Boetedoening? Dat is iets voor de anderen

Dat de oorlog in Indonesië 'fout' was, wil niet zeggen dat de dienstplichtigen ook fout waren.

De bekentenis van Indiëveteraan Harrie Nouwen dat hij te zien is op een van de foto's van standrechtelijke executies in voormalig Nederlands-Indië die vorig jaar opdoken, heeft Nederland opnieuw op de pijnlijkste feiten uit het recente verleden gedrukt.


Deze bekentenis wint aan belang tegen de achtergrond van de twee voormalige Indië-dienstweigeraars die, indertijd met ettelijke jaren gevangenis gestraft, recent een verzoek om rehabilitatie hebben ingediend.


Nederland staat vanouds vooraan om van andere landen permanente boetvaardigheid en de vertaling daarvan in klinkende munt te verlangen - of het nu Duitse Wiedergutmachung of de Stichting Japanse Ereschulden betreft - maar achteraan als het de erkenning van eigen moreel falen of eigen wandaden betreft. Dat gold nog voor Srebrenica, waar de verantwoordelijke commandant Thom Karremans na afloop promotie kon maken, en de gecapituleerde Dutchbatsoldaten later uit handen van toenmalig Defensieminister Henk Kamp een herdenkingspenning ontvingen. Het vormt zonder twijfel een unicum in de Europese krijgsgeschiedenis van de afgelopen tweeduizend jaar: een medaille voor een militair debacle.


Dienovereenkomstig werden de Bosnische weduwen jarenlang uit Den Haag weggehouden omdat hun komst te pijnlijk zou zijn - niet voor de nabestaanden van hen die waren vermoord, maar voor de soldaten die de vermoorden hadden moeten beschermen. En zelfs voor het uitleveren van de familie van de tolk aan de bende van Mladic ontkent de Nederlandse staat nog hardnekkig elke aansprakelijkheid.


Dat Nederland intussen wel schoorvoetend het eigen slavernijverleden onder ogen durft te zien, is vooral omdat intussen zelfs de kleinkinderen van de laatste slaven en de laatste slavenhouders het tijdige met het eeuwige verwisseld hebben, zodat die confrontatie niet meer zo pijnlijk is en voor de schatkist geen financiële consequenties zal hebben.


Anders ligt dat bij Indonesië. Decennialang werd de politiek gegijzeld door oud-Indiëgangers, die elk kritisch zelfonderzoek wisten te blokkeren. Nog in de jaren negentig bezweken CDA en VVD uit electorale motieven voor hun druk door voormalig deserteur Poncke Princen de toegang tot Nederland te ontzeggen. In 1995 mocht koningin Beatrix van de VVD niet de vijftigjarige herdenking van het uitroepen van de Indonesische onafhankelijkheid bijwonen - zij arriveerde pas kort daarna. Den Haag bleef hardnekkig vasthouden aan de officiële soevereiniteitsoverdracht van 1949 als het cruciale moment. Dat is alsof niet de Acte van Verlathinge van 1581, maar de Vrede van Westfalen van 1648 als de geboorte van de Nederlandse Republiek zou worden gezien.


Pas Ben Bot kon als minister van Buitenlandse Zaken in 2005 eindelijk erkennen dat Nederland indertijd aan de foute kant van de geschiedenis was beland. De nog steeds gangbare term 'politionele acties' voor de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog is veelzeggend: het verzet tegen de Nederlandse overheersing werd bij ons niet gezien als een taak voor de politiek, maar voor de politie. Wij voerden ginds dan ook geen oorlog, maar handhaafden slechts de orde. Wel, de orde handhaven: dat deed de hertog van Alva in 1568 ook.


Nog steeds bestaat bij het grote publiek, onder invloed van generaties nostalgische tempo-doeloe-verhalen van oud-Indiëgangers, een vrij rozig beeld van het Nederlandse optreden in de Oost, bestuurlijk zowel als militair - ondanks Multatuli en menig gedegen historisch onderzoek. Als er weer nieuwe bloederige details bekend worden, komt dat steevast als een schok, omdat de ginds begane wreedheden niet met ons gangbare nationale zelfbeeld van brave burgers sporen. Maar de omstandigheden waaronder nog in het Interbellum de koelies op sommige Javaanse plantages moesten werken, verschilden niet veel van slavernij.


De 'pacificatie' van Atjeh door Van Heutsz - 'daar werd iets groots ver-richt', aldus de officiële lofprijzingen nog lang nadien - deed in barbaarsheid niet onder voor soortgelijke acties van de Spanjaarden in Latijns-Amerika, wier paapse wreedheden sinds lang tot de vaste historische canon van godvrezend protestants Nederland behoorden.


Toen de historicus Herman Langeveld in 1998 in zijn biografie over Colijn uit de doeken deed hoe ook hij bloed aan zijn handen had, was de verontwaardiging over de 'besmeuring' van de grote voorman in antirevolutionaire kring groot. Maar al in 1895 hield de Duitse dichter Theodor Fontane, naar aanleiding van een door Nederlandse troepen aangericht bloedbad onder Balinese vrouwen, inzake de gangbare koloniale mengeling van inhalige koopmansgeest, ploerterige cultuurbarbarij en missionaire hypocrisie een onbarmhartige spiegel voor. Nadat de laatste dorpeling door de kolonisator was afgeslacht, besloot Fontane zijn ballade kort, maar afdoende: 'Mynheer derweilen, in seinem Kontor, malt sich christlich Kulturelles vor'.


Na de Japanse capitulatie in 1945 was dat, toen de Indonesiërs weigerden onder het Nederlandse gezag terug te keren, weinig anders - zowel wat de ethische pretenties als de militaire facts on the ground betreft. Aan beide kanten werden tegenover de burgerbevolking gruwelijkheden begaan die zonder meer in de categorie 'oorlogsmisdaden' thuishoren -maar dus zeker ook aan Nederlandse kant, en de Nederlandse erkenning daarvan is altijd zeer halfhartig gebleven.


Ook in het geval van Rawagede kwam die tandenknarsend, en de financiële Wiedergutmachung vervolgens maar mondjesmaat. De grootste bandiet, kapitein Raymond Westerling, belandde indertijd niet achter de tralies, maar kreeg van de rijksoverheid een studiebeurs om zich in de zangkunst te bekwamen.


De oorlog die Nederland van 1945 tot 1949 in Indonesië voerde was niet alleen een foute oorlog, maar deels ook een smerige oorlog - zoals de meeste oorlogen onvermijdelijk worden als het hard tegen hard gaat.


Dat betekent dat de dienstweigeraars van toen het morele gelijk aan hun kant hadden, en de Nederlandse overheid eindelijk eens ruiterlijk tot hun rehabilitatie zou moeten overgaan. Dat heet nu te pijnlijk voor de (nabestaanden van de) Nederlandse dienstplichtigen die wel zijn gegaan of zelfs ginds zijn gesneuveld - alsof hun iets te verwijten zou zijn: zij moesten immers wel gehoorzamen teneinde niet zwaar gestraft te worden. Dat klopt, zolang zij althans persoonlijk geen oorlogsmisdaden hebben begaan.


Als bevel bevel is, dan moet dat natuurlijk ook in het geval van Duitse Wehrmacht als geldig excuus voor persoonlijke deelname aan de inval in Nederland op 10 mei 1940 worden erkend. Bijvoorbeeld op 5 mei. Ook Duitse dienstplichtigen vochten noodgedwongen de foute oorlog, zonder dat zij daarvoor persoonlijk aansprakelijk gesteld kunnen worden. Ook zij hadden geen keus. Sterker: zij hadden die nog veel minder dan de Nederlandse. Bij weigering wachtte hun namelijk niet de cel

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden