Column

Boeddhisten 'vergeten' slachtoffers seksueel misbruik

Column Elma Drayer

Leden van de Tibetaanse gemeenschap in de Laurenskerk (de mensen op de foto komen niet voor in het verhaal). Foto anp

Het boeddhisme, sinds een jaartje of veertig nogal in trek onder westerse zinzoekers, staat te boek als een sympathieke religie - of het nu gaat om zen of om een van de talloze andere varianten.

Dat komt ongetwijfeld doordat het geen godheid kent, laat staan een wrekende, almachtige. En doordat het, anders dan het monotheïsme, geen Heilig Boek met geopenbaarde waarheden heeft waarin de aanhangers dienen te geloven. Boeddhisten volgen simpelweg de leer van de Boeddha. Daarin draait het om loskomen van materiële beslommeringen, eerbied voor alle levende wezens en uiteindelijk verlichting. Zij doen, zo luidt de gedachte, geen vlieg kwaad. Boeddhisme en geweldloosheid gaan hand in hand.

Kleine bekentenis: zelf heb ik het westerse gedweep met het ideeëngoed nooit zo begrepen. In dat verband mag ik graag een uitspraak van (ik meen) de Nederlands-Vlaamse schrijver Benno Barnard parafraseren: boeddhisme lijkt me meer iets voor boeddhisten. Maar dat is niet de enige reden dat ik me over het imago verbaas.

Dat doe ik vooral omdat de feiten het lievige beeld nogal zouden moeten ondergraven. Zo maakten juist de Japanse zenleraren die later triomfen vierden in het Westen tijdens de Tweede Wereldoorlog op grote schaal vuile handen - met een beroep op de leer, welteverstaan. (Lees de boeken van de Australische zenpriester Brian Daizen Victoria, die hun 'morele blindheid' en hypocrisie voortreffelijk documenteerde.) Dat boeddhisten elders evenmin terugschrikken voor bloederig geweld zie je meer recentelijk in landen als Birma en Sri Lanka.

En ook overigens blijkt niets menselijks hun vreemd. Dit weekend onthulde het NOS Journaal dat minimaal drie alhier werkzame geestelijken zich de afgelopen decennia zouden hebben bezondigd aan seksueel misbruik. Op zichzelf al treurig genoeg. Nog treuriger is dat dit al jaren bekend was, ook bij koepelorganisatie Boeddhistische Unie Nederland. Toch verkoos het bestuur er in het openbaar over te zwijgen. Pas toen de NOS vragen ging stellen, kwam het in actie. In een recent rondschrijven heet het onderwerp 'bespreekbaar'.

Onderzoeksjournalist en praktiserend boeddhist Rob Hogendoorn (die met het NOS Journaal samenwerkte) wees erop dat die bespreekbaarheid nog interessant kan uitpakken. Volgens hem hebben 'minstens' zestien van de ongeveer veertig bij de unie aangesloten groepen een geestelijk leider die ooit in opspraak kwam 'wegens beschuldigingen van seksueel wangedrag'. Veertig procent, dus. Als dat klopt, dan doet het de schattingen over het percentage rooms-katholieke geestelijken dat zich vergreep (rond 5 procent) verbleken.

Ook andere boeddhistische clubjes, begrijp ik, hebben dankzij de NOS hun spraakvermogen hervonden. Zes leden van de raad van Nederlandse vipassanaleraren maakten in het Boeddhistisch Dagblad plotseling bekend dat hun geestelijk leider Phra Maha Theeraphan Mettavihari (in 2007 overleden) jarenlang misbruik pleegde. Het ging bij deze Thaise monnik, schrijven ze, 'om herhaald seksueel grensoverschrijdend gedrag met mannelijke leerlingen'.

Destijds waren er al klachten en geruchten maar daar 'werd verder niet over gecommuniceerd': de eerwaarde had namelijk laten weten dat hij inmiddels met zijn eerwaarde grensoverschrijdingen was gestopt. Pas in 2014 kwamen de leraren op het idee om serieus onderzoek naar de aantijgingen te doen. 'Dat maakte duidelijk dat de omvang groter was dan gedacht en dat mensen hier schade van hebben ondervonden.'

Beter laat dan nooit, wat u zegt. Maar zeven andere leden van de raad waren heel verdrietig over het schrijven van hun collega-leraren; het kwam tot een breuk. Zij achtten het namelijk 'niet zo essentieel' om de geestelijk leider daarin bij name te noemen. 'De aantasting van zijn naam', wisten zij, zou tot 'veel leed' leiden, 'vooral bij de Thaise gemeenschap in Nederland'. Bovendien, zoals een van hen tegen het Boeddhistisch Dagblad zei: 'Hij is al acht jaar dood, en kan zich niet meer verweren tegen (nieuwe) beschuldigingen.'

Fascinerend evenzogoed, dat deze brave lieden oprecht menen dat ze weg kunnen komen met de mantel der liefde - terwijl iedere kleuter weet welke desastreuze gevolgen die houding voor de rooms-katholieke kerk heeft gehad.

Het laat zien dat ze vallen in dezelfde valkuil. Het laat zien dat ze enorm veel oog hebben voor de belangen van het eigen instituut. En enorm weinig voor die van de slachtoffers.