Bon courage in Holland

Vandaag vijftig jaar geleden begon de Tour de France voor het eerst sinds zijn oprichting buiten Frankrijk. Amsterdam had de primeur....

Het is een regenachtige woensdagmiddag als de populaire Amsterdamse wielrenner Hein ('Tarzan') van Breenen zich meldt bij het Olympisch Stadion. Op het middenterrein staan de tenten opgesteld waar de renners een koffer met petjes, shirts, banden, broeken, hemden, gonfleurs en windjacks kunnen afhalen.

Het is de hele week al koud 15 graden en regenachtig in Amsterdam, waar de Tourkaravaan staat te kleumen op het stadionterrein. Er valt dan ook weinig te merken van het jaarlijks in de kranten opgeroepen Tour-de-Francegevoel met vrolijke kiekjes van renners onderweg, vakantie, lekker weer, toeschouwers die met tuinslangen deelnemers natspuiten en applaudisserende en allez, bon courage roepende meisjes.Voor de meeste Nederlandse toeschouwers is de Ronde van Frankrijk een welhaast mythisch evenement, dat hun wordt voorgeschoteld door radioreportages van Jan Cottaar en dagbladverslagen. De Tour de France, dat zijn fietshelden die in de hitte enorme afstanden afleggen over hoge bergen. De eenzame helden rijden door woeste landschappen in een ver en vreemd land, want de caravan bestond nog niet en kamperen gebeurde in Nederland.

De Amsterdamse werkelijkheid valt dan ook een beetje tegen. Datgene waarover de toeschouwers hebben gelezen en gehoord, blijkt in de natte Hollandse praktijk er toch een tikje gewoner uit te zien. De kleine duizend Fransen van de organisatie, die de 110 deelnemers omringen, houden zich voornamelijk schuil in hun hotels.

Dat doen zeker de renners, die tussen de buien door naar het Olympisch Stadion komen om er een rondje te rijden. Buiten de stad fietsen is ook een mogelijkheid, maar dat is geen doen. De renners zijn bang kou te vatten. Trouwens bijna niemand van de buitenlandse deelnemers of hun ploegleiders kent de weg zodra de stadsgrens is verlaten.

Gelukkig voor de toeschouwers knapt het weer die woensdag op en is voor donderdag, de dag van het vertrek, zelfs voorspeld dat het droog zal blijven. Dat is een hele geruststelling voor het Amsterdamse organisatiecomitdat een deel van de kosten hoopt te dekken met een gala-wieleravond in het Olympisch Stadion. Er is gerekend op dertigduizend toeschouwers, die komen kijken naar onder anderen het jonge Franse fenomeen Jacques Anquetil, maar meer nog naar de vedetten Gerrit Schulte, Arie van Vliet, Jan Derksen, de Nederlandse Tourdeelnemers en de inmiddels hoogbejaarde winnaar van de allereerste Tour de France, Maurice Garin.

De organisatie heeft weliswaar een regenverzekering afgesloten, maar als mensen thuis blijven, omdat het drt te gaan regenen, zou de organisatie met een flink gat in de begroting van tachtigduizend gulden komen te zitten.

Als Hein van Breenen met de koffer voorop zijn fiets het stadion wil verlaten om naar het Parkhotel te gaan, waar de Nederlandse deelnemers zijn ondergebracht, wordt hij ontdekt door een groep Amsterdamse schoolkinderen, die op hun vrije woensdagmiddag het gedoe bij het Olympisch Stadion komen bekijken.

Ze hebben een goede te pakken, want Van Breenen is een willig slachtoffer. Als plaatselijke deelnemer geniet hij van zijn bekendheid, die nog is toegenomen sinds op de landelijke zenders Hilversum I en II regelmatig het grammofoonplaatje Wij willen 't winnen wordt gedraaid, gezongen door zijn ploegmaat Henk Faanhof. Van Breenens bijdrage beperkt zich weliswaar tot het roepzingen van het refrein Water, water en hoeveel kilometer is het nog?, maar zijn naam wordt toch regelmatig via de ether genoemd.

Van Breenen is dan ook een held tussen de zestig Franse deelnemers, en de resterende vijftig vertrekkers uit BelgiZwitserland, Spanje, Luxemburg en Oostenrijk.

Als hij zijn koffer heeft weggebracht, komt hij dan ook terug om de rondhangende journalisten te vertellen wat hij had meegemaakt. 'Ze hadden me bijna vermoord. Kom ik met mijn koffer tussen de wagen vandaan, stormt daar wel driehonderd van dat grut op mij af. Allemaal om foto's en die had ik niet. Nou, ik ben maar op mijn koffer gaan zitten en dat hele spul kroop over mij heen en wilde niet weggaan. Toen kwam Chris Berger (ex-atleet en hoofdopzichter van het stadion, red.) langs en die vroeg of ik wilde helpen de kinderen naar buiten te loodsen, want het publiek moest het terrein ontruimen. Ik op weg, hmet die hele stoet achter mij aan in de richting van de Marathonpoort en toen ik daar nog vijftig meter vandaan was, demarreerde ik. Ik was ze meteen kwijt. Maar nu een sigaretje, de allerlaatste tot Parijs.'

Er is veel veranderd sinds de Tour de France op 8 juli 1954 voor het eerst in zijn bestaan buiten de Franse landsgrens begon. De renners roken geen sigaretjes meer voor de start en evenmin dragen ze zelf hun koffers. In feite hoeven ze weinig meer te doen dan vier ijf uur per dag hard te fietsen, waarna ze naar hun hotel worden gebracht, waar ze eten, worden gemasseerd, mobiel naar huis telefoneren, hun laptop openklappen en gaan slapen. Eventueel krijgen ze met een infuus extra brandstoffen toegediend.

Voor de toeschouwers is evenzeer weinig hetzelfde gebleven. De karavaan is geweldig uitgebreid. Het aantal deelnemers is verdubbeld, en het aantal begeleiders verzesvoudigd. Het circus is veelomvattender geworden, maar tegelijkertijd eenvoudiger te volgen. Om een renner op de fiets bezig te zien, hoeft niemand meer de deur uit. Een televisie is voldoende.

Ja zelfs noodzakelijk. Deden de renners het in de jaren van de Amsterdamse Tourstart nog wel eens rustig aan als gevolg van de lange etappes, slechte wegen, het ontbreken van oordopjes en televisie en door minder druk van de sponsors; tegenwoordig wordt er vanaf de start vol gas gegeven en zien de toeschouwers langs de kant van de weg een voorbijrazend peloton, dat weliswaar veel groter is geworden, maar ook gemiddeld tien kilometer per uur sneller rijdt.

Het vertrek uit Amsterdam was wel een aankondiging van de mondialisering die de Tour van nu beheerst. Door het vertrek in het buitenland was de Ronde van Frankrijk geen typisch Franse aangelegenheid meer, wat het tot die tijd altijd was geweest. Het deelnemersveld bestond voor 60 procent uit Franse renners en de reclamekaravaan was zelfs geheel Frans. Nu rijdt er nog 20 procent Fransen mee en is de reclame gericht op de hele wereld.

In de tweede plaats is er de manier van koersen. De etappe die vanuit Amsterdam naar Brasschaat in Belgioerde, begon als een wandeletappe, waarvan de eerste kilometers zelfs als slenteretappe konden worden gekenschetst. Na de voorstart in het Olympisch Stadion reden de renners geneutraliseerd door Oud-Zuid naar de Sloterweg, de toenmalige uitvalsweg vanuit Amsterdam naar het zuiden.

Daar werd, al bijna tussen de weilanden, het offici startschot gelost. Tot dat moment hadden de tienduizenden toeschouwers rijen dik staan kijken naar de voorbij peddelende renners over wie ze zo veel gelezen hadden. Eindelijk konden ze zien hoe de vedetten Hugo Koblet, Louison Bobet, Ferdi K, Stan Ockers, Charly Gaul of Jean Robic zomaar door de Zeilstraat reden.

Betrekkelijk snel reeg de etappe echter een verrassend verloop. In Haarlem en op de boulevards van Noordwijk en Katwijk verliep alles nog conform de verwachting van kalm aan dan breekt het lijntje niet. Maar tussen Den Haag en Rotterdam sloeg de vlam in de pan, wat ertoe leidde dat een kopgroep met alle vedetten, met uitzondering van Ferdi K, met een voorsprong van negen minuten Brasschaat bereikte. Belangrijkste gangmaker was Wim van Est, die zich voor de goedbetalende Bobet en Koblet wel wilde uitsloven.

Er is die dag, en dat is een opvallend 'modern' aspect van de Tourstart 1954, vanaf Rotterdam ontzettend hard gefietst. De gehele etappe werd met een snelheid van ruim veertig kilometer per uur afgelegd, de laatste 140 kilometer moet dat minstens 45 kilometer per uur zijn geweest. Een snelheid waar de huidige renners met hun betere materiaal, training, voeding en verzorging zich niet voor zouden schamen.

De toeschouwers langs de kant hadden echter pech. De renners stoven in een flits voorbij de met wimpels en vlaggen versierde huizen. Zelfs bij de ravitaillering voor de Maastunnel in Rotterdam zag men op de speciaal voor het doel getimmerde tribunes slechts hoe haastige renners een etenszakje uit de handen van de verzorgers gristen.

Op het eind van de etappe won Wout Wagtmans, nadat hij door een demarrage de sprint met onder anderen Stan Ockers, Andrarrigade, Koblet en Bobet had ontlopen. Hoe dat precies in zijn werk was gegaan, weten alleen degenen die eraan hebben deelgenomen. De pers had zich opgesteld achter de eindstreep, kon niet op tv-schermen naar helikopterbeelden kijken en slikte het verslag dat de renners vertelden voor zoete koek.

Amsterdam was de beste Tourstart aller tijden, liet koersdirecteur Jacques Goddet weten tijdens het offici diner aan de vooravond van het vertrek. Organisatorisch was het tot in de puntjes verzorgd. Het enige wat eraan ontbrak was de televisie. Maar dat was zelfs voor de vooruitziende blik van Jacques Goddet in 1954 nog een ondenkbare gedachte.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden