Bloedraad zonder bloed

Voor een organisatie die nu al jaren klaagt over gebrek aan morele steun van de achterban, weet de Raad voor de Journalistiek (RvdJ) toch behoorlijk de aandacht te vangen van diezelfde achterban, de media....

GERARD MULDER

Het probleem is dat de twee bovenstaande zaken een eigenschap gemeen hebben die verreweg de meeste andere RvdJ-geschillen missen: de betrokkenen zijn voor de media zulke bekende namen dat de afloop van de affaire per definitie nieuwswaarde heeft. In zulke gevallen hoeft de Raad niet te hunkeren naar een machtsmiddel om publicatie van zijn uitspraak af te dwingen; dat gebeurt vanzelf wel. Anders ligt het wanneer - een fictief voorbeeld - de eigenaar van massagesalon 'Give 'em Hell' in Spanbroek-Zuid zich beklaagt bij de Raad dat de plaatselijke streekbode ondanks schriftelijke toezeggingen geen regel aan de feestelijke opening van zijn nering heeft besteed. Het blad hoeft het RvdJ-oordeel dat de klacht terecht was, niet op te nemen, en zal dat meestal ook niet doen.

Dat maakt de Raad tot een Bloedraad zonder bloed. En met een navenant laag aanzien.

Nu de Raad van de media eist dat zij zich ertoe verplichten zijn uitspraken te publiceren, komt de aap pas goed uit de mouw. 'Niet serieus te nemen', 'bezig met flutzaken', 'amateuristisch', 'vooringenomen', 'niet gezaghebbend', zijn een paar meningen van hoofdredacteuren zoals ze vorige week in de Volkskrant werden weergegeven. Vroeger zou ik het met al deze kwalificaties eens zijn geweest.

De paar keer dat ik mij in geschrifte over de Raad heb uitgelaten, deed ik dat nooit anders dan spottend en afwijzend. Ik heb er altijd wantrouwend tegenover gestaan omdat de Raad rechtstreeks afstamt van naoorlogse pogingen de journalistiek aan toezicht van de overheid te onderwerpen. Bovendien vind ook ik de Raad geen moreel gezag uitstralen omdat ik geen enkele boodschap heb aan de mensen die erin zitting nemen. Ze worden niet gekozen, maar benoemd, op grond van schimmige criteria. Sommige van hen ken ik uit de journalistieke praktijk, en het is nog zacht uitgedrukt als ik zeg dat ik mijn schouders over hen ophaal.

Ik kan me heel goed voorstellen dat hoofdredacteuren er geen zin in hebben op voorhand een deel van de zeggenschap over de inhoud van hun medium over te laten aan buitenstaanders, in casu de Raad. Dat neemt niet weg dat ik niet langer alle negatieve termen aan het adres van de Raad terecht vind. In het vakblad De Journalist, tot nu het enige blad dat alle uitspraken van de Raad en de motiveringen integraal afdrukt, spel ik de behandeling van alle zaken. In het algemeen vind ik de manier waarop de Raad tot een oordeel komt, heel redelijk.

Ook het verwijt dat de Raad zoveel 'flutzaken' in behandeling neemt, deel ik niet. Wat voor een krant of omroep een flutzaak is, kan voor een individu van ingrijpend belang zijn. Meestal krijgen ze van de Raad trouwens ongelijk.

Juist voor particulieren is het bestaan van een Raad niettemin een reddingsboei. Waar moeten ze anders heen met hun grieven? Maar een paar kranten in Nederland hebben een ombudsman. Het is een hele stap meteen maar naar de rechter te gaan. Het schrijven van een ingezonden stuk lest de dorst naar recht meestal niet. Dan blijft alleen opkroppen over, en uit een langzaam, maar gestaag groeiend leger van rancuneuze machtelozen recruteer je geen trouwe lezers en kijkers.

Daarom ben ik het niet eens met de notitie die mijn achternaamgenoot Rimmer Mulder, hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant, tevens secretaris van het Genootschap van Hoofdredacteuren, heeft opgesteld voor de Nederlandse Vereniging van Journalisten. In die notitie, waarover de bond overmorgen gaat vergaderen, stelt hij voor de Raad maar op te heffen. In plaats daarvan stel ik voor de Stichting Ideële Reclame te benaderen voor het vervaardigen van een paar reclamespots, waarin juist het belang van de Raad als bliksemafleider voor ongenoegen over de media wordt aangeprezen.

Bijvoorbeeld een spot waarin wij een vroeg grijzende oudere jongere aan het werk zien op een kwekerij. Hij wendt zich tot de camera, en zegt: 'Natuurlijk was het best wel moeilijk het strenge oordeel van de Raad van de Journalistiek over mijn werk te aanvaarden. Maar door het vonnis heb ik de tijd gekregen erover na te denken. En hoewel mijn ogen nog steeds niet aan daglicht zijn gewend, besef ik: ja, ik had hoor én wederhoor moeten toepassen. Sinds ik op advies van de Raad uit de journalistiek ben gestapt, rehabiliteer ik mij op de afdeling bamboe.'

Intern krakelen wij journalisten dan gewoon door over de Raad.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden