Boerenkoolkust met specerijenparadijs

Nederlanders die Indonesië aandoen, bezoeken zelden de specerijeneilandjes waar het hun voorouders om ging en die Holland rijk maakten. Sinds kort vaart
de sierlijke tweemaster MatahariKu de route van de VOC.

Vanaf het land komt tromgeroffel, in de hete lucht hangen scherpe geuren, op de waterspiegel drijven uit één stam gesneden kano's, korakora's. Wie aanleg heeft voor nostalgie, vindt Ambon niets veranderd. Als je het plastic afval wegdenkt, zie je wat onze voorouders moeten hebben gezien in het jaar des heren 1599. De tropische zee is net zo lichtblauw. Het eiland in de verte heeft nog steeds het silhouet van een stronk boerenkool, de groente van de jongens van de gestampte pot.


De Molukse archipel in de Oost-Indische wateren: boerenkooleilanden. In 1599 waren de Hollandse schepen snel omringd door korakora's met trommelende inzittenden. Een Ambonese voorman klom aan boord: wat komen jullie hier doen, witte vreemdelingen? 'Wy vertelden dat wy daer ghecomen waren om onsen Coophandel te dryven', zo meldt het scheepsjournaal.


Wat komen wij hier doen, 414 jaar later? Wij komen kijken naar de overblijfselen van onsen Coophandel, naar tropische eilandjes die de meest begeerde ter wereld waren, die specerijen voortbrachten die alles op smaak konden brengen en bijna alle ziekten konden genezen, eilandjes die een drassig gebied aan de Noordzee puissant rijk maakten en een Gouden Eeuw bezorgden. Kruidnagel, foelie en nootmuskaat: een drie-eenheid als geloof, hoop en liefde.


Later, toen de gewassen ook elders bleken te kunnen groeien, verloren de specerijeneilandjes hun betovering en verwerden ze tot de marge van Nederlands-Indië. Het Indonesië van nu is een populaire Nederlandse reisbestemming, de eilandjes in de oostelijke wateren waar het allemaal om begon, bezaaid met Hollands cultureel erfgoed, worden weinig aangedaan: ze zijn nauwelijks makkelijker te bereiken dan in de dagen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.


Maar nu vaart in het kielzog van de VOC de MatahariKu, een sierlijke tweemaster die, net als de illustere danseres, haar naam ontleent aan het Indonesische woord voor zon. Aan boord is plaats voor tien passagiers die de oorsprong van Hollands welvaren willen leren kennen.


In alle vroegte gaat de MatahariKu voor anker voor de boerenkoolkust van noordelijk Ambon. Onder een oude mangoboom kijken vrouwen en kinderen naar witte mensen die in sloepjes het schip verlaten. Wat denken zij? De Hollanders komen terug? De lucht is vochtig, het asfalt nat van een stortbui. Kaitetu heeft enkele honderden inwoners, enkele tientallen brommers, een moskeetje van bamboe uit 1414 en een fors stenen bouwwerk van Hollandse makelij. Dit is Benteng (fort) Amsterdam, AD 1637.


Wanneer is Fort Amsterdam voor het laatst bezocht? De mannen in het dorp weten het niet. Feit is dat het hek op slot zit en geen mens een sleutel heeft. Een hamer hebben ze wel, tien minuten lang slaan twee mannen erop los. Als het slot openbarst, krijgen nakomelingen van het VOC-volk toegang tot een vesting met meters dikke muren. Binnen heerst een duisternis waarin vleermuizen zich goed voelen. Door diepe vensters vallen strepen licht naar binnen, aan de ene kant is het blauw van de zee, aan de andere het groen van een bananenplantage.


Atus Lumeela is een vriendelijke vijftiger die zich per brommer door Kaitetu verplaatst, kinderen koranonderwijs geeft en een aardig woordje Nederlands spreekt - dankzij familie in Waalwijk die af en toe langs komt. Ach, zegt hij, zelfs elementaire woorden in zijn moedertaal hebben een Nederlandse oorsprong. Neem de uitlaat van zijn brommer, dat is de 'knalpot'. 'Pas op dat je je been niet aan de knalpot brandt!'


Lumeela is blij met het onverwachte bezoek. 'Jullie hebben hier gezeten, jullie mogen hier terugkomen. Het is allemaal lang geleden.' Daarna praat hij over een tragische geschiedenis die minder lang geleden is, de strijd tussen tussen christenen en moslims die op de Molukken woedde, een strijd die Kaitetu van christelijke inwoners beroofde en Ambon van een bescheiden stroom toeristen. 'Het was allemaal vuile politiek, ik houd van christenen', zegt Lumeela. 'Het zou goed zijn voor Kaitetu als er weer Hollandse schepen komen. Schrijf maar op dat het hek van Benteng Amsterdam nu open is.'


Benteng Amsterdam, Benteng Beverwijk, Benteng Hoorn... Honden markeren territoria met plasjes, de Portugese, Engelse en Hollandse handelaars die een paar eeuwen terug de wereldzeeën afstruinden op zoek naar specerijen, bouwden forten. Behalve op Ambon liet de VOC op alle zustereilandjes zien wie de baas was over de kruidnagelhandel. Op het eiland Haruku liggen de overblijfselen van Fort Nieuw-Zeelandia, waar kinderen spelen op roestbruine VOC-kanonnen. De prachtige citadel van Fort Duurstede, op het eiland Saparua, laat zich onder een wolkenloze hemel al vanaf zee herkennen.


Opvarenden van de MatahariKu duiken even de warme koraalrijke zee in. Een paar eeuwen geleden zouden er nu Hollandse kogels in het water plonzen. In Fort Duurstede staan de VOC-kanonnen nog steeds op zee gericht, klaar om Portugezen en Britten aan flarden te schieten.


De zon brandt, in de hete lucht van Saparua hangt de walm van het suikerrietdestillaat arak. Als we afgaan op prenten, legden onze voorouders ook hier hun zwarte gewaden met 17de-eeuwse kragen niet af. Van het draagcomfort in die Odorex-loze tijden wil je je geen voorstelling maken. In de middaghitte roeren zich alleen honden en Hollanders, wist de lokale bevolking.


Vlak bij Fort Duurstede staan kokospalmen en huizen waar kenners de Nederlandse oorsprong aan afzien. Let op overlappende daken, deurpanelen en sierlijk gedecoreerde gevels. Aan de andere kant van een dicht regenwoud staat nog meer Hollandse bouw, in het schitterende dorp Booi: lange trappen lopen omlaag tot aan de zeespiegel, orchideeën versieren raamkozijnen. Uit een van de open ramen horen we een kind op een mondharmonica een bekende melodie oefenen, die van het Wilhelmus.


Zouden kinderen op de Banda-eilandjes, 140 kilometer zuidelijker, ook het Nederlandse volkslied spelen?


Van de Banda-archipel haalden onze voorouders hun nootmuskaat. 392 jaar geleden verwierf de VOC er het nootmuskaatmonopolie - na een daadkrachtig optreden van de Hollandse held Jan Pieterszoon Coen dat we in onze tijd genocide zouden noemen.


Nootmuskaat: het was vroeger voor zoveel meer nodig dan alleen speculaas - in de 17de eeuw hielp het tegen maagklachten, winderigheid, diarree, steenpuisten en wat al niet meer. Om de noten zat een rood vlies, foelie, dat ook een kostbaar ingrediënt en geneesmiddel was, lustopwekkend bovendien. De vruchten die deze substantie in hun binnenste droegen, groeiden destijds maar op één minuscuul groepje vulkanische eilandjes. Op de Banda-eilanden was de bodem vruchtbaarder dan waar ook, alleen híer stonden reusachtige kanariebomen die de nootmuskaatbomen voldoende schaduw schonken.


Na een dag op een kalme zee zien we de contouren van de vulkaan die het hart van de Banda-archipel vormt, opdoemen in de zonsondergang. De zwart geworden lavastroom van de laatste uitbarsting, 1988, verdwijnt in zee. Verderop boezemen de kanariebomen nog steeds ontzag in. Op het eerste eilandje waar we aan land gaan, ligt de koopwaar waar het allemaal om begon meteen op straat. Handdoeken kleuren bruin van nootmuskaat en rood van foelie. 'Coca-Cola!', roept een vrouw die mij een handje foelie toewerpt. Dat is geen grapje: een kwart van de Indonesische foelieproductie wordt afgenomen door de Verenigde Staten. Dat er foelie in cola zit, ruikt iedereen die het goedje naar zijn neus brengt.


Kinderen dansen op straat in schooluniformen, de ontvangst is allerhartelijkst, snorkelaars verkennen koraalriffen die als de mooiste ter wereld gelden. In 1599 ging dat allemaal heel anders. De Hollandse schepen werden toen omsingeld door korakora's met krijgers met spiesen.


Tussen de Coophandelaers en de Bandanezen boterde het niet. De bevolking dreef de prijzen van de nootmuskaat op en besprenkelde de foelie om die zwaarder te maken en er meer voor te beuren. Het Hollandse scheepsjournaal vond dit volk 'bedriegelyck ende onbeschaempt'. In 1600 keerden 'ryckelyck gheladen' schepen terug in het vaderland. Zoveel nootmuskaat hadden ze nog nooit gezien: 'Men luyde van blydtschap alle Klocken!'


In de vochtige lucht van Banda Neira, de grootste nederzetting van de archipel, galmt een gebedsoproep uit een minaret. Vlak daarbij ligt een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van Jan Pieterszoon Coen. In Hoorn heeft hij een standbeeld, in Banda Neira heeft hij een marmeren genocidemuur. (De tekst bij het standbeeld is in 2012 na protesten aangepast.) Vóór Coen in 1617 de leiding kreeg over de VOC, was hij al tweemaal op de Banda-eilanden geweest, waar hij zich had geërgerd aan de vijandigheid van de bevolking en hun gebrek aan enthousiasme voor Hollandse ruilmiddelen als wol.


In mei 1621 ging Coen over tot 'tuchtigen', met hulp van Japanse samoerai die tegen betaling volop hoofden afsloegen. Coens superieuren in Amsterdam bereikte het nieuws over de slachting pas maanden later: 'Wy hadden wel gewenst, dattet met gematichder middelen hadde connen beslist werden.'


In de hoofdstraat van Banda Neira ligt een donker historisch museumpje dat enigszins muf ruikt. Aan de muur een schilderij van medio 1950 waarin een lokale schilder de massamoord verbeeldt. Samoerai hanteren het mes, Coen slaat het goedkeurend gade. Het museum bezit ook een koffergrammofoon die een charleston speelt, munten met de beeltenis van koning Willem II, biljetten van de Javaansche Bank en andere parafernalia uit de goeie ouwe Indische tijd. Vergeet dat ene nare schilderij en dit wordt een Nostalgisch Museum.


'De Nederlanders hebben mooie en minder mooie dingen voor de Bandanezen gedaan', zegt Bandanees Ayem Nasruli (32), die zich graag diplomatiek uitdrukt. Nasruli studeerde Engelse literatuur op Sulawesi, kan als onderwijzer geen droog brood verdienen en praat bezoekers graag bij voor wat bankbiljetten. Hoe meer bankbiljetten, hoe groter de kans dat hij een keer een echtgenote vindt. 'No money, no honey, weet je wel.'


Over een rimpelloze zee vaart de MatahariKu verder naar de kleinste eilandjes van het nootmuskaatparadijs. Na de tuchtiging van 1621 moesten de Banda-eilanden opnieuw worden bevolkt, 'peupleeren', in het vocubulaire van de VOC. Bootgezellen van Coen kregen de leiding over de 'perken' met de bomen. Tot in de 20ste eeuw hielden nakomelingen van deze perkeniers toezicht op de nootmuskaatoogst. Van Perk Welvaren op het eiland Ai staat de prachtige poort nog overeind. Buitenmuren met onkruid zijn een indicatie dat perkeniers ruim woonden. In de overwoekerde tuin moet een Hollands graf flink worden geschrobd voor we het grafschrift kunnen lezen. Hier rust Paulus van den Broeke, ouderling, gouverneur en perkenier, overleden in 1754. Perk Welvaren is ter ziele, de nootmuskaatbomen zijn er nog, in de schaduw van de kanariebomen. De vrouwen en kinderen die de vruchten verzamelen, raden van een afstand al het land van herkomst van de vreemdelingen die het perk betreden: Belanda!


Belanda en Banda, ze hoorden bij elkaar. Om alle negen eilandjes onder controle te krijgen, ruilden de Nederlanders in 1667 hun Amerikaanse eiland Manhattan tegen het Banda-eilandje Rhun, 3 vierkante kilometer groot. Aan de kade van Rhun ligt tegenwoordig achter een steiger met korakora's een guesthouse: Manhattan 2.


Het begon vier eeuwen geleden, het eindigde pas 65 jaar terug. Rond 1900 hadden de Nederlandse autoriteiten de broeierige straten van Banda Neira nog verfraaid met prachtige huizen, in de art-nouveaustijl van die tijd. De gouverneursvilla was maar een paar decennia bewoond, de laatste Nederlandse gouverneur vertrok in 1950. We mogen er rondlopen door lege vertrekken met glimmende vloeren. Nog elke dag worden ze geboend. Waar de boenwas eindigt, begint een tropische tuin waar een overrijpe papaya bijna van de boom valt.


De nootmuskaat en de foelie van de Banda-eilanden gelden nog steeds als de beste ter wereld. Als de MatahariKu de Banda-eilanden verlaat, hebben de passagiers hun zakken met specerijen gevuld.


Dimsum Reizen organiseert de Molukken Specerijeneilanden bootexpeditie met de tweemaster MatahariKu. Tochten naar deze gebieden vertrekken op 27 oktober en 14 november 2014. Reken op 5.295 euro per persoon, inclusief vluchten.

dim-sum.nl

De historische citaten in het verhaal zijn afkomstig uit Gouden handel (Atlas, 1996) van Wim Wennekes.

AAN BOORD VAN DE ZONNESCHIJN

De MatahariKu (Zonneschijn) is een honderd procent houten schip, vervaardigd naar het voorbeeld van de klassieke Indonesische vrachtschepen, de pinisi. Het schip is een paar jaar geleden gebouwd op Sulawesi - Celebes voor de nostalgici - van oudsher het centrum van de Indonesische scheepsbouw. De MatahariKu is vervaardigd in retrostijl en beschikt over alle moderne voorzieningen. Hutten zijn er van de eenvoudige Cosy Cabin tot de luxe Master Cabin, die de bijnaam 'de honeymoonsuite' draagt. Chinees-Indische maaltijden worden 's middags gezamenlijk gebruikt op het bovendek, 's ochtends, 's avonds en bij tropische stortbuien wordt uitgeweken naar het overdekte benedendek. Wie 's nachts graag buiten slaapt, kan terecht op het bovendek waar ook jonge Indonesische bemanningsleden op een oor gaan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden