BOLKESTEIN: eerder Colijn dan Romme

Als regeringsfractieleider heeft Bolkestein nu al een reputatie gevestigd die hem in de rijen van illustere voorgangers als Nolens en Romme plaatst....

EEN JAAR geleden begon de zegetocht van VVD-leider Frits Bolkestein met mooie kamerverkiezingen (hoewel D66 nog veel meer won). In de kabinetsformatie van vorige zomer liet hij zijn steun aan de paarse coalitie met PvdA en D66 rijkelijk betalen in ministersposten en liberaal regeerbeleid.

Vervolgens bleef Bolkestein zelf fractieleider, zodat hij vrijuit en welsprekend zowel het kabinet als de kiezers kon bespelen. De coalitiepartners leken daarnaast op eieren te treden. Twee maanden geleden werd de VVD bij daverende Statenverkiezingen de grootste partij van het land, en velen menen dat dat voorlopig nog wel zo blijft.

Heeft Bolkestein een succesformule gevonden? Waarom hebben vroegere partijleiders niet steeds de vrijheid en de machtsfunctie van het parlement gekozen boven ministerschap, vice-premierschap of zelfs premierschap? Dat hebben velen inderdaad gedaan, zij het geen sociaal-democraten (met hun monistische neigingen). Christen-democratische leiders bleven vaak in de Kamer, althans tot Van Agt in 1977. Bolkestein staat - ondanks grote verschillen - in de traditie van Nolens en Romme.

VVD-leiders die in het kabinet opgenomen werden, werden geacht geen politiek leider meer te zijn. Dat moest de (nieuwe) fractieleider in de Kamer worden. Dit geheel in de liberale traditie van gescheiden verantwoordelijkheid van regering en parlement (dualisme). Zij moesten dat leiderschap overigens nog wel wáármaken.

Bolkesteins formule was bij Nijpels (na '82) en eerder bij Koos Rietkerk ('77-'81) allerminst een succes. Het jonge kamerlid Ed Nijpels zei van Rietkerk dat hij die in enkele dagen járen ouder zag worden. Het is een vak apart en Bolkestein is eigenlijk nog maar net begonnen, hoeveel beter ook dan zijn voorgangers.

Een vergelijkend warenonderzoek van politieke leiders die regeringsfractieleider bleven, hoort bij mgr dr Willem H. Nolens te beginnen. Hij was onbetwist en autoritair RKSP-leider van 1910 tot zijn dood in 1931. Als een rede van een fractiegenoot hem niet beviel, tikte hij met zijn zegelring tegen zijn loden inktkoker, en dat betekende: ophouden.

Toen een katholiek kamerlid in een studieus boek verdiept was, zei Nolens tegen hem: 'Goed zo jongen. Alleen, ik studeerde vóór ik in de Kamer kwam.' De journalist C.K. Elout: 'Wij hebben dr Nolens nog nimmer in emotie gezien.' Hij had in 1918 best premier willen worden, maar hij begreep dat de eerste katholieke minister-president al een ruige stap was, vooral voor AR en CHU. Vrijzinnig-democratisch leider Marchant: 'Een priester als premier zou de dominees rabiaat hebben gemaakt.'

Nolens was wel formateur en zijn - veel gemoedelijker - Limburgse provinciegenoot jhr Charles Ruijs de Beerenbrouck werd de katholieke premier van dit 'kabinet-Nolens zonder Nolens'. Deze kon weinig doen zonder zijn partijleider, die des premiers bonhomie zwaar op de proef stelde.

Bij de Vaticaancrisis (eind 1925) was Nolens wel echt 'in emotie' en er is wel gezegd dat hij beter wat minder schril en hautain te keer had kunnen gaan. CHU, SGP en de linkse oppositie tegen het zojuist opgetreden eerste kabinet-Colijn stemden het gezantschap bij de paus af, overigens mede om Colijn dwars te zitten.

In alle vervolgruzies zat Nolens in het kamp van Colijn. Maar Ruijs bij de 'vijand', samen met de halve ARP en een groot deel van de CHU. De Geer loste de zaak op door een anti-Colijns kabinet te maken na een geheime opdracht van koningin Wilhelmina. Nolens moest niets hebben van dat kabinet, maar durfde het toch niet heen te zenden na zijn lelijke nederlaag in de Vaticaancrisis. Het kabinet De Geer viel onder meer op door een begrotingsoverschot.

Daarna is Nolens geleidelijk overvleugeld door Colijn, terwijl hij in 1929 grote ruzie met Ruijs kreeg. Hij had veel macht, maar was niet geliefd of welsprekend. En bij de stembus minder succesvol, vaak een nadeel van ritselen en dwingen achter de schermen. De Haagsche Post beeldde hem af als marionettenspeler en als 'De Groote Souffleur'. Een echte succesformule bleek het toch niet.

Dr Carl P.M. Romme was voor de oorlog een omstreden minister van Sociale Zaken, wiens poging het werken van getrouwde vrouwen te verbieden, mislukte. Hij kreeg ruzie met Colijn, omdat die te straf en te weinig sociaal bezuinigde. Vlak na de oorlog werd Romme onomstreden KVP-leider, wat hij tot 1961 zou blijven.

Hij maakte, bemande en regisseerde menig kabinet-Drees. Waarbij hij binnenskamers placht te zeggen dat de socialisten wel mee mochten in zijn trein, maar 'wij' (katholieken) bepalen waar die heen gaat 'en wanneer zij moeten uitstappen'. Het 'bestand' met de PvdA was hoofdzaak, maar liefst had hij er minstens twee van de middelgrote partijen bij: dàt was de 'brede basis'.

Het hielp om de PvdA-invloed nog verder te verminderen. Veel oppositie vond hij in het Nederlands bestel niet zo nodig, zo argumenteerde hij in zijn parmantige brochure Katholieke Politiek ('53). Daarin bepleitte hij ook een verbod van De Waarheid, 'die gifkraan'.

Romme heette aanvankelijk wel een 'Nolens in zakformaat', maar hij had vrijwel zeker meer formaat. Overigens kregen beiden de bijnaam 'de Sfinx'. Romme tikte niet met een zegelring, maar kwam wel eens een speech van een fractie 'aanvullen'. Voor die aanvulling stroomde dan de Kamer vol. Het kamerlid Fens zei met ongeveinsde blijmoedigheid dat hij 's morgens in de Volkskrant las wat hij 's middags moest stemmen. (Romme was tot 1952 'staatkundig hoofdredacteur'.)

De KVP-leider had minstens zoveel invloed op het regeringsbeleid als de succesvolle premier Drees, en hij was als publiek figuur en katholiek emancipator vermaarder dan Nolens. Soms kregen niet-katholieken de indruk dat zij richting Romme moesten emanciperen. Volkskrant-rubriekschrijver Henry Faas: 'Er is een Italiaanse kardinaal in hem verloren gegaan.'

Inzake Indonesië en later Nieuw-Guinea was Romme meer fanaat dan internationaal deskundig, en hij zette de weifelende en intern verdeelde PvdA sterk naar zijn hand. In 1948 werd de bijna volledige controle op dit beleid verkregen in ruil voor Drees' premierschap. Een KVP-kamerlid dat twijfelde bij de harde lijn tegenover Sukarno, werd door zijn eigen fractieleider van 'angstwekkend pacifisme' beschuldigd. Nederland noch het jonge Indonesië is beter van Rommes bevlogenheid geworden.

Hij kon wel tegen kritiek, maar maaide die meestal weg met zijn enorme kennis van zaken en zijn gezag. Minder begaafde kletsers en belangenpolitici, vooral in eigen kring, hadden bij hem geen leven (wat overigens ook bij Nolens gold). Rommes persoonlijke contacten met fractiegenoten waren summier. Ooit vroeg hij aan een AR-fractieleider: 'Die kleine krullebol, is die van jou of van mij?' Het was Hazenbosch (AR).

De meer harmonieuze en democratische Drees stuitte steeds op Rommes grenzen, wat hij overigens gelatener accepteerde dan PvdA-fractievoorzitter Burger, de 'leider der backbenchers'. Toch gingen de sociale wetgeving en Drees' groeiende uitstraling (stijl jaren vijftig) geleidelijk ten nadele van de KVP werken. In '52 kreeg de PvdA al meer stemmen, en in '56 zelfs een zetel meer (na het Mandement en heftige ruzies. Naar Drees werden in Venlo stinkbommen gegooid).

Romme kreeg het moeilijk. In de KVP trad hevige rechtse weerstand tegen het eeuwige rooms-rood op. Vermoed werd dat het laatste kabinet-Drees alleen kon optreden omdat Romme de socialisten nodig had bij troebelen rond de troon (wegens de gebedsgenezeres Greet Hofmans). Toen eind '58 de lange coalitie definitief onderging - in een vloed van haat en schimpscheuten - was dat eerder aan de late zijde. Tilanus sr vroeg onthutst: 'Moet dat nu zo.'

Romme heeft nog gebouwd aan het centrum-rechtse kabinet-De Quay en zelfs aan het kabinet-Marijnen in 1963, waarbij hij zijn klungelende opvolger Wim de Kort passeerde. Ook heeft hij lang zijn oogappel Norbert Schmelzer gesouffleerd, maar met beperkt succes. Een groot en invloedrijk man, maar een succesformule à la Bolkestein had hij niet.

Schmelzer was een Romme in zakformaat, en dan nog vooral in de rechter broekzak. De derde en kleinste politieke paus van Nederland, zat al midden in ontzuilende stormen en afkalving van gezag. Zijn geritsel achter de schermen wekte in het klimaat van de late jaren zestig eerder weerzin.

Romme verweet hem te weinig op evenwicht in de partij te spelen, met name in de beruchte Nacht van Schmelzer, waarin hij het kabinet-Cals ombracht. De eenheid in partij en fractie is de machtsbasis van de leider, wist ook Schmelzer heel goed, maar hij handelde er minder naar dan Romme lief was. Overigens zouden Brinkman en Lubbers het in '94 nog veel bonter maken.

Na de Nacht waren links en rechts in de KVP niet meer te verzoenen. Wat tot een bescheiden PPR-afsplitsing leidde, maar vooral ook tot groot zetelverlies: de KVP werd gehalveerd in drie kamerverkiezingen vanaf '67. Het tegendeel van een succesformule dus.

In het openhartige boek Het Verschijnsel Schmelzer (auteur Robbert Ammerlaan) legde de KVP-leider later uit dat hij nogal eens theaterstukjes regisseerde met bevriende KVP-premiers. Die mochten dan beslist niet komen met een bepaalde concessie. Ze moesten zelfs ferm tegenstribbelen. Pas na een fraai gevecht met Schmelzer zelf mocht de premier door de knieën, waarna de KVP-fractie blij was. Een andere stelregel van Schmelzer was dat tegenover een akelig stukje beleid altijd iets aardigs moest staan.

Bij de zwakke premier Marijnen ('63-'65) lukte dit soort samenwerking wel, en toen domineerde Schmelzer. Ammerlaan: 'Voor de overlevingskansen van een kabinet is een sterke fractievoorzitter meer waard dan een sterke minister-president.' En: 'Zwakke premiers nestelen zich graag in de luwte die een goed politiek leider kan geven.' Premier Cals ('65-'66) moest weinig van zijn rivaal hebben, en de Nacht is vanuit deze tegenstelling verklaard. De Balzac: 'Het is uit de botsing der karakters, niet uit de strijd der denkbeelden dat antipathieën geboren worden.'

Minister-president Piet de Jong liet aanvankelijk ook wel zijn oren hangen naar de politiek ervarener fractieleider, maar de ex-duikbootkapitein kreeg daar ten slotte toch genoeg van. Temeer daar Schmelzers positie in alle ruzies met KVP-radicalen verzwakte. In zijn nadagen als partijleider liet Schmelzer de premier zelfs eens in de fractie komen om met crisis te dreigen als de KVP'ers dwars bleven liggen inzake de loonvorming. Dat hielp, maar Schmelzer was niet echt meer te helpen.

Na een kort (maar sterk) ministerschap van Buitenlandse Zaken in het kabinet-Biesheuvel ('71-'72), verdween hij - teleurgesteld - uit de actieve politiek. Overigens: in de jaren zestig werden weinig politici - diadochen na de grote leiders van de jaren vijftig - gelukkig. Evenmin als hun 'mannetjesmaker' Ben Korsten.

De jonge nieuwe VVD-leider in 1971, Hans Wiegel, was (als Bolkestein nu) een luid, krachtig en vaak meeslepend media- en zalenbespeler. Maar in coalities toonde hij zich verrassend coöperatief. Hij irriteerde de temperamentvolle premier Biesheuvel nogal eens door publiek zaken op te eisen, die hij binnenskamers al had binnengehaald. Zodat hij, in plaats van het kabinet, met de eer kon gaan strijken. Een andere truc dan Schmelzers toneelstukjes.

VVD-fractieleiders zijn tevens partijleider, dus Rietkerk werd dat ook eind 1977 toen Wiegel en Van Agt in bijna innige omhelzing een kabinet begonnen. Rietkerk zei ook met te veel nadruk dat hij politiek leider was, een teken dat velen daaraan twijfelden, hijzelf incluis.

Zulke liberale fractieleiders konden veel minder vaak dan de katholieke leiders van weleer een aan het kabinet vijandige kamermeerderheid oproepen, behalve bij kwesties als abortus of euthanasie. Zij konden echter wel het kabinet opblazen. Wat Rietkerk tweemaal probeerde, maar niet van Wiegel mocht en wat Voorhoeve in 1989 eigenlijk niet wilde, maar toch van zijn fractie moest doen.

Rietkerk, consciëntieus en voor een VVD'er vrij sociaal, was naast de blijmoedige volkstribuun Wiegel een beetje een tobber. Hij had begin 1980 minister Andriessen van Financiën steun beloofd bij diens eis van grotere bezuinigingen. Maar toen het eropaan kwam vertrok Andriessen zonder de VVD. Wiegel beval de partij zeer resoluut in de coalitie te blijven.

Een half jaar later kwam Rietkerk weer het kabinet-Van Agt I opblazen, en hij had senaatsfractieleider Zoutendijk en partijvoorzitter Kamminga meegenomen. Het moest uit zijn met dat slappe beleid, bezwoer hij (als een voorloper van Brinkman) de liberale ministers. Of ze Van Agt maar de wacht wilden aanzeggen. Vice-premier Wiegel zei koeltjes dat als de heren het kabinet wilden opblazen, zij dat dan maar in de Kamer moesten doen. Waarop de drie afdropen. Kamminga: 'Het was vooral pijnlijk voor Rietkerk.'

Nijpels werd na Wiegels onverwachte vertrek lijsttrekker en won juichend de verkiezingen van 1982, een soort rechtse kinderkruistocht. Daarna werd wel van AVRO- en Veronica-liberalen gesproken. Nijpels bleef in de Kamer en vond het strategisch monisme uit, wat vooral wilde zeggen dat hij meer de baas wilde zijn over de VVD-ministers dan Lubbers. Hij leefde in de illusie dat het CDA oud en duf en saai was en dat de VVD - in zijn stijl - de toekomst had.

Nijpels hanteerde als regeringsfractieleider de vederlichte toets, vaak met ongerijmde eisen. Een chaotische permanente verkiezingscampagne. Dit tot wanhoop van de ministers en CDA-fractieleider De Vries. Nijpels' stijl - buitenbeen in de coalitie - was een voorafschaduwing van Bolkestein, maar inhoudelijk en tactisch veel zwakker.

Zijn eigen fractie ergerde zich al gauw aan zijn bazigheid, gecombineerd met een elementair gebrek aan politieke ambachtelijkheid. Later begon hij zelfs fractiegenoten met het einde van hun politieke carrière te bedreigen. De neergang ging snel toen hij vice-premier Van Aardenne beschermde in de RSV-affaire. Overigens tegen zijn zin, want Wiegel (niet minder over zijn graf meeregerend dan Romme destijds) nam het op voor de oude garde.

Aan het eind van de periode was de onervaren partijleider bijna de knecht van Lubbers en het CDA, dit tot groeiend verdriet van zijn fractie en de VVD-leiding. Hij werd wel spottend 'het geweten van Ruud' genoemd. Vooral Nijpels' nederlaag bij de euthanasiewetgeving was smadelijk. Na beroerde verkiezingen ('86) werd hij een dag later - vooral door krachtig optreden van Bolkestein - gewipt als leider.

Onder het kabinet Lubbers II (met een veel sterker CDA) deed de VVD aan duolisme, een soort dualisme met twee leiders: de keurige 'sociaal-liberale' Voorhoeve als fractieleider en vice-premier De Korte. Van het prestige van de laatste werd door Lubbers met spoed gehakt gemaakt. Voorhoeve werd de echte leider, maar ook geen geweldige.

Hij weerstond een kwaaie Lubbers enkele malen in de Kamer, onder meer bij het wegzenden van VVD-minister Van Eekelen wegens het frauduleuze nieuwe paspoort. De sfeer tussen kabinet en VVD-fractie was slecht geworden, hoewel ook CDA-fractieleider De Vries steeds eigenwijzer werd tegen de wel erg monistische en regelzuchtige Lubbers. Voorhoeve werd een liberaal kabinetbreker, maar een Schmelzer was hij niet. Hij wist dat de breuk ('89) over het reiskostenforfait moeilijk uit te leggen was, ondanks het lawaai van Wiegel in De Telegraaf.

Maar in een ontijdige fractievergadering op zaterdagmorgen nam hij te weinig initiatief. Daar werd in feite - met hevige tirades tegen het CDA - een crisis afgesproken die eerder Lubbers zou helpen en de VVD meer verdeeldheid opleverde (Neelie Smit-Kroes). Dit gekluns - wie crisis maakt moet het goed doen en kunnen uitleggen - kostte Voorhoeve in een jaar het leiderschap.

Bolkestein, de man die zo mooi kan fulmineren tegen de Jan Saliegeest in Nederland - ook in het met de VVD altijd zo bevriende bedrijfsleven - en die een De Gaulle voor Nederland wenselijk acht (vermoedelijk ook als die Bolkestein heet), deze nieuwe leider begon onwennig als opposant. Maar hij leerde snel bij en vanaf '93, toen de CDA-top echt begon te disfunctioneren, rees zijn ster.

Hij is, als Wiegel, sterk op het nationale podium en hangt in de coalitie buitenboord, ondanks het voor de VVD gunstige regeerprogram. Anders dan Romme, Nolens en Schmelzer, is hij minder geïnteresseerd in het handhaven van evenwicht in het politieke midden en in stille machtsuitoefening achter de schermen. Het beleidsgepriegel in een coalitie zal hem eerder vervelen. Hij is de man van grote thema's, grote discussies en klare lijnen. En van straf rechts beleid. Eerder Colijn dan Romme.

Hij maakte een succes van zijn positie - partijleider èn regeringsfractieleider - waar Nolens en Romme met minder glamour hun grote macht slechts handhaafden. En waar Schmelzer, Rietkerk, Nijpels en Voorhoeve faalden.

Maar deze vergelijking met vooral Nolens en Romme is aanvechtbaar. Die hakten met dat bijltje in decennia, terwijl Bolkestein nog maar driekwart jaar bezig is en dan nog in een onwennige coalitie van een nieuw (CDA-loos) type. En die het dualisme als - nog ietwat lusteloos hangende - vlag koos.

Bolkestein heeft in die korte tijd op verbaal uitgekiende wijze gebruikgemaakt van zijn vrije positie en van de schuchterheid van de coalitiepartners D66 en PvdA. Die waren al blij genoeg met respectievelijk paars en het premierschap. Maar bij de Statenverkiezingen van 8 maart bleek dat zulks niet automatisch kiezers trekt.

PvdA-fractieleider Wallage zei die avond dat Bolkestein mooie discussies houdt en uitlokt. Maar wat leveren die op voor het concrete regeringsbeleid? De suggestie was duidelijk: Bolkestein is weliswaar nationaal gespreksleider en provocateur geworden (soms riskant, zoals bij raciale thema's) maar voor het gewone degelijke handwerk van het regeren heb je daaraan, en aan hem, geen bal.

Het was een sterke tegenzet van Wallage met slechts één nadeel: het kwam weken te laat, want pas na het sluiten van de stembus. Sindsdien probeert de PvdA - wakker geschud - socialer te lijken (of te zijn) dan in de vorige periode kon. En ook Wolffensperger doet zijn wanhopige best zijn fletse imago wat op te sieren. Overigens staat D66 op de nominatie voor de grootste klappen bij verkiezingen.

Bolkesteins truc van vrijgevochten regeringsfractieleider moet de echte test nog ondergaan. De coalitie moet nu voor het eerst een eigen begroting maken en komt bij allerlei kwesties in woeliger water. Temeer als de PvdA echt een sociale wending aan het beleid zou willen geven.

Bovendien is allerminst zeker dat Bolkestein en de VVD zo goed blijven afsteken bij anderen. Misschien krabbelt het CDA ooit weer op en begint dan te verdienen aan de liberale concessies die terwille van het regeren toch nodig zijn (dualisme is maar een vinger lang). En PvdA en D66 zullen niet meer zo slaperig blijven als ze voor 8 maart waren.

Over de ambities van Bolkestein zijn de meningen verdeeld. Sommigen, met name in de VVD, denken dat hij het liefst als parlementariër zijn huidige levensstijl voortzet. Anderen verwachten dat hij een kans om als premier (met het CDA) De Gaulle na te bootsen, niet zal laten lopen. Daarbij is niet zeker dat hij - ondanks zijn succes - sterk blijft staan in de VVD, waar Wiegel in de Senaat akelig dichtbij is gekomen.

Feit is wel dat Bolkestein als regeringsfractieleider snel een reputatie heeft gevestigd die hem in de rijen van Nolens en Romme plaatst. Van de huidige politieke leiders lijkt hij de meeste potentie te hebben, ook qua karakter. 'Roem verwerven slechts zij die er naar haken', schreef De Gaulle.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden