Bom in Arnhem was politiek broddelwerk Uiten woede is enige motief voor aanslag Arnhem

Na de Arnhemse bomaanslag waren de speculaties niet van de lucht. Zou het politieke geweld in Nederland echt de kop opsteken?...

FRANK J. BUIJS

EEN rituele dans - waarschijnlijk is dat de beste typering voor de vloed van uitspraken die we na de bomaanslag van 3 januari kregen voorgeschoteld. De geschrokken omwonenden waren goed voor verhalen over nipte ontsnapping aan verwondingen. De honorair consul prees de politie en deelde mee zich niet te laten intimideren. De toegesnelde autoriteiten tastten in het duister, maar speculeerden vervolgens lustig over het politieke karakter ervan. De burgemeester vertelde dat hier 'grenzen zijn overschreden' en dat de zaak 'tot op de bodem zal worden uitgezocht'. Een politiewoordvoerder concludeerde dat er vermoedelijk sprake is van 'een professionele, goed voorbereide opzet'. De dagbladen publiceerden voor de zekerheid alvast een lijstje van extreem-linkse aanslagen.

Goed, laten we aannemen dat achter de bomaanslag politieke motieven schuilgaan. Dergelijke bomaanslagen zijn in Nederland zeldzaam; vernielingen en brandstichtingen komen aanmerkelijk vaker voor. Een uitzonderlijk gebeuren dus, maar was er nu wel sprake van 'een professionele opzet'?

De politie hanteert bij dit soort aanslagen automatisch een vreemde tweedeling. Kwajongenswerk zijn alle betrekkelijk lichte vergrijpen waaraan men niet al te veel politieke betekenis wil toekennen, zoals ingegooide ruiten, omgekieperde grafzerken en soms zelfs mislukte brandstichtingen. Gewelddaden waarvan men het politieke karakter niet kan of wil ontkennen en waarbij het gaat om een explosief dat zwaarder is dan twintig bijeengebonden strijkers heten per definitie 'professioneel'. Dat suggereert dus een goed georganiseerde groep gewelddadige activisten.

Dat nu is maar helemaal de vraag.

Wat wilde men eigenlijk bereiken met de aanslag? Er zijn verschillende mogelijkheden.

Met een aanslag kun je proberen het handelen van het doelwit te beïnvloeden. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de eerste golf van anti-apartheidsgeweld in 1985 en 1986. Brandstichtingen en vernielingen bij bedrijven met Zuidafrikaanse banden beïnvloedden toen tot op zekere hoogte het gedrag van afzonderlijke ondernemingen. Wanneer in september of oktober enkele gerichte aanslagen waren gepleegd tegen verkooppunten van Franse wijnen, was de verwijdering van die wijnen uit vrijwel alle Nederlandse winkelschappen niet denkbeeldig geweest. In de optiek van sommige gewelddadige activisten was er dan tenminste iets bereikt. De aanslag in Arnhem werkt echter op geen enkele manier in deze richting.

Er is ook een andere redenering denkbaar, waarbij met de gewelddaad andere radicale actievoerders worden ondersteund. De redenering luidt dan: de een voert actie met vreedzame demonstraties, de ander met gedurfde confrontatieve acties en wij met geweld. Deze redenering deed in de jaren tachtig opgeld bij de vernielingen van Shell-pompen.

Gaat die redenering voor Arnhem op? Vanaf september vorig jaar zijn er tal van vreedzame of confrontatieve acties tegen de Franse kernproeven gevoerd. Daarnaast zijn er telefonische bedreigingen geuit en stenen door ruiten gegooid. Er is enig succes geboekt, maar de acties lijken toch over het hoogtepunt heen te zijn. Het is onwaarschijnlijk dat ze door deze aanslag een nieuwe politiek momentum zouden kunnen verkrijgen. Als dat het doel was, kwam de aanslag te laat en bracht zelfs het gevaar met zich mee negatief uit te werken op niet gewelddadige acties.

Een derde mogelijkheid is dat de gewelddadige activisten een voorbeeld willen stellen en hopen dat anderen dit navolgen. De redenering zou kunnen zijn: 'Als anderen zien dat ze niet alleen staan in hun verontwaardiging en dat er wel degelijk concreet iets valt te pakken, zullen ze misschien het goede voorbeeld volgen.'

In het verleden is er verschillende keren sprake geweest van golfjes van geweld waarbij navolging een belangrijke rol speelde. Dat was bijvoorbeeld het geval bij het slangen-snijden bij Shell-stations in de de jaren tachtig en bij racistische bedreigingen (White Power-brieven) en vernielingen in de eerste helft van de jaren negentig.

Het gaat daarbij steeds om eenvoudige, gemakkelijk na te bootsen vormen van geweld, dat een beperkt thema betreft en dat gemeengoed wordt bij een relatief groot aantal mensen uit een bepaalde stroming of subcultuur. Voorwaarde is wel dat binnen die groep de thematiek leeft en de argumentatie voor 'harde' acties vorm gekregen heeft. In het geval van Arnhem is aan geen van deze noodzakelijke voorwaarden voldaan; als nabootsing het doel was hadden de geweldplegers zich de moeite kunnen besparen.

Er is nog een laatste mogelijkheid. Men kan ook het gewelddadige heft in handen nemen juist om een bestaande lethargie te doorbreken. Een dergelijke argumentatie voerde RARA aan bij de aanslagen in het begin van de jaren negentig. Voorwaarde is dan wel dat ze hun radicale, maar ingeslapen gehoor een zekere uitleg verschaffen, dat ze in welke vage termen dan ook, een weg vooruit wijzen. Niets van dat alles bij de aanslag in Arnhem, zodat ook deze mogelijkheid erg onwaarschijnlijk is.

Al met al zijn er dus nogal wat twijfels over de politieke doelgerichtheid en effectiviteit van de daders. Alles wat een weloverwogen geweldpleger zou doen om enig resultaat te behalen wordt nagelaten.

MOCHTEN er desondanks toch politieke motieven een rol spelen, dan kunnen we de bomaanslag in Arnhem het beste typeren als 'politiek vandalisme'. Daarmee wil ik niet zeggen dat het gaat om het werk van 'kwajongens', maar dat het in politiek opzicht broddelwerk is. Het is een vorm van politiek geweld, waarbij sprake is van betrekkelijk eenvoudige gewelddaden, vermoedelijk gepleegd door een groepje individuen met een geringe samenhang, dat slechts korte tijd bestaat. De uitgedragen motivatie kenmerkt zich door een geringe politieke doelgerichtheid; er niet of nauwelijks sprake van een oriëntatie op bestaande massabewegingen en het lijkt erop dat het uiten van de eigen gramschap centraal staat.

In de jaren tachtig hebben verschillende van dit soort kleine losse groepjes aanslagen gepleegd. Het doel was eerder het stellen van een daad, dan het leggen van een verbinding met een bredere politieke strijd. In sommige gevallen was de schade groot, maar in politiek opzicht hebben ze geen enkel spoor nagelaten. Vermoedelijk geldt dat ook voor Arnhem. De kans dat we er nooit meer iets van horen is groot, vooral ook omdat de geschiedenis leert dat dat de opsporing van dit soort individualistische geweldplegers buitengewoon moeilijk is.

Frank J. Buijs is sociaal-wetenschappelijk onderzoeker in Leiden en promoveerde op het proefschrift Overtuiging en geweld. (Uitg. Babylon-De Geus).

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden