Bloeiende economie, kwijnende overheid

Hoe ziet economische opbloei eruit? Of laat die zich alleen door officiële statistieken betrappen? In vroegere vette jaren braakten de fabrieken misschien zwaardere rookpluimen uit, maar zulke signalen van groei en bloei zie je niet meer....

Een aantrekkende arbeidsmarkt tilt de onderkant op en haalt ook mindere goden aan boord – in principe tenminste. Dat is de aardigste kant van de Amerikaanse arbeidsmarkt. De laagste lonen zijn er geen pretje, maar bijna iedereen is aan het werk, ook zwakkere broeders en zusters. Je merkt het meteen in winkels, aan balies, op vliegvelden, waar vaak niet zo snuggere, onthaaste lieden diensten verlenen. Dat soort ‘volledige werkgelegenheid’ is goed voor mensen met een vlekje, maar vooral ook een vorm van democratie – al denken veel Europeanen daar anders over.

Vanuit mijn Amsterdamse kraaiennest gezien, is veruit het duidelijkste teken van economische opleving de bouwwoede aan de grachten. Ook in magere jaren staat daar altijd wel een huis in de steigers, brengen schilders ‘bentheimer’ en ‘grachtengroen’ aan, wordt er een fundering vernieuwd of een kelder uitgegraven.

Maar dat is niets vergeleken bij de kippendrift van het moment. Als een legercolonne trekt dagelijks het wagenpark van stukadoors, timmerlieden, loodgieters, totaalinstallateurs, schilders het centrum binnen.

Ze komen van heinde en – vooral – ver. Amsterdam doet nog wel mee, maar het gros van de vaklieden komt uit de regio, ruim genomen, tot en met de buitengebieden van Noord-, Zuid-Holland en Utrecht. Zo is tegenwoordig de rolverdeling in de regionale economie. Helaas zijn er daardoor nauwelijks ‘niet-westerse allochtonen’ op de bouwplaatsen te vinden. Polen zijn weer een ander verhaal.

Omdat we niet zomaar op onze indrukken mogen vertrouwen, wat feiten en cijfers erbij gehaald. Volgens O+S, het hoofdstedelijke CBS, woonden er per 1 januari bijna drieduizend Polen in de stad. Sedert 2004 schreven 237 zich in als zelfstandige, de meeste (163) met een ‘onderneming in de bouwnijverheid’. Die bescheiden officiële aantallen kloppen vast, maar wringen ook met de waarneembare werkelijkheid. Jonge Polen doen het vuilere werk in de bouw: graven, breken, afvoeren. Tussen de bedrijven door staan ze op stoepen of in kelderopeningen wat te kletsen en te roken. Elders lees ik dat de bouw in de regio al in 2005 opleefde en dat voor 2006 een omzetgroei van 7,4 procent wordt verwacht.

De sector is dit jaar de grootste groeier in Groot-Amsterdam, hoewel bepaald geen regionaal specialisme. Wel Amsterdamse specialiteiten zijn groothandel en transport (Schiphol) en de financiële en zakelijke dienstverlening. Ook die sectoren gaat het momenteel naar den vleze, waardoor de werkgelegenheid in de stad het tweede kwartaal wederom toenam: het achtste kwartaal op rij. De groei van de werkgelegenheid in de detailhandel bedroeg 3 procent.

Amsterdam, tot midden jaren zestig nog hoofdzakelijk industriestad, is verrassend goed uit de economische herstructurering van de voorbije decennia gekomen. De groei ligt er stelselmatig hoger dan in de rest van Nederland – zelfs van Europa, zo blijkt uit de Amsterdamse Economische Verkenningen van SEO Economisch Onderzoek. Alleen Ierland en Luxemburg groeiden sneller dan de Amsterdamse regio.

SEO verwacht dat de werkgelegenheidsgroei doorzet. Die komt wel voornamelijk hoog- en middenopgeleiden ten goede. De postindustriële grootstad biedt slechts mondjesmaat emplooi aan laaggeschoolde immigranten. Ook de vraag naar ‘Poolse loodgieters’ is niet oneindig, simpelweg omdat het belang van de bouw blijft afnemen. Zelfs het radical chique Amsterdamse stadsbestuur zou zich daarom ten doel moeten stellen ongeschoolde immigratie met alle redelijke middelen te ontmoedigen – en om niet steeds gratuit te ageren tegen rijksbeleid (‘Verdonk’) dat zulks beoogt.

Wat is in dit alles trouwens de rol van de lokale overheid? Dirigeert zij de bouwkaravaan ’s ochtends de stad in? Is zij verantwoordelijk voor Amsterdams gestage groei? Schept zij de dienstenbanen die private rijkdom brengen? Poetst zij de grachtenpanden op, Berlage-Zuid, de Pijp? Nee, bedrijven doen dat en individuele burgers. Die sparen, gaan naar de bank, financieren, nemen risico’s, schakelen architecten en aannemers in, vegen in arren moede hun stoep.

Natuurlijk speelt de overheid een rol bij het creëren van de voorwaarden voor die activiteiten. Maar hoe groot is die rol feitelijk, of zou die moeten zijn? Opvallend – en intrigerend – in de SEO-gegevens is dat het aandeel in de Groot-Amsterdamse economie van door de overheid geproduceerde diensten – openbaar bestuur, onderwijs, zorg – al sinds 1995 terugloopt. De laatste jaren groeit de zorg weer wat, maar vooral doordat de productiviteit er niet stijgt. Meer zorg vergt per definitie meer menskracht.

Ook het onderwijs wordt inefficiënter: er zijn meer mensen nodig voor hetzelfde resultaat. Geldt die regel ook voor het openbaar bestuur? Tenslotte wordt er eindeloos geklaagd over bestuurlijke stagnatie in de Amsterdamse regio (en de Randstad), over bestuurlijke dichtheid en spaghettibestuur. Veel bestuur, weinig wol.

Als het aan de politieke partijen ligt, gaat het mes in de overheid: minder ambtenaren, minder beleid, meer uitvoering. Klinkt goed, al kan het een recept zijn voor een inefficiëntere overheid. Maar ook dan kan de economie bloeien en groeien, zoals de regio Amsterdam laat zien. Het geeft toch te denken.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden