Blijvers

Hun stijl werd ooit verguisd, maar uit de tentoonstelling 'In de schaduw van morgen' blijkt dat de neorealistische kunstenaars uit de jaren dertig de tand des tijds prima doorstaan.

In de schaduw van morgen, Neorealisme in Nederland


T/m 17/2/2013


Erwin Olaf. Regressive


T/m 27/1/2013


Museum voor Moderne Kunst Arnhem


mmkarnhem.nl


Het is een wonderlijk gezelschap, dat het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem dezer dagen bijeen heeft gebracht. Zeven neorealistische schilders van een zekere leeftijd - althans, als ze nog zouden leven. Ze waren jong en populair in de jaren dertig van de vorige eeuw. Onder hen de aartspessimist Carel Willink, de hartpatiënt Dick Ket, de dandy Edgar Fernhout, de esoterische Wim Schuhmacher en de ijdele, met het fascisme flirtende Pyke Koch.


Wonderlijk, omdat wat anno 2012 is gelukt - hun zelfportretten, portretten en stillevens gebroederlijk naast elkaar hangen - ruim vijftig jaar geleden onmogelijk was. In 1960 kleefden aan het neorealisme zoveel bezwaren dat twee van de zeven weigerden mee te doen aan de geplande groepstentoonstelling De bange jaren '30. Neo-realisme in de Nederlandse schilderkunst.


Schuhmacher wilde niet in één ruimte verkeren met Pyke Koch en Raoul Hynckes, omdat die in de Tweede Wereldoorlog sympathieën hadden gekoesterd voor de vijand. Fernhout wilde niet meedoen omdat hij het realisme voorbij was. Dat dreigde op dat moment als foute, conservatieve stroming op een zijspoor van de geschiedenis te belanden. Er was, volgens kunstprofessionals als MOMA-directeur Alfred Barr, en in zijn kielzog museumdirecteuren als Edy de Wilde en Willem Sandberg, maar één moderne, vooruitstrevende weg: die van de abstracte kunst.


En nu hangen ze alle zeven gebroederlijk naast elkaar op de tentoonstelling In de schaduw van morgen. Neorealisme in Nederland, als een verbeterde versie van De bange jaren '30 uit 1960. Het gebeurt de laatste jaren herhaaldelijk dat musea terugkijken naar hun eigen tentoonstellingsverleden en roemruchte tentoonstellingen uit dat verleden reconstrueren. Het Van Abbemuseum deed het, het Stedelijk Museum Amsterdam deed het en nu doet het Museum voor Moderne Kunst Arnhem het. Blijkbaar hebben de musea, in ook voor hen onzekere tijden, de behoefte om hun eigen identiteit onder de loep te nemen, om oude ankers te herbevestigen en nieuwe piketpalen te slaan.


In de schaduw van morgen is er een goed voorbeeld van. Wat toen het Gemeentemuseum Arnhem heette, nu het MMKA, had het lef met de neorealistische tentoonstelling De bange jaren tegen de abstracte stroom in te roeien. De helden van die tentoonstelling zijn nog altijd de kopstukken waaraan het museum zijn aankopen afmeet. En het MMKA heeft gelijk gekregen: het realisme is niet afgeschreven, maar staat met de dertiende Realismebeurs op komst alweer jaren in de belangstelling. Genoeg redenen dus om zichzelf op de borst te slaan.


Afgezien daarvan is er geen beter moment om de tentoonstelling De bange jaren '30 af te stoffen dan nu. Het thema van toen - de angst en onzekerheid van het interbellum - is actueel. Weer laaien spanningen op, weer is de toekomst onzeker.


Dat maakt nieuwsgierig. Beschikken kunstenaars inderdaad over visionaire gaven? Hebben Willink en consorten in hun werk de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog voorzien, zoals de tentoonstellingsmakers in 1960 met het voordeel van de terugblik meenden? En is het neorealisme inderdaad zo conservatief en achterhaald, 'alsof je naar de Romantiek kijkt', zoals een criticus in 1960 afkeurend schreef? Of verdient het een nieuwe, frisse blik, ontdaan van de emoties en polarisatie van toen?


Met de blik van nu heeft de voorkeur van de neorealisten voor 17de-eeuwse schildertechnieken en klassieke genres als stilleven, portret en (stads)landschap, inderdaad zand in de ogen gestrooid. Banjerend van de haarfijn gepenseelde, groteske vrouwen van lichte zeden van Pyke Koch naar de Haven van Palma de Mallorca (1930) van Wim Schuhmacher, en van de stillevens van Dick Ket naar de stadsgezichten van Carel Willink, wordt namelijk één ding duidelijk: deze kunstenaars waren er niet op uit oude meesters te kopiëren.


Zo plat en losgesneden van haar omgeving zweeft de glanzende kermisvrouw van Pyke Koch in De Schiettent (1931), dat ze uit een tijdschrift lijkt geknipt en in het schilderij is geplakt. Zo extreem groot en wijkend doemen de boten op in Schuhmachers stralende havengezicht, dat ze het perspectief hebben van een groothoeklens.


Ook in de sombere stadsgezichten van Willink -De Jobstijding uit 1932 en Het gele huis uit 1934 - dringt de moderne tijd door. Haarscherp zijn de taferelen, zoals de industriële foto's van het Duitse fotografenpaar Bernd en Hilla Becher. Juist die totale scherpte - het gebrek aan hiërarchie tussen voor en achter, tussen een prop papier op straat en het huis in de verte - geeft zijn schilderijen de spanning van een filmset, waar elk moment wat kan gebeuren.


Nieuwe kunstvormen als film en fotografie lieten zichtbaar hun sporen na. Wat niet verbaast: Koch en Schuhmacher waren lid van de net opgerichte Nederlandse filmliga. En ze waren bevriend met Erwin Blumenfeld en Eva Besnyö, fotograaf-kunstenaars die experimenteerden met standpunten, close-ups en fotocollages.


Wat in Arnhem ook opvalt: hoezeer deze neorealisten in het rond winkelden. Moeiteloos combineren ze in een schilderij klassieke schildertechnieken met kubistische vormen en fotografische standpunten. Ze haalden hun inspiratie uit reclame-affiches (Dick Ket), variétéblaadjes en de stomme film (Pyke Koch). Ze haalden de filosofie en de literatuur naar het domein van de beeldende kunst. Willink liet zich leiden door het cultuurpessimistische boek Der Untergang des Abendlandes en Koch door de theorieën van Freud.


Romantisch en achterhaald? Hun 'zappen' langs hoge en lage kunsten en hun vrijelijke rondgang door de kunstgeschiedenis maakt de neorealistische schilders hypermodern, post-modernisten avant la lettre.


Die onorthodoxe benadering is tegelijk het enige dat deze schilders verbond. Het visionaire aspect van hun kunstenaarschap is zwaar overdreven. Daar was in 1960 al kritiek op, blijkt uit de krantenartikelen die in de tentoonstelling zijn opgenomen. In 2012, met de toevoeging van Fernhout en Schuhmacher, is die kritiek nog meer van toepassing.


Eigenlijk waren 'de bange jaren' in de tentoonstelling van 1960 alleen zichtbaar in het werk van Willink en van Hynckes. In Willinks stadsgezichten woedt altijd ergens een brandje of doemt een ruïne op. In Hynckes gitzwarte stillevens getuigen gescheurde papieren, schedels en dood struikgewas van een wereld in verval.


Maar Kets sombere kleurstelling en flirten met sterfelijkheid hebben niks met doemdenkerij te maken en alles met een persoonlijke angst voor de dood - Ket was hartpatiënt en is slechts 37 jaar geworden. En de stralend optimistische schilderijen van Fernhout en de bijna hemels oplichtende doeken van Schuhmacher vertonen zelfs geen spoor van doemdenken of vooruitziende gaven.


De huidige tentoonstellingsmakers hebben geprobeerd dit gebrek goed te maken door de expositie te combineren met een fraaie tentoonstelling van fotograaf Erwin Olaf. Vooral zijn in Berlijn gemaakte fotoserie getuigt in zwaar clair-obscur en sombere decors van benauwenis en intolerantie, en van een feest dat voorbij is.


De kunstenaar Olaf vertolkt de gevoelens van zijn tijd, daarmee beschikt hij nog niet over profetische gaven. Je hoeft op dit moment geen ziener te zijn om de spanning en onrust om je heen te voelen. Het is het gesprek op verjaardagsfeestjes, op het werk, in de trein en in de krant.


Het MMKA heeft goed gezien dat het neorealisme de tand des tijds prima doorstaat. Maar een kunstenaar is geen visionair die weet wat morgen komen gaat. Een kunstenaar is ook maar een mens.


Grillige geschiedenis


Hoe grillig de geschiedenis kan zijn, wordt duidelijk in de tentoonstelling


'In de schaduw van morgen' in het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem. Daar hangen twee schema's, waarin de vooraanstaande Van Abbemuseumdirecteur Edy de Wilde de moderne kunst in kaart brengt. In het schema van 1949 maakt het neorealisme nadrukkelijk deel uit van de moderne kunst. In 1951 is het neorealisme van de kaart verdwenen. Vanaf dat moment volgt De Wilde de koers van oppermuseumdirecteur Alfred Barr van het Museum of Modern Art in New York, voor wie alleen abstracte kunst 'vooruitstrevend' en 'goed' was.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden