BLOEMLEZEN ALS EEN VORM VAN EIGEN DICHTEN

Het geheugen juicht altijd voor zichzelf. Elke herkenning wordt als een al of niet kleine triomf ervaren. Het geheugen laat zich heel graag vleien....

Eind mei werd besloten dat Basjes

Winterslaap lang genoeg geduurd had.

We groeven hem uit, veegden de aarde

Van zijn grijze schild, schudden hem wat,

Maar kregen hem niet wakker. Waarna

We hem van aldoor groter hoogte plat

Op het zeil lieten vallen, telkens

Iets luider, waarna in het vuilnisvat.

Ik voelde mij even beloond. Dat had ik onthouden, al weet ik niet of dat uit de bundel of uit de bloemlezing is. Ik bleek in de hele bloemlezing nogal wat te herkennen, natuurlijk uit de grote klassieke dichters, maar die reken ik nu even niet mee, maar ook uit het werk van dichters die nog niet klassiek zijn of het niet zullen worden - ze zijn in een enkele bundel blijven steken. (Uiteraard reken ik ook de negentiende eeuw niet mee; die staat voor mij vol verrassingen, want voor mij vaak totaal onbekende dichters).

Ik meende na enige tijd een systeem in mijn herkenningen te ontdekken. Het boven geciteerde gedicht heeft een duidelijke plot. De taal is gewoon en juist de gewoonste woorden uit dit verhaal van een vergeefse opwekking uit de dood ('op het zeil' en 'vuilnisvat'), die laatste rustplaats voor de geliefde Basje, zijn in mijn geheugen blijven steken.

Er staan veel wat ik nu maar noem 'verhalende' gedichten in de bloemlezing, in een realistische taal, meestal heel gewoon. De scheiding tussen wat lichte en andere poëzie wordt niet aangehouden. Een gedicht als 'Poëzie' van Alain Teister, een van de vele poëticale gedichten uit de bloemlezing (misschien hebben juist dichters en critici een voorkeur voor poëticale gedichten) gaat haast programmatisch werken binnen deze bloemlezing:

Poëzie is, voor mij althans,

niet het vermoeid, roerdompig

droevig geroep om de gemiste kans.

Het is meer iets van op klompen

lopen, knarsen op het grint.

Wie dit vindt zal niet

mee kunnen komen met lome

en oude symbolen:

de bleke maan voor 't bleke lief

is eerder week dan apocrief.

Meer dan op 't volkje dat betreurt

en klankrijk zeurt

als de grond tussen de gelieven splijt,

hou ik het op wat bijt,

en wel om 't hardst.

Poëzie is meer

die barst zien, verifiëren,

en dat dan zeggen. Barst.

Het duurt iets te lang voor we kunnen barsten. Riekus Waskowsky (1932-1977) doet het beknopter en raker in zijn 'Aars poetica', dat ik altijd heb onthouden:

Dichten is net als koken:

je pleurt maar wat in de pan

als je koken kan.

De soort poëzie die voor een deel deze bloemlezing bepaalt (en daarmee het beeld van de Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw, waartussen veel minder een scheiding bestaat dan de traditie wil), lijkt, als ik het goed heb, ideaal voor het geheugen. Gezien het succes van Komrij's bloemlezing zou zijn keuze wel eens die van het collectieve geheugen kunnen worden. Hermetische poëzie is voor het papier (en voor het vergeten), die andere, die ik nu maar realistisch noem, is voor het geheugen (en voor het onthouden). Wellicht onthoud je vooral waarin je plezier hebt. Het geheugen krijgt het toch nog moeilijk, want, bij alle verhaal- of toonverschillen: de gedichten gaan toch een beetje op elkaar lijken. Er ontstaat geen poëzie van dichters, maar een Nederlandse poëzie. Volgens Gerrit Komrij.

Van Teylingen heeft zich met twee gedichten over bijna zeventien jaar gehandhaafd. De bundel waaruit ze werden genomen, verscheen in 1973; de gedichten waren dus bij de eerste druk vrij jong. Er zijn meer dichters die door Komrij jong worden gehouden: of ze hebben na het vroegere werk niets belangrijks meer gepubliceerd, of ze zijn gaan zwijgen. Wat goed is wordt niet vergeten, al kan het de bloemlezer laat onder ogen komen.

In de nieuwe druk staat het gedicht 'Hallucinatie' van Bob de Mets. Geen jaartal is van hem bekend. Komrij heeft hem tussen de in 1882 geboren dichters geplaatst. En zo komt hij vlak bij Elsschot, H.N. Werkman en de door Komrij uit de dood gewekte Peter Spaan. (Zijn naamgenoot Henk Spaan, is uit de bloemlezing verdwenen, maar er hebben, in de fijnzinnige taal van het omslag 110 gedichten jammerlijk het veld moeten ruimen). Het verschijningsjaar van de bundel van De Mets waaruit het gedicht komt, wordt met een vraagteken als 1924 aangegeven.

Misschien vertegenwoordigt die onbekende De Mets wel Komrij's ideaal: een randdichter, met een randgedicht, helemaal buiten wat officieel de poëzie heet gebleven. Hij moet van de randfiguren, de tegendraadsen en tegentonigen houden. En niemand van die groep is door hem vergeten, lijkt het. Zijn bloemlezing had en houdt in veel opzichten het karakter van een tegenbloemlezing. Ik zou heel nieuwsgierig zijn naar een (tegen)tegenbundel. Laat een ander - maar wie heeft de energie en snelheid van werken van Komrij - vanuit andere poëzie-opvattingen een tweede bloemlezing maken. Er zullen heel wat gedichten in voorkomen die het geheugen een bewaarplaats weigert. De bloemlezing zou een tweede mogelijkheid kunnen waarmaken en daarmee het idee van een canon - door Komrij's bloemlezing al onderuitgehaald - ademloos maken. En dat zou heel goed zijn.

Wie de jongste dichters uit de bloemlezing leest, krijgt de indruk - de dwarse praatverzen zijn vrij talrijk - dat Kormrij's bloemlezing een heel grote invloed heeft gehad: veel ervan lijkt voor opname in deze herdruk geschreven! We vergeten dan wat ik de tussenklasse noem: de tijdgenoten van de jongere dichters die op wat latere leeftijd gingen publiceren. En die een heel andere soort poëzie schrijven. De nieuwe dichters zitten allerminst alleen in de jongste jaargangen. De zo objectieve chronologie van het geboortejaar werkt in dit geval wat bedrieglijk.

Dat realisme is uiteraard het produkt van wat eenzijdig, op het geheugen lezen. Komrij neemt bijvoorbeeld ook zeven gedichten op van een hermetische dichter als Christine D'haen. In haar 'Endymion' stroomt vanaf de eerste regels de volle dichterlijke taal:

Zodra de zuivre nacht haar rijpen schoot onthult

ontluikt mijn lichaam met zijn maagdlijk licht vervuld,

waarin ik hem ontmoet en min, Endymion:

den slaper, adem stil in milde regelmaat

der zuchten, zachte mazen, om het vroom gelaat

den sluier spreidend dien zijn sluimer spon.

Een bladzijde eerder had de zorgvuldige lezer dit van Hanny Michaelis kunnen lezen:

Briljant filosoferend

over het leven liet ik

de aardappels verbranden.

Een onmiskenbaar bewijs

van emancipatie.

Ik denk dat de tegenstellingen, heel vaak aanwezig, de grote bekoring van deze bloemlezing bepalen. Tegenstellingen die ook in Komrij's eigen poëzie aanwezig zijn. Hij bloemleest zoals hij dicht. En hij is een groot dichter.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden