Bodhgaya

Op het chaotische station van Gaya wijst niets op de nabijheid van het belangrijkste pelgrimsoord voor boeddhisten. In Bodhgaya trok prins Sid dhartha rond als asceet....

Bij aankomst van de expres uit Delhi is de drukte op het station van Gaya chaotisch. Ik weet me uit de trein te wurmen voordat de tegenstroom naar binnen onstuitbaar de overhand neemt. In de aangename geur van brandende bidi's drink ik op het perron een kop thee. In plaats dat het perron leegstroomt, is er een oproer. Ruziënde mannen, politie erbij, allemaal vanwege een gebroken theeglaasje. Er moet een regeling worden getroffen. Tenslotte haalt een man met theatrale verontwaardiging zijn portemonnee tevoorschijn. De ratten krioelen ongestoord onder de vertrekkende trein. Ik laat mij opnemen in de meute voor een loket om een spoorkaartje te reserveren.

Gaya ligt in het hart van Bihar, de achterlijkste en gewelddadigste deelstaat van India. De psychopatisch ogende Laloo Yadev (voormalig chief minister) en zijn vrouw (huidig chief minister) zwaaien hier de scepter. Laloo staat dicht bij het gewone volk. De lagere kasten hebben daarom lef gekregen en slachten met de regelmaat van de klok drommen landeigenaren af. Als wraakacties snijden de milities van de hoogste kasten de bewoners van een heel dorp de hals door. Laloo blijft volhouden dat hij de 'demonen' van Bihar zal vernietigen. Met de zegen van de strijdvaardige godin Durga, zo belooft hij, zal het hem lukken.

Dat Bihar ooit het spiritueel centrum van India was, vereist het nodige voorstellingsvermogen. Prins Siddhartha trok er als asceet rond, mediteerde er en werd er verlicht. Als de Boeddha (de 'verlichte') vertoefde hij er nog vele jaren en legde predikend de basis voor een wereldreligie die vrede in de ziel nastreeft. In de stationshal contrasteert de schildering van de mediterende Boeddha in zijn spirituele strijd tegen de innerlijke begeerte nogal met het geduw, gespuw, gehijg en geschreeuw voor de loketten. Vooralsnog wijst niets erop dat ik me nabij het belangrijkste pelgrimsoord voor de boeddhist bevind.

Ik laat me in een reutelende driewieler naar Bodhgaya rijden. Met drie boeren en de bestuurder deel ik de voorbank. Om het schakelen mogelijk te maken moet ik me tegen de harige borst van een boer drukken en mijn knieën optrekken. Vanwege de gaten in het wegdek wordt tot in de oneindigheid geschakeld. We rijden inmiddels tussen de rijstvelden en ik probeer tijdens de gymnastiek nog van het frisgroene landschap te genieten. Hier en daar priemen de rood-bruine schoorstenen van de steenbakkerijen uit de bosschages. Jongens spelen cricket tussen de bultrunderen, terwijl hun moeders in hun bonte sari's de drollen verzamelen om op hun lemen hutten te plakken en te laten drogen.

Links stroomt de Falgu, de rivier de Nairanjana van vijfentwintig eeuwen geleden. Sid dhartha stortte er uitgemergeld in elkaar en besefte dat jaren van extreme ascese hem niet veel wijzer hadden gemaakt. De verlichting laat zich niet afdwingen. Toen hij onder een banyan zat, offerde een melkmeisje hem een kom gekookte rijst met daarin de room van duizend koeien. Geen wonder dat de prins zijn krachten herwon en het aandurfde om onder een bodhiboom mediterend de laatste stap naar het Nirwana te nemen.

Ronkend en knarsend komen we tot stilstand bij het marktje van Bodhgaya. Aardappels, okers en bittermeloenen liggen op jutezakken langs de straat uitgestald. Een bultrund doet zich te goed aan een hoop kaf van de rijst; bij het kauwen komen wolkjes meel uit zijn bek. Mijn kuiten zijn door de rit verkrampt en mijn heupen versleten, maar ik strompel linea recta naar de piramidevormige Mahabodhi-tempel die 55 meter hoog boven het dorp uittorent.

De nog maar net tot het boeddhisme bekeerde keizer Ashoka (derde eeuw voor Christus) was hier tijdens zijn pelgrimstocht langs de belangrijke plaatsen uit het leven van de Boeddha. Vóór de Boom der Wijsheid, de bodhi waaronder Boeddha verlicht werd, liet Ashoka een heiligdom bouwen. De Mahabodhi-tempel kreeg zijn huidige vorm echter pas in de zevende eeuw. Ook daarna is hij nog vele keren gerenoveerd. De laatste grondige beurt was eind negentiende eeuw toen het boeddhisme onder westerse intellectuelen - vooral dankzij Edwin Arnolds lange gedicht The Light of Asia - in de mode raakte.

Hoewel de tempel in Oost-India een van de weinige restanten is van de traditionele bouwstijl in baksteen, is er vrijwel niets meer origineel aan. De toren staat op een verhoogd terras, met op de vier hoeken kleinere replica's van de hoofdtoren. Hij bestaat uit een ingenieus netwerk van zuilen en nissen van beton en stucwerk, dat zandsteen suggereert en het bouwwerk zijn statig karakter geeft. Aan de basis zijn levensgrote boeddhabeelden in de nissen geplaatst.

Tijdens het bewind van Ashoka verspreidde het boeddhisme zich over vrijwel geheel India. Ook wortelde het zich buiten de grenzen van het keizerrijk, zoals in Gandhara (oostelijk Afghanistan en noordelijk Pakistan). In de eerste eeuw na Christus werden daar onder invloed van het hellenisme de eerste boeddhabeelden geproduceerd, vaak met duidelijk Romeinse trekken. De ruim zes eeuwen daarvoor wist het boeddhisme te gedijen zonder afbeeldingen van de meester. Boeddha en zijn leer werden toen slechts vertegenwoordigd door symbolen, zoals de voetafdruk en de bodhi. Beide zijn te vinden op het tempelterrein.

De twee voetafdrukken van de Boeddha zijn er meer dan levensgroot gebeiteld in een rond, verweerd stuk steen. Aan de rand is het gedecoreerd met gestileerde bloembladen van de lotus, het boeddhistische symbool van wijsheid en puurheid. In de voetafdrukken staat nog een laagje regenwater waarin de bloemblaadjes van afrikaantjes en bougainville drijven. Er liggen wat muntstukjes als offerande.

Aan de achterkant van de hoofdtoren staat de knoestige pipal of bodhi (ficus religiosa). Ondanks zijn indrukwekkende omvang is het slechts een verre nazaat van de Boom der Wijsheid waaronder de Boeddha verlicht werd. De oorspronkelijke boom werd omstreeks 600 na Christus tijdens een periode van hindoe revival gekapt. De reus die er daarna uit een stekje was gegroeid, stortte in 1870 ter aarde. De stam van de huidige bodhi is beplakt met goudpapier en omwikkeld met oranje doeken en veelkleurige vaantjes. Op een bord worden bezoekers verzocht geen blaadjes van de heilige boom te plukken. Bij het gering ste zuchtje wind begint het lover te ruisen als bij een ratelpopulier. (Hoewel populier en pipal geen verwante soorten zijn, stammen hun namen wel af van hetzelfde Sanskriet pippala.) In Zuid-India meenden christenen in het geruis de Boze Geest te herkennen en ze begonnen de voor hindoes en boeddhisten zo heilige boom aan te duiden met Duivelsboom.

Vanwege de natte vloer gaat de lotushouding me wat te ver, maar nu ik hier toch ben, probeer ik me gehurkt voor de boom voor te stellen hoe de 34-jarige prins mediterend de diepste waarheid ontdekte. Vergeefs trachtte het demonenleger van Mara (het Kwaad) de prins met gemene trucs, waaronder de verleidingen van zijn wulpse dochter, uit zijn concentratie te halen. Toen Mara opperde dat de prins geen enkel recht had hier te zitten, toucheerde Siddhartha met zijn rechterhand de grond om Moeder Aarde als getuige op te roepen. Deze godin legde daarop getuigenis af van de oneindige reeks weldaden die de prins in zijn vorige 550 levens had verricht als voorbereiding op het Nirwana. Voor elke goede daad van Boeddha had ze een druppel water in haar lange haar bewaard. Toen zij het uitwrong, ging het demonenleger ten onder in een ware zondvloed. Het leger van Mara symboliseert de begeerte die nog in de Boeddha sluimerde. Door alle hartstocht te doden onttrok Boeddha zich aan de cyclus van ongelukkige existenties. Hij ontdekte dat begeerte ten grondslag ligt aan al ons lijden. Alleen door dit te doden kan er een eind aan ons lijden komen.

In plaats dat deze simpele Waarheid zich diep in mij nestelt, dalen mijn gedachten af naar mijn pijnlijke stramme gewrichten, totdat ik nog slechts begeer uit dit lijden verlost te worden. Even later voel ik me beter wanneer ik mijn benen strek op een bank met uitzicht over een lotusvijver. Een broodmagere Engelsman in spiritueel flodderende kledij komt een praatje maken, godzijdank niet al te hoogdravende conversatie. Hij vertelt me al weken zwaar aan de diarree te zijn. 'Ik heb juist last van constipatie', antwoord ik. Hij vouwt daarop zijn handen tot een lotusknop samen: 'Constipation in India? You must be God!'

Dit moet ik evenwel tegenspreken. Bovendien is het geen lolletje. We worden het erover eens dat er veel Lijden bestaat, niet in het minst bij globetrotters die in Bihar op zoek zijn naar de bakermat van het boeddhisme. Daarna turen we zwijgend over de lotusvijver.

Het uitschakelen van de begeerte - Schopenhauers Wille, als ik het goed begrepen heb - is de meeste stervelingen niet gegund. Na een uur wil ik weer terug naar mijn hotel in Gaya. Bij de reeds afgeladen reutelkar bij de markt besef ik dat ik daarvoor weer zal moeten lijden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden