Blijvend heimwee naar het oude, rijke verleden

De wanden van de zaal zijn geheel met spiegels bedekt. Op deze spiegels hangt een surrealistisch naakt van Moesman uit 1932 naast het naakte lichaam van Christus op een schilderij van de zestiendeeeuwse meester Van Scorel....

Van onze verslaggeefster

Judith Koelemeijer

UTRECHT

Hoe is het mogelijk dat in deze kakofonie van tijden en stijlen de overeenkomst in kleur en techniek zo opvallend is? Waarom kan de indeling in perioden die de kunstgeschiedenis hanteert hier zo speels worden doorbroken? De Utrechtse Parade in het Centraal Museum in Utrecht zet veel op z'n kop. En niet alleen omdat je door de spiegels soms meer het gevoel hebt op de kermis dan in een museum te staan.

Het Centraal Museum bezit naast een groot aantal zeventiende-eeuwse schilderijen ook beelden, kostuums, meubels en tekeningen. Uit de enorme collectie kozen de conservatoren 350 topstukken van Utrechtse kunstenaars als Bloemaert, Ter Brugghen, Van Honthorst, Koch, Moesman, Van 't Net, Wichman en Rietveld. Omdat Utrecht in de achttiende en negentiende eeuw vanwege de economische en culturele malaise weinig opzienbarends heeft voortgebracht op kunstgebied, ligt de nadruk op de zeventiende- en twintigste eeuw, en dan vooral op de schilderkunst. Maar ook pronkstukken als de hofsleep uit 1809, het slaapkamerameublement van Van Ravesteyn en de vijftiende-eeuwse zijden bisschopsschoen ontbreken niet.

Bijzonder aan De Utrechtse Parade is vooral de inrichting van de tentoonstelling - een verdienste van zowel de conservatoren als de beeldende kunstenaars Madje Vollaers en Pascal Zwart, die verantwoordelijk zijn voor de opvallende vormgeving. De afzonderlijke werken zijn immers reeds bekend. Maar door de soms ronduit overdonderende wijze waarop zij gepresenteerd worden, verschaft De Utrechtse Parade je een verrassende, nieuwe blik. Bestaat er zo iets als een 'Utrechts kunstklimaat'? De Utrechtse Parade geeft hierop geen direct antwoord, maar nodigt de bezoeker wel nadrukkelijk uit verbanden te zien.

Het is meteen raak. De eerste zaal is behangen met krantepapier van het Utrechts Nieuwsblad. Tegen de achtergrond van ook al weer oude koppen als 'PvdA vestigt hoop op hardnekkige optimist Van Thijn' hangt een groot aantal zeventiendeeeuwse portretten van Utrechtse notabelen. Naast het schilderij van Paus Adriaan VI prijkt een foto van Prins Willem Alexander. De portretgroep van de juweliersfamilie van Louis van der Puyl uit 1776 wordt begeleid door de tekst: 'wekelijks 5000 maaltijden in Luden restaurants.'

Deze wisselwerking tussen tijden of disciplines blijft in de daaropvolgende zalen gehandhaafd. Een doorgang met oude en nieuwe kostuums - een hofsleep uit 1809 wordt tentoongesteld naast een jasje van roestvrij staal van de eigentijdse ontwerpers Hans van Kooten en Ruud van der Peyl - voert naar de eerder genoemde spiegelzaal. Achter de wanden van deze doorgang bevinden zich onverwacht het 'Zevenluik met bed en bezoekers' van Alain Teister (uit 1974) en de Madurodam-achtige 'Stad van overgave' van Bertus Jonkers (uit 1992).

Via een 'terzijde' waarin de kunsthandel Nord van Willem Wagenaar met surrealistische schilderijen en jazzmuziek in herinnering wordt gebracht, keer je terug in de zeventiende eeuw. In een tweede spiegelzaal kijken de grote meesters van toen elkaar in het gezicht, in vele bijbelse en pastorale taferelen. Vanuit deze zedige spiegelzaal word je naar de twintigste eeuw geleid, naar een hoerige 'antichambre' met rode wanden. Hier is onder andere het complete erotische tekenboek van Gerrit van't Net uitgestald, in vele kleine, vlug neergekrabbelde pornografische tekeningen. Een strak ingerichte zaal met ontwerpen van Rietveld en Van Ravesteyn ten slotte nodigt expliciet uit tot het zien van overeenkomsten in het werk van deze architecten.

Dat het je in deze overdaad aan tijden en stijlen niet gaat duizelen, is misschien minder vreemd dan het lijkt. Conservator stadsgeschiedenis Renger de Bruin wijst er in de catalogus op dat katholicisme en conservatisme altijd een belangrijke stempel hebben gedrukt op het Utrechtse kunstklimaat. Uiteraard valt niet elke kunstenaar onder deze noemers te vangen. Zo is Rietveld een belangrijke uitzondering. Maar dat het werk van Van Scorel, Koch en Moesman zo wonderbaarlijk harmonieert, is in de visie van de samenstellers van De Utrechtse Parade niet toevallig: 'In Utrecht is aan de Renaissance nooit een einde gekomen.'

Utrecht heeft een lange, katholieke traditie. Van Scorel was een van de eerste Utrechtse katholieke kunstenaars die naar Rome trok. Zeventiende-eeuwers als Bloemaert en Van Honthorst volgden hem. Terwijl in heel Noord-Nederland het calvinisme terrein won, bleef Utrecht tot het verbod op het katholieke geloof in 1580 overwegend op Rome (en de Italiaanse renaissancekunstenaars) georiënteerd. Anders dan in Amsterdam, waar de koopliedenstand een belangrijke opdrachtgever werd, speelden in de oude bisschopsstad kerk en adel ook na 1580 nog lange tijd een belangrijke rol. Zij waren immers de belangrijkste afnemers en bepaalden de smaak.

Na twee eeuwen van stagnatie waren het wederom de katholieken die rond 1850 het Utrechtse kunstklimaat nieuw leven inbliezen. De opkomst van de neogotiek vormde in die tijd een belangrijke impuls.

De kunstenaars van de neogotiek verlangden naar het 'gouden', glorieuze verleden. Juist dit conservatieve verlangen is ook bij veel twintigste-eeuwse Utrechtse kunstenaars terug te vinden. Want de 'principieel alcoholist' en modernist Erich Wichman mocht Utrecht dan wel 'Holland op zijn smalst' vinden, zelf manifesteerde hij zich met een reactionaire voorliefde voor het Italië van Mussolini. De kring rond het katholieke tijdschrift De Gemeenschap maakte er evenmin een geheim van heimwee te hebben naar oude, beter tijden. Pyke Koch had een grote hang naar de aristocratie en de renaissancistische schilderkunst en sloot zich voor de Tweede Wereldoorlog aan bij de nationaalsocialisten. Dirkje Kuik heeft zo haar eigen heimwee naar het verleden. Ook in de jaren negentig blijft zij romantische schetsen van oude ruëes en half vervallen steden maken.

Op De Utrechtse Parade nodigt een kerkachtige ruimte, die de zeventiende-eeuwse spiegelzaal met het twintigste-eeuwse porno-walhalla verbindt, je uit stil te staan bij deze katholiek-conservatieve tendens. Een enorm glas-in-loodraam van Hendricus L .D. Kocken tempert het licht dat op de vijtiendeeeuwse beeldengroep van Jan Nuden valt. Een schuin opgestelde spiegel laat je terug kijken naar de zeventiende-eeuwse bijbelse taferelen. Om de hoek, in de twintigste eeuw, hangt wederom een glas-inloodraam, nu van het Utrechtse enfant terrible Wichman. Daaronder dicht hij in het 'Boek met houtsneden' uit 1917: Maar wij leven bij de gratie / Van het zondig Menschendom / En geen afgesleten gratie / Geeft ons d'oude kracht weerom.

De Utrechtse Parade, 1495-1995. Van Van Scorel tot Koch en Rietveld. Centraal Museum Utrecht, tot en met 23 oktober. Catalogus Fl. 35,-

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden