Boris Dittrich

Op een dag zag Boris Dittrich (53) van D66 zichzelf weerspiegeld in de draaideur van de Tweede Kamer: een vermoeide, oudere man....

p een dag, zo’n vijf jaar geleden, staat Boris Dittrich, dan nog fractievoorzitter van D66, in een Albert Heijn. Er komt een jongen naar hem toe van Marokkaanse komaf. De jongen slaat een jaspand open, laat een mes zien en zegt: ‘Homo, ik wacht buiten op je, dan zul je ervan lusten.’ Dittrich is bang. Hij doet expres lang over zijn boodschappen, rekent af, twijfelt over welke van de twee uitgangen hij zal nemen: die naar de parkeergarage, waarmee hij de jongen kan ontlopen, of die naar zijn fiets. Hij kiest met bonkend hart voor de confrontatie. Hij maakt zijn slot open, hangt de tassen aan zijn stuur. Even verderop staat de jongen te schelden. Dittrich roept: ‘Wat is eigenlijk je probleem?’ De jongen gaat weg. ‘Ik heb dit nog nooit verteld’, zegt Dittrich op de bank in het atelier van zijn man, de beeldend kunstenaar Jehoshua Rozenman. Het gesprek is tien minuten aan de gang. ‘Het gebeurde in een periode dat ik serieus bedreigd werd door de Hofstadgroep, en dit viel, vond ik, niet onder een serieuze bedreiging. Het was even vervelend, maar ik ben overgegaan tot de orde van de dag.’

Heeft u aangifte gedaan bij de politie? ‘Nee.’ Waarom niet? ‘Wat kon ik nou vertellen? ‘Meneer, er stond een jongen van wie ik denk dat hij van Marokkaanse komaf is en die zei allemaal verschrikkelijke dingen over homo’s, en hij had een mes bij zich, maar verder is er niks gebeurd.’’

In die tijd werden homo’s opgeroepen aangifte te doen als ze waren bedreigd. Belangrijk, anders kon de politie niks registreren, en de politiek geen actie ondernemen. U was politicus ‘Sterker: ik heb zelf de motie ingediend dat incidenten met een discriminatoire achtergrond door de politie moeten worden geregistreerd.’

Dan snap ik al helemaal niet dat u niet naar het dichtstbijzijnde bureau bent gegaan. ‘Ik weet het. Het klinkt raar, maar als je boodschappen doet, doe je dat als mens, niet als politicus. Die twee rollen vielen op dat moment gewoon even niet samen.’

Drie dagen later zegt hij aan de telefoon: ‘Ik had er niet over moeten beginnen. Ik heb me ertoe laten verleiden iets over die bedreiging te zeggen.’

Ik vroeg u alleen maar of u vond dat de tolerantie ten opzichte van homo’s is afgenomen en of u zelf iets naars heeft meegemaakt. ‘Ik geef jou ook niet de schuld. Ik neem het mezelf kwalijk, want ik weet hoe het werkt: nu onthouden mensen alleen het incident. Terwijl ik eigenlijk wil zeggen: Nederland is nog steeds heel tolerant ten opzichte van homo’s – zeker vergeleken met de landen waar ik voor mijn werk kom. Ik heb me grosso modo altijd veilig gevoeld, en dat voel ik me nog steeds.’

Ahmed Marcouch, stadsdeelvoorzitter van het grotendeels allochtone Slotervaart in Amsterdam, wil het debat over homoseksualiteit met explicitiete daden uitlokken. Laat de boten van de Canal Pride maar door Slotervaart varen, zei hij. Een goed plan? ‘Wat ik goed vind, is dat iemand die door de gemeenschap wordt erkend als gezagsdrager, het voortouw neemt en zegt: de norm hier in Nederland is non-discriminatie. Of dat met een boot vol mannen in een klein broekje moet, ik denk het niet. Mensen zullen zeggen: moeten wij homo’s accepteren? Moet je kijken, ze staan halfnaakt op een boot. En dan is het einde discussie.’

Gisteren overhandigde Boris Dittrich het eerste exemplaar van zijn nieuwe boek Elke liefde telt aan minister Verhagen van Buitenlandse Zaken. Het is een persoonlijk verslag van zijn nieuwe leven in Amerika en zijn werk als advocacy director van de afdeling seksuele minderheden van Human Rights Watch. Dittrich: ‘Ik ben pleitbezorger, ik ga de boer op met rapporten van onze onderzoekers.’ Sinds twee jaar reist hij vanuit New York de wereld over om invloed uit te oefenen in landen waar homo’s, lesbiennes, biseksuelen en transgenders worden gediscrimineerd. Dittrich: ‘In Kirgizië worden lesbische vrouwen verkracht bij wijze van straf. Door hun familie of door de politie. In Nepal worden transgenders in stadsparken door de politie mishandeld. In Irak zijn er gevallen bekend van homo’s van wie de anus was dichtgelijmd. Daarna kregen ze een laxeermiddel toegediend, soms met de dood tot gevolg. In Senegal verdwijn je achter de tralies als je homoseksueel gedrag vertoont – en er zijn nog 77 landen waar homoseksualiteit strafbaar is.’

Wat mij opviel in uw boek, is de grote kloof tussen theorie en praktijk. De regering van Brazilië kan nog zo voortvarend zijn in het bestrijden van homodiscriminatie, op straat worden de homo’s bij bosjes vermoord.’ Dittrich knikt.

Maakt u dat nooit moedeloos? Hij vertelt over die keer dat hij was uitgenodigd om in de Raad van Europa in Straatsburg te spreken over de Yogyakartabeginselen, een document waarin voor het eerst expliciet wordt gemaakt dat mensenrechten voor alle mensen gelden – ook voor seksuele minderheden. Te gast in de Raad was de patriarch van de Russisch-orthodoxe kerk van Rusland. ‘Die gaf daar een staaltje homofobie ten beste, ongelooflijk. Hij zei: ‘Niemand zou het toch in zijn hoofd halen om kleptomanie te vergoelijken. Waarom dan homoseksualiteit?’’ En nee, niet dat hij daar zo verbaasd over was. Wat hem kwaad maakte, was dat sommige parlementsleden van de Raad, met name die uit Oost-Europa, gingen applaudisseren. ‘Wat heb je aan een Raad waarin je allemaal prachtige dingen zegt over tolerantie en non-discriminatie, als er leden van die Raad zijn die die principes aan hun laars lappen?’

U beschrijft een aantal ontmoetingen in uw boek met homoseksuele mannen en vrouwen die ondergedoken zitten, hun land moeten ontvluchten, omdat ze anders niet veilig zijn.

Welke ontmoeting heeft u het meest aangegrepen? ‘Uiteindelijk meer een situatie dan een persoon. Namelijk de situatie dat je geboren wordt zoals je bent, met je seksuele oriëntatie, in een land waar het politieke systeem zegt: ‘Daar willen we niks mee te maken hebben, we stellen het strafbaar.’ Dat je dan lukraak gearresteerd kan worden, verkracht kan worden in een politiebureau, en dat er niemand is die een vinger naar je uitsteekt. Dat je, als je al erover durft te praten met je familie, de kans loopt vermoord te worden. Of op straat te belanden. Met andere woorden, dat je zo wéérloos bent, zo totaal overgeleverd aan mensen die het op jou hebben gemunt. Dat vind ik zo onrechtvaardig en zo intens gemeen, dat ik me met al mijn vezels wil inzetten voor de strijd daartegen.’

Zijn eigen coming-out beleefde hij begin jaren tachtig, in Amsterdam. Dittrich was stagiair bij het chique advocatenkantoor Stibbe en woonde samen met een vrouw. Ze hielden veel van elkaar, ze spraken zelfs al over trouwen. ‘Maar ik had ook gevoelens voor mannen, dat heb ik altijd eerlijk tegen haar gezegd.’

Deed u iets met die gevoelens? ‘Dat mocht niet van mezelf. Ook al had ik steeds meer een brandend verlangen naar fysiek contact met mannen, ik mocht daar niet aan toegeven, want ik had al een relatie.’

Ging u ook nooit naar een homocafé? ‘Als toeschouwer, ja, maar ik voelde me er nooit helemaal thuis. Als ik om me heen keek dacht ik: dit trekt me niet, mannen die, nou ja, heel uitbundig met elkaar doen. Ik ben meer van het serieuze soort, ik wil een gesprek voeren met iemand. En toch ging ik elke maand weer.’

Waarom? ‘Ik had denk ik toch de behoefte om te kijken en bekeken te worden. En uiteindelijk werd die behoefte zo sterk dat mijn vriendin en ik tegen elkaar hebben gezegd: dit voelt niet eerlijk. Toen hebben we, hoe moeilijk en verdrietig het ook was, met name voor haar, de relatie verbroken. Zij is teruggegaan naar Leiden, waar we samen hadden gestudeerd, en ik heb naar vrienden en collega’s gearticuleerd: ik ben homoseksueel.’

Wat vonden ze daarvan, bij Stibbe? ‘Ik had van mijn patroon net een uitnodiging ontvangen om samen met een paar andere stagiairs te komen eten bij hem thuis. De uitnodiging was gericht aan mij en mijn vriendin. Dus ik moest hem op een dag zeggen: ‘Joop, je hebt mijn vriendin uitgenodigd, maar ik heb inmiddels een vriend. Mag ik die ook meenemen?’’

En wat zei Joop? ‘Dat hij er met zijn vrouw over wilde praten. Daags erna kwam de uitslag: het mocht.’

En toen moest hij het nog tegen zijn ouders vertellen. ‘Ik had het gevoel dat ik nog niet uit de kast was zolang ik het thuis niet had verteld.’ Hij hoort zijn vader nog zeggen: ‘Jongen, wij voelen ons als bomen waarvan de takken worden afgerukt.’ Daarna werd hij weggestuurd. ‘Ga maar’, zei zijn vader, ‘je moeder en ik gaan nog lange nachten tegemoet.’ Toen hij op straat stond en naar zijn ouderlijk huis keek, sloot zijn vader de gordijnen.

Had u het zo heftig verwacht? ‘Ja. Ik wist hoe mijn ouders over homoseksuelen dachten: dat waren mensen die hulp nodig hadden, maatschappelijk tot mislukken waren gedoemd. Gelukkig namen ze na een paar dagen contact met me op en zeiden ze: ‘Je hebt het geprobeerd met een vrouw, het is niet gelukt, dan zullen we gaan proberen je te accepteren.’’

Een jaar geleden ging hij met zijn 85-jarige vader een paar dagen naar Praag, de stad die Dittrich senior in 1948 ontvluchtte. Boris zou er spreken met vertegenwoordigers van de regering over de Yogyakartabeginselen. Hij was ook door de Nederlandse ambassadeur uitgenodigd om te komen spreken over de Praagse Lente. ‘Ik ben als kind opgegroeid met het IJzeren Gordijn, met het verhaal van de vlucht van mijn vader, het achterlaten van zijn familie, geen contact kunnen hebben. Het was de tijd dat je nog brieven naar elkaar schreef, maar de brieven die mijn vader kreeg waren gecensureerd, opengemaakt, passages waren zwart gelakt. Zelfs als je ze tegen het licht hield, kon je nog niet lezen wat er had gestaan. ‘Als kind is het zo’n beetje het ergste wat je je kunt voorstellen: families die uit elkaar gerukt worden door de politiek. Dus, tja, daar in Praag op dat podium vroeg ik mij ineens af: kan ik de methoden van seksuele minderheden om discriminatie ongedaan te maken, namelijk wijzen naar internationale verdragen, wel vergelijken met de methoden van de Tsjechische dissidenten van toen?’

U dacht: kom ik met mijn homorechten, terwijl mijn vader zijn land heeft moeten ontvluchten. ‘Daar komt het wel op neer, ja.’

Heeft u in uw werk ooit het gevoel gehad dat u zich als homo extra moest laten gelden om serieus genomen te worden? ‘Ik weet niet of mijn geldingsdrang met mijn seksuele oriëntatie te maken heeft. Ik heb een oudere zus, die altijd overal in uitblonk. Ze was de beste op school, en ik was een redelijke middenmoter. Dat zeiden mijn ouders ook altijd: ‘Heluska is fantastisch, leuk dat jij ook een zeven hebt.’ Ik ging de concurrentie niet eens aan – ze was zo out of league voor mij.’ Het kantelpunt kwam in zijn puberteit, toen hij, nadat hij was blijven zitten, naar een andere school ging. Hij weet het nog precies, hij liep op de trap en een docent sprak hem aan: ‘Ik heb jou zo eens bezig gezien, je hebt heel veel talent, maar je bent lui, jongen. Je moet je best gaan doen, want alleen met hard werken kom je ergens.’ Dittrich: ‘Dat heeft me de ogen geopend. Ik ben hard gaan werken, en in een different mode gekomen: van iemand die altijd zijn best deed. Dat heb ik mijn hele leven gehouden. Uit angst dat ik zou terugvallen in luiheid, waardoor er niks meer uit mijn handen kwam. Maar ook om ja, met ambitie, iets te bereiken.’

U stond bekend als een uitmuntend Kamerlid. Niemand heeft het u nagedaan: vier initiatiefwetten door de Tweede Kamer loodsen. Dat moet een mooie overwinning zijn geweest op uw zus. ‘Om nou mijn geldingsdrang helemaal aan mijn lieve zus op te hangen gaat te ver. Ik had ook een vader die uit Tsjechië was gevlucht, die niet goed Nederlands sprak, die hier een nieuw leven moest opbouwen. Ik had een naam waarmee ik werd gepest op school, Ottokar, mijn tweede naam. Ook dat heeft gezorgd voor een houding van: ik laat me niet opzij zetten, ik ben er ook nog.’

Onder Haagse journalisten stond de O van Boris O. Dittrich op een gegeven moment voor Onvermijdelijk. Stilte.

Wist u dat? ‘Nee, dat wist ik niet. Ik ben lang justitiewoordvoerder geweest. Die waren in de Kamer altijd de haantjes de voorsten. Aleid Wolfsen van de PvdA had die naam ook.’

Heeft u iets gedaan om dat imago te veranderen? Want het lijkt me niet productief voor een politicus als journalisten denken: even een ommetje maken, want daar komt Dittrich aan. ‘Mij is door de voorlichter van de partij op een gegeven moment wel gezegd wat vaker te verwijzen naar andere leden van de fractie. Of niet te reageren op verzoeken van journalisten, en alleen in beeld te komen met onderwerpen uit de portefeuille die ik zelf onder handen had. Maar ja, ik had veel onder handen. Dus dat is niet echt gelukt.’

In 2003 werd hij fractievoorzitter van D66. Drie jaar later, in februari 2006, legde hij die functie neer, na een dramatisch verlopen slotdebat over deelname van Nederlandse troepen aan de missie in Afghanistan, waarin Jan Marijnissen hem de vraag voor de voeten wierp: ‘Vindt u uzelf een goede leider?’ ‘Die vraag trof doel, want ik was op het hoogtepunt van de discussie over Uruzgan op dienstreis naar de Antillen gegaan. Tijdens die reis hebben mijn fractiegenoot Bert Bakker en Alexander Pechtold, toen minister, in de media gezegd dat ze tegen de missie waren. Dat is een eigen leven gaan leiden. Ineens werd gesuggereerd dat D66 het kabinet zou opblazen als er voor de missie werd gestemd. Dat was niet mijn lijn. Ik ben toen eerder teruggekomen uit de Antillen om de discussie weer in goede banen te leiden, maar het was te laat.’

Wat dacht u toen Marijnissen vroeg: ‘Vindt u zichzelf een goede leider?’ ‘Dat ik een leider was die niet had geleid. Een leider die zijn mensen niet in de hand had.’

U was misschien te zeer een solist. ‘Dat is iets wat ik in die drie jaar leiderschap heb moeten leren: meer contact leggen met anderen, vertellen wat mijn denkwereld is, maar ook van anderen horen waarmee ze bezig zijn. Je kunt niet tegen mensen die minder goed geïnformeerd zijn meteen zeggen: nee, zo doen we het niet want ik weet het beter.’

U bent die eerste maanden van 2006 gekielhaald in de media. Was dat de reden dat u die zomer besloot om uit de politiek te stappen? Beslist: ‘Nee. Ik had al langer de behoefte iets heel anders te doen. Ik ervoer de Nederlandse politiek steeds meer als een keurslijf, ik had behoefte eruit te breken, iets nieuws te proberen. Ik wilde iets internationaals, iets met mensenrechten, want daarmee heb ik mij mijn hele werkende leven al beziggehouden.’

Wanneer viel de beslissing om weg te gaan? ‘In februari 2006. Ik zag mezelf na een lange dag vergaderen in de draaideur van het Tweede Kamergebouw, en ik zag ineens het gezicht van een oudere man. Regenjas, aktentas, grijs haar bij de slapen en een vermoeide blik in de ogen. Ik dacht: als ik nog een keer iets nieuws wil doen, moet het nu.’

Nu woont hij in New York. ‘De stad van het onbegrensde.’ Uw huwelijk wordt er niet erkend. ‘Nee. Voor de autoriteiten ben ik een alleenstaande man. Dat is ook nog een van de dingen waarmee ik bezig ben: het homohuwelijk legaliseren in Amerika.’

Waarom wilde u naar New York? ‘Ik heb mij altijd wereldburger gevoeld. Ik dacht altijd: ik ben een wereldburger, maar ik zit in Nederland. Nu ben ik wereldburger en woon ik in de hoofdstad van de wereld. Jehoshua zegt: ‘Het is geen stad voor lapzwanzen.’ Mensen zijn hier constant bezig zichzelf te verbeteren. Die sfeer mis ik, in Nederland.’

Wat is het grote verschil tussen uw leven daar en uw leven hier? ‘Dat ik anoniem kan zijn. Dat ik op een bankje kan gaan zitten en dan aan de praat raak met iemand over een boek dat ik net gelezen heb. In Nederland kan dat niet, want dan vragen ze meteen: ‘Wat vindt u van Wilders, wat vindt u van het klimaat in Nederland?’ In New York vraagt niemand mij wat ik van Obama vind. Dat is heerlijk, om nergens iets van te vinden.’

CV

Boris O. Dittrich

geboren 21 juli 1955

burgerlijke staat getrouwd

opleiding gymnasium, studie rechten aan de Universiteit Leiden

werk Boris Dittrich was advocaat en rechter voor hij in 1994 Tweede Kamerlid werd voor D66. Hij was behalve justitiewoordvoerder ook lid van vaste Kamercommissies voor de Antillen en Aruba, Buitenlandse Zaken, Onderwijs, Binnenlandse Zaken. In 2001 schreef hij het boek Een blauwe stoel in Paars, over zijn werk als Kamerlid. Op zijn laatste dag in de Tweede Kamer werd hij geridderd in de Orde van Oranje Nassau. Als Advocacy Director van Human Rights Watch heeft hij er onder andere voor gezorgd dat in december 2008 voor het eerst in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over homorechten is gesproken. Zojuist verschenen is zijn boek Elke liefde telt (Nieuw Amsterdam, 17,95 euro).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden