Blinkend van het vele schuren

VLADIMIR Nabokov (1899-1977) geniet faam als romanschrijver, en voor het grote publiek is hij bovenal de schepper van Lolita, het boek dat hem wereldberoemd maakte en in staat stelde ('sinds mijn kleine meisje mij onderhoudt....

Nabokov debuteerde nog in Rusland als 16-jarige met een bundel liefdespoëzie, een jeugdzonde (door hem bekostigd uit de erfenis van een oom) waar hij later niet graag aan werd herinnerd. Zijn eerste 'echte' publicaties stammen uit zijn Berlijnse emigratieperiode begin jaren twintig, toen de Russischtalige krant Roel ('Het Roer') zijn gedichten begon te plaatsen. In emigrantenkringen rees zijn ster snel, en dit bleef in de Sovjet-Unie niet onopgemerkt. 'Het reisbiljet' (1927) werd, voorzien van een pesterig commentaar, overgenomen door de Pravda; het zou het enige gedicht blijven dat bij Nabokovs leven in de Sovjet-Unie verscheen. In 'Het reisbiljet' mijmert de dichter over de weg die een treinkaartje aflegt vanaf de papierfabriek tot aan het reisbureau en 'de trage onverschillige verkoper/ die vroeg of laat dat ene laatje opent/ en mij mijn reisbiljet naar huis toe geeft'.

In een reactie op het commentaar in de Pravda spuide Nabokov zijn gal over alles wat bolsjewistisch was; deze minachting voor het communisme leek ononbeerlijk voor de verwerking van zijn gedwongen emigratie: 'De kracht van mijn minachting is dat ik, al minachtend, mijzelf niet toesta te denken aan het bloed dat is vergoten. En dat zij ervoor zorgt dat ik in mijn bourgeois wanhoop het verlies van landgoed, huis, en die slecht verstopte goudstaaf in de krochten van het watercloset niet betreur.'

Nabokov is wel bestempeld als een kille estheet. Deze reputatie dankt hij onder andere aan zijn pertinente weigering een moreel oordeel te vellen over zijn soms dubieuze personages en aan het dédain waarmee hij de 'hele publicistische kliek van geëngageerde literatoren' en de door de 'Weense delegatie' aangevoerde psychiatrie neersabelde. Nabokovs poëzie laat een allesbehalve kille indruk achter. Hier spreekt een dichter die zijn pijn over het verlies van zijn vaderland, zijn paradijselijke kindertijd, en het verdriet om zijn vermoorde vader op een intieme manier prijsgeeft, zonder overigens pathetisch te zijn. Een dichter die niet zeurt over het verlies van een klungelig verstopte goudstaaf, maar die voor zijn 'machtige heimwee' een ontsnapping zoekt in zijn literatuur, zodat hij zijn onmisbare Rusland altijd bij zich heeft.

In zijn gedichten kan Nabokov tenminste grenzen, tijd en ruimte slechten: 'Ik hoef bij nacht geen boot of trein te nemen/ voor zwerftochten van hier naar daar./ Het dambord van de tuin ligt maanbeschenen./ Het raam staat open. Ik ben klaar./ Mijn paspoortloze schaduw springt geluidloos/ - een kat verbetert het hem niet -/ het grensriviertje over dat ik uitkoos/ en landt op Russisch grondgebied.' Nabokov weet wat het betekent om iets te verliezen en hij heeft oog voor degenen die zich tegen dat verlies te weer stellen. Bijvoorbeeld in 'Voorbijganger met kerstboom', waarin een Russsiche balling in een troosteloos winterdecor manmoedig met een kerstboom sjouwt: 'Met je getande spar doorkruis/ je al dat wit op weg naar huis,/ zelf zwart en mager, hoofd omlaag,/ je baard verborgen in je kraag,/ houd jij hier in den vreemde stug/ je Duitse boompje op je rug'.

Als dichter is Nabokov niet de taalvirtuoos zoals we hem van zijn proza kennen, zijn verzen 'blinken van het vele schuren', zoals hij het in een van zijn gedichten zegt. Hij is niet vernieuwend, zijn thema's zijn niet wereldschokkend en zijn versvorm eerder traditioneel - hij is 'een beminnelijke minor poet' zoals Kees Verheul in zijn informatieve nawoord schrijft. Inderdaad, een beminnelijk dichter, door wie je je met alle liefde op sleeptouw laat nemen in gedichten die worden bevolkt door soms mythische figuren, cherubijnen, vlinders en al wat zich maar snel door tijd en ruimte kan verplaatsten. Niettemin is hij nergens abstract of filosoferend, maar concreet, beeldend met veelal een plot aan het einde.

Zo ook in het ontroerende 'Avond op een leeg terrein', dat hij opdroeg aan zijn vader. Deze, een liberaal politicus (in 1917 was hij nog even minister van Justitie in de overgangsregering van Kerenski), was in 1922 in Berlijn door rechts-extremistische Russische bannelingen doodgeschoten. In 'Avond op een leeg terrein' zwerft hij over een kaal, vermoedelijk Berlijns bouwterrein vol onkruid en rondslingerende blikjes, onder een roze avondhemel, waar een in de ondergaande zon reflecterend raam vurig knipoogt 'door de zwarte vingers van de fabrieksschoorstenen'. Al lopend keert hij in gedachten terug naar zijn jeugd en dan, aan het slot, treft hij een man op zijn pad - zijn vader: '. . .Ik herken/ jouw energieke tred. Je bent/ nog niets veranderd sinds je bent gestorven.'

Nabokov oordeelde zelf streng over vertalingen, en vooral over poëzievertalingen. Volgens hem was de enige juiste vertaling een letterlijke, en leidden berijmde vertalingen tot 'het om zeep brengen van weerloze dichters. Maar in dit opzicht vergiste hij zich. Anne Stoffel heeft een prachtige, transparante vertaling afgeleverd die volkomen recht doet aan het origineel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden