Bohémien Hrabal schrijft damesroman

Een 'damesroman' noemt Bohumil Hrabal het eerste deel van de trilogie over zijn leven, en daar kijk je van op....

Damesromans zijn er bij tienduizenden geschreven. Als moeder indertijd op de Libelle of de Margriet geabonneerd was, dan werd ze van tijd tot tijd door de bladenman verleid om ook één van zijn prachtige, kloek-gebonden boeken af te nemen. Damesblad en damesroman gingen hand in hand. Zowel blad als boek bood vrouwen in het televisieloze tijdperk zo'n beetje alles wat ze in hun tamelijk gewone, om niet te zeggen saaie leven ontbeerden.

In de romans was sprake - ik weet het, want ik las ze haast nog eerder dan mijn moeder - van veel romantisch avontuur, van onstuimige minnaars - die steevast niet de femme fatale die hen belaagde, maar het eenvoudige lelijke eendje dat zich zo bescheiden op de achtergrond hield tot vrouw namen - en vooral van een wereld zonder zorgen, geldgebrek en de maandagse was.

Worden ze nog geschreven, de èchte damesromans? Ongetwijfeld, maar voorzover ik er nog wel eens iets van zie (in het vakblad van de Amerikaanse uitgevers worden ze nog wekelijks paginagroot geadverteerd), hebben ze, aangepast bij de populaire series op de televisie, een gedaanteverandering ondergaan waardoor ze meer op The Bold And The Beautiful zijn gaan lijken dan op de droomfabriek van Hedwig Courths-Mahler.

Wat, zult u zich afvragen, heeft Bohumil Hrabal met dit alles te maken? Niets zou ik zeggen, behalve dan dat hij op zijn boek Trouwpartijen het etiket 'damesroman' heeft geplakt en ik me afvraag of de lezende vrouwen van vandaag - die nog steeds een geheel eigen categorie vormen, zoals uitgevers weten - hem evenzeer weten te waarderen als de mannen die mij van tijd tot tijd kond doen van hun mateloze bewondering voor hem, die gekke Hrabal.

De afgelopen jaren zijn er door toedoen van Kees Mercks flink wat van zijn boeken in Nederlandse vertaling verschenen. Ik noem Gekortwiekt; Ik heb de koning van Engeland bediend; Het stadje waar de tijd stil is blijven staan; Al te luide eenzaamheid en De tedere barbaar, bijzondere boeken, waarin Hrabal op zijn geheel eigen wijze het leven en de geschiedenis van Midden-Europa, met Praag als middelpunt, heeft weten te vangen. In Trouwpartijen blijft hij op dit vertrouwde terrein, met dit verschil dat hij het nu zonder omwegen over zijn eigen leven heeft, over wat hijzelf in de naoorlogse jaren in Praag heeft meegemaakt, de tijd van het communisme.

Zonder omwegen? Hrabal zou Hrabal niet zijn als hij bij deze onderneming niet opnieuw zijn vermogen om zich in een ander te verplaatsen volledig had uitgebuit. Die ander is een vrouw, haar foto staat voorin in het boek. Zij heet Eliska, of Pipsi en zij is degene die op haar manier - met haar eigen 'grillige zinsbouw en interpunctie' - vertelt over doctor Hrabal, die zij op een dag in zijn huis in de Praagse wijk Liben de vloer ziet schrobben, nadat hij - zo blijkt alras - wéér een avond met zijn vrienden hevig heeft doorgehaald en geteisterd wordt door een kater, die zulke 'trouwpartijen' altijd ten gevolge hebben, niet helemaal tot zijn verdriet, omdat juist katers hem het lucide vermogen schenken de surreële werkelijkheid van zijn land en stad in een helder licht te zien.

Hrabal is een bohémien. Met zijn vrienden Vladimír Boudník en Egon Bondy - hij schreef over hen in De tedere barbaar - werd hij tot de laatste bohémiens van Praag gerekend, en de onbekommerde, somwijlen tamelijk onthechte sfeer, die het leven van de ware bohémien kenmerkt, is ook te proeven in het verhaal dat hij in Trouwpartijen Eliska laat vertellen.

Als zij meer en meer in zijn gezelschap komt te verkeren, en hem zo goed leert kennen dat een verliefdheid niet uit kan blijven, begint zij te beseffen dat de poëtische levenshouding van de doctor - zoals zij hem noemt; Hrabal is doctor, in de rechten - in het communistische Bohemen een zeldzaam teken van leven is.

Doel van Trouwpartijen is duidelijk de lezer meer inzicht te verschaffen in het karakter van de man, die hier zijn autobiografie schrijft, en dat lukt via de omweg van de liefdevolle blikken die Pipsi op hem werpt wonderwel. Zonder overdrijving kun je zeggen dat dit boek de liefde van die twee zo mooi laat zien, omdat Hrabal Pipsi voor hem (voor hen) laat spreken. Wie wil weten hoe het afloopt, kan gerust zijn. Als in een echte damesroman krijgen ze elkaar, maar vraag niet hoe (Bert Bakker, ¿ 39,90).

Het zal wel toeval zijn, maar alle àndere boeken die ik deze week las, hebben een uitgesproken feminiene toets. Hermine de Graaf schreef De weg naar het pompstation; Charlotte Mutsaers Paardejam; Hermine Landvreugd Margaretha bleef het langst liggen; Sibylle Mulot Buren en Kathryn Harrison Gif.

Ik kan daar Truus de nachtmerrie en andere verhalen van Henriëtte van Eyk, plus de studie van Lucy Th. Vermij over Henriëtte van Eyk (Een literaire clown; leven en werk van Henriëtte van Eyk) aan toevoegen, maar dan moet ik er wel bij zeggen dat deze uitgaven in de reeks 'Erf goed' van de uitgeverij Vita al vorig jaar het licht zagen (en dus misschien niet meer in de boekhandel te vinden zijn).

Over Henriëtte van Eyk, een tijdlang de vriendin van Simon Vestdijk, hoef ik oudere lezers niets te vertellen. Die kennen haar en haar humoristische verteltrant, waarvan door de literatuurhistorici De Vooys en Stuiveling in 1966 (in hun Schets van de Nederlandse letterkunde) nog werd gezegd: 'Bij Henriëtte van Eyk begint de moderne Nederlandse humor en komt er onmiddellijk tot een hoogtepunt.' Me dunkt.

Wat grijp je als eerste, als je zo'n stapel vrouwenboeken voor je ziet? Ik aarzelde geen moment: Paardejam natuurlijk. Na Rachels rokje ben ik Charlotte Mutsaers anders gaan zien. Ik hield al van haar werk (ook haar beeldende kunst), maar die roman vond ik zo goed dat ze me nog dierbaarder geworden is. Als je het schuldgevoel waaronder iemand gebukt gaat - mede door de oorlog en de naweeën daarvan - zo trefzeker weet te pakken als Mutsaers doet in Rachels rokje, dan kun je als schrijver veel.

Paardejam sluit niet aan bij die roman. Het boek is net als Kersebloed uit 1990 weer een verzameling 'opstellen' waarin het plezier om wat er voor een aandachtige kijker en lezer in de wereld om je heen te ontdekken valt, ongeneerd, laconiek en speels wordt uitgedragen. Het enthousiasme van Charlotte Mutsaers is heel aanstekelijk. Ik denk dat dit komt doordat zij zich (schijnbaar) aan niets en niemand iets gelegen laat liggen en heel sensibel - maar nooit sentimenteel - juist in wat weerloos lijkt onvermoede krachten ziet gisten (Meulenhoff, ¿ 39,90).

Hermine Landvreugd, een vertegenwoordigster van de jongste generatie schrijvers, komt na Het zilveren theeëi met twee verhalen, die zowel het dirty realism van de grote stad als de broeierige verveling van een Nederlands waddeneiland omvatten (als ik me niet vergis komt Landvreugd van Texel). Haar boek is genoemd naar het eerste verhaal: Margaretha bleef het langst liggen. Dat verhaal gaat over een studente, die buiten haar colleges semiotiek om in de bar van een schietclub werkt. Neonazistische skinheads behoren er tot haar clientèle. Met een van die treurige figuren gaat ze na het werk mee.

Marlow noemt de bink die haar meeneemt zich heel stoer (later blijkt dat hij Marlon heet) en hij wil haar neuken, wat haar geenszins tegen de borst stuit. Het wordt onder een ballon, die tot een hakenkruis is geknoopt, een tamelijk smerige toestand, des te meer nadat een padvindertje zich heeft gemeld - met zijn collectebus - en gedwongen wordt aan het moderne leven in Marlow's flat mee te doen. De sfeer van The Young Ones leek mij, als u dat wat zegt.

In het tweede verhaal, 'Laatste boot half tien', is Landvreugd wat minder 'modernistisch' (verward en grillig) aan het vertellen en lijkt ook het onderwerp haar meer aan het hart gebakken te zijn dan die wel erg geforceerde voorstelling van het eigentijdse grotestadsleven. In 'Laatste boot half tien' gaat het om een pubertje op een van de eilanden. Tussen de eenvoudige dorpsbewoners is een Poolse komen wonen en de vijftienjarige Marc Rieteco - die denkt dat zij een hoer is - zoekt haar op. Tussen hen ontkiemt een merkwaardige, fragiele en (voor de lezer) ontroerende vriendschap. De schrijfster verbindt déze verhouding met Marc's andere contacten, met zijn ouders, het dorp, en vooral met zijn waanwijze vriend Job, die spijbelt om de denkers van de Frankfurter Schule te lezen en ervan droomt om net als Che Guevarra per motor door Latijns-Amerika te trekken (De Bezige Bij, ¿ 29,50).

Ook Hermine de Graaf is haar carrière als schrijfster op het overzichtelijke terrein van de puberteit begonnen en dat leidde tot mooie verhalen. Inmiddels mag zij met vele verhalenbundels, de novelle De regels van het huis en de romans Stella Klein en Alleen de heldere uren een gevestigd schrijfster heten, maar haar werk wordt er niet beter op. Haar jongste roman, De weg naar het pompstation, vond ik zeker in stilistisch opzicht nogal moeizaam en ook haar poging om spanning te creëren - doordat haar hoofdpersoon in de waan verkeert dat zij door haar familie is vergiftigd - vond ik niet bijster geslaagd. Haar hoofdpersoon, Judith Appelman, is, zo begrijpen we uit haar eigen herinneringen aan thuis, altijd een buitenbeentje geweest op de hoeve, die haar vader, werkzaam bij de Gasunie, in het noorden des lands had gekocht, toen haar moeder nog hakkebord speelde in een zigeunerorkest. Op haar zeventiende kreeg Judith een dochter (van een domineeszoon die ook haar andere zussen probeerde te versieren), maar dat mocht de buitenwereld niet weten. Het kind ging verder door het leven als 'een nakomertje' van de ouders. Maar het meeste kwaad stichtte Judith toen ze, maatschappij-kritisch als ze geworden was, haar vader verried. (Meulenhoff, ¿ 32,90).

De Duitse Sibylle Mulot is iemand die in haar roman Buren over een stadje in de Vogezen waar het oorlogsverleden maar niet begraven kan worden alle tijd van de wereld lijkt te hebben, zonder dat haar verteltrant die omslachtigheid rechtvaardigt. Het verhaal komt pas enigszins op gang als Renée Pasteur in navolging van haar moeder vragen gaat stellen bij de nooit opgehelderde dood van haar vader, die zou hebben gecollaboreerd en door de maquis zou zijn vermoord (vertaald door Gerrit Bussink, Balans, ¿ 37,50).

Zulke romans wekken de indruk meer uit behoefte aan een nuttige tijdsbesteding dan uit literaire noodzaak geschreven te zijn, zoals ik ook vond van het dikke boek Gif van Kathryn Harrison, een historische roman, die zich in het zeventiende-eeuwse Spanje afspeelt met - je leert er veel over - de zijdeteelt als belangrijk onderwerp. Gif (vertaald door Marijke Emeis, Meulenhoff, ¿ 45,-) zou ik, met al die prachtige romantiek van de Inquisitie en vrouwen wier seksualiteit wordt onderdrukt, met een gerust hart een moderne, dikke damesroman willen noemen, die zó met de bladenman van de Margriet of de Libelle mee kan.

Ze zijn er dus nog.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden