angeles tot de lumineuze Régine Crespin. Het stuk verdraagt zangeressen van uiteenlopende signatuur - mits begiftigd met het vermogen een luisteraar de tonen der duisternis een voor een in de ziel te wrijven.

Dat het zingen van Bartoli behalve behendiger ook expressiever is dan van menig collega, is geen nieuws. Ze is een poëtica die haar belangrijkste middel - een betekenisvol sotto voce - zelden voor overbodigheden inzet. In het vocale 'con sordino' van Le spectre de la rose klonk Bartoli op haar best. In de kwiekere delen Villanelle en L'île inconnue, waarin schoonheid en jeugd doorschemeren in lichtere strijkersklanken, klonk ze op haar bijna-best.

Nachtstukken van diepe treurnis en brede golfslag bleken, hoe delicaat soms ook ingekleurd, minder aan haar besteed. Hier was meer sprake van een Bartoli die ook best met Berlioz overweg kan, dan van een Berlioz die staat of valt met een Bartoli. Het publiek (sommigen beduusd door het uitblijven van Vivaldiaanse verrassingen) zag zijn applaus beloond met een hupse toegift uit de Berliozbundel Mélodies: het lied Zaïde, waarin de mezzo het been hief en zelf de castagnetten deed klepperen. Zelfs Boulez, die tegenwoordig alles kan hebben, lachte.

Het was vooral Boulez met wie Berlioz stond of viel. De ouverture Béatrice et Bénédict, met zijn beginthema dat danst als een onberekenbaar insect, had niet warmer kunnen worden aanbevolen dan door Boulez, die op Berlioz' ritmiek een ongekend scherpe kijk heeft.

Ook na de pauze zomerde het, in Ravels Daphnis et Chloé, gebracht in een koorloze gedaante, maar wel in een monumentale uitvoering, meer precies dan precieus en vooral succesvol in haar suggestie van zonnigheid en broeierige barometerstanden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden