Blokker wist als geen ander politici en andere bobo’s te ontregelen

We waren niet van meet af aan de beste vrienden. Tijdens mijn sollicitatiegesprek – september 1979 – stelde adjunct-hoofdredacteur Blokker allerlei ontregelende vragen: waarom Van Agt deugt en Den Uyl niet. Ik was een linkse student, net afgestudeerd als socioloog, geen journalist en nogal behept met in zijn ogen ouderwetse Volkskrant-genen: vakbondsminded, beetje geitenwollensokken. En vooral geen journalist. Blokker vertrouwde het niet helemaal; wat moet die 27-jarige ambitieuze wereldverbeteraar (want dat was de trend toen) in godsnaam bij de Volkskrant? Paste dat wel in zijn streven van de krant een modern, links-liberaal bolwerk te maken?

Het is uiteindelijk allemaal goed gekomen. Er ontstond al snel wederzijds respect. Een echte leerling-gezel relatie. Hij deed het voor en ik leerde hoe een journalist kijkt, nadenkt en schrijft. ‘Je moet niet te veel meters maken, je moet kortere slagen maken’, zei hij op een ochtend nadat hij mijn commentaar had gelezen, ongetwijfeld over een actie in de hete herfst van 1982 toen de vakbonden te hoop liepen tegen de no-nonsensepolitiek van premier Lubbers. Een les voor het leven.

In zijn ruim vijf jaar als adjunct (1979 – 1985) was hij het journalistieke geweten naast zijn vriend en hoofdredacteur Harry Lockefeer. Blokker werkte met cirkels om zich heen. In de eerste schil zaten zijn vertrouwelingen, dat was ik niet. Daarmee lunchte hij geregeld en maakte hij plannen voor betere verhalen en verrassende interviews. De Volkskrant kreeg in die tijd een ander gezicht: feiten en meningen werden gescheiden, emotiejournalistiek maakte plaats voor gezaghebbende stukken over de binnen- en buitenwereld.

Maar de grootste verdienste van Jan Blokker voor de Volkskrant ligt in zijn columns die hij 38 jaar – eerst drie keer en later twee keer per week – schreef. In die periode is de krant ingrijpend veranderd, Blokker niet. Hij sprak altijd over de drie handicaps van de krant: te provinciaals, te rooms en te veel vakbond. ‘Op zaal ruikt het rooms’, zei hij ooit tegen me. Hoewel hij dat als remonstrantse jongen verafschuwde, bediende hij zichzelf ook nog wel eens van roomse streken. Maar belangrijker was dat het hem lukte de krant uit die groef te krijgen en de redactie te inspireren een bredere, meer internationale nieuwsagenda te volgen.

Die haat-liefderelatie met de redactie had hij ook met zijn lezers. Hij was hun gesel in goede en in slechte tijden. Daarom schreef hij liever voor ons, dan voor zijn vrienden van NRC Handelsblad. Althans bijna vier decennia lang. Hij was voor velen een kompas, een ankerpunt, hoe waait de wind in Nederland? En dan niet langs de meridianen, maar langs moralistische lijnen. Hij kon als geen ander de balans opmaken en politici of andere bobo’s in hun eigen spiegel laten kijken, ze ontregelen. Dat was de grote kracht van Blokker.

De laatste jaren maakte hij zich grote zorgen over het politieke klimaat in Nederland. Types als Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders verafschuwde hij. Die brachten niets dan ellende. Journalisten, ook die van de Volkskrant, lieten hun oren veel te veel hangen naar die extreme geluiden. Dat maakte hem boos en ongelukkig. Of dat ongenoegen aan de basis heeft gelegen van zijn plotselinge vertrek bij de krant? Dat zou heel goed kunnen.

Zijn vertrek per 1 juli 2006 was een dieptepunt in de geschiedenis van de krant. Hij voelde zich tekort gedaan. De reden was niet eens belangrijk. Er was wel vaker gedoe bij de boekenredactie geweest. Dit keer was het menens en de hoofdredacteur, ik dus, reageerde in zijn ogen te laat en te laconiek. Omdat ik ervan overtuigd was dat Blokker in onze kolommen zou sterven. ‘Een beetje dom’, zou prinses Máxima zeggen. Nadien hielden we contact, minder frequent, maar er bleef wederzijds respect. Op 29 januari schreef hij in zijn laatste terugblikbrief aan mij: ‘Ik schrijf dit op zonder een spoor van wrok of bad feelings. Ik voel me bij next en NRC prima thuis.’ Zijn boodschap was duidelijk: aan het eind van zijn leven zocht hij een klimaat waarin hij beter paste dan bij de Volkskrant. Sans rancune. Zand erover.

De laatbloeier Jan Blokker – 56 jaar journalist en 42 jaar columnist – werd de godfather van de Nederlandse journalistiek. Hoewel een opiniebeest, voelde hij zich vooral journalist. Al die andere rollen (professor, scenarioschrijver, cineast) waren bijzaak. Zijn geheim bestond uit drie wetten: goed schrijven, brede, historische belangstelling en ijzeren discipline. Nooit verzaken. Pas de laatste jaren gunde hij zichzelf zomervakantie in zijn geliefde Frankrijk (‘even weg’). Ook zijn ernstige lichamelijke ongemakken, waarmee hij al tien jaar kampte, waren geen reden het rustiger aan te doen. Integendeel, elke keer als ik hem sprak, had hij weer nieuwe plannen. Hij was productiever dan ooit.

Waarom hij niet voor Nachwuchs had gezorgd, vroeg ik hem vlak voor zijn vertrek in 2006. De meeste columnisten zijn geen journalist, zei hij, maar schrijven stukjes in de krant, dat zijn meninkjes. Daar heb je niks aan. Voor een iemand wilde hij wel een uitzondering maken: Bert Wagendorp, zijn opvolger. Die verstond de kunst om, net als hij, de tijdgeest op zijn staart te trappen. Dat willen de Volkskrantlezers graag. Dat is de taak van een goede columnist, aldus de oude meester.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden