Blijspel-aanpak haalt angel uit Albee

'Kappen met die handel - trut, kut, sufkut!'..

Een paar fragmenten uit de nieuwe vertaling die Coot van Doesburgh maakte van Edward Albee's klassieke huwelijkstragedie Who's afraid of Virginia Woolf.

Lekker vlot en eigentijds. De vertaling van Gerard Reve vond men, naar verluidt, te archaïsch.

Will van Kralingen en Edwin de Vries spelen de rollen van George en Martha, het legendarische echtpaar dat in voortdurende staat van oorlog verkeert. Beiden teleurgesteld in hun maatschappelijke status - zij dochter van de rector, hij simpel docentje op de faculteit geschiedenis - beiden nog meer teleurgesteld in elkaar.

Geheel in stijl van de vlotte vertaling spoeden zij zich al even vlot door Albee's bloedstollende dialogen heen, alsof ze in het eerste het beste blijspel staan. Dat doen ze overigens voorbeeldig, ja, bijna virtuoos, want komediespelen kunnen ze. Van Kralingen met een lichte hysterie onder haar vrolijkheid, De Vries knap jonglerend met zijn zware tekst en perfect zijn zinnen plaatsend.

Maar het klopt niet.

Of eigenlijk: het klopt wel, maar het deugt niet.

Wat aan deze Wie is bang voor Virginia Woolf in regie van Lodewijk de Boer klopt, is dat de blijspelvariant van dit in wezen gruwelijke drama tot in de puntjes en consequent wordt uitgevoerd. Regie- en speelstijl, decor en vertaling: alles staat ten dienste van dit well made play.

Will van Kralingen graait in het kruis van haar man en van zijn jonge collega, er wordt veelvuldig aan tieten (zo worden ze hier genoemd) gefrummeld. De Vries strooit een bos rozen uit over het toneel, en valt plots op zijn knieën terwijl hij een Latijns gebed prevelt. Allemaal ideetjes om het publiek te amuseren. Men lag op de première dan ook voortdurend dubbel.

Albee's stuk uit 1962 is nog steeds actueel (in welk huwelijk wordt niet gevochten?), en de basis voor de vele huwelijksdrama's die daarna geschreven zijn - van Pinter tot Lars Norén. Het stuk is in wezen één lange duivelsuitdrijving: een echtpaar heeft een zoon verzonnen om hun samenzijn te stutten, maar die zoon moet weg, dood, verbannen en verdreven. Pas dan kunnen George en Martha ervaren wat er van hun liefde nog over is.

Bij deze met alcohol overgoten exercitie wordt een jong stel uitgenodigd, gespeeld door Tjitske Reidinga en Tjebbo Gerritsma, dat slachtoffer wordt van de vuige spelletjes. Maar deze George en Martha lijken het zo leuk met elkaar te hebben dat de bezoekers slechts toeschouwers zijn. 'Wat ben jij toch leuk als je boos bent!' kirt Martha tegen George, en hup, het volgende rondje ruzie kan beginnen.

Als George aan het eind van het stuk de denkbeeldige zoon dood verklaart - normaal gesproken een aangrijpend slot - gaat die pointe hier gezien het voorafgaande volledig verloren.

In deze visie op Wie is bang voor Virginia Woolf is de angel uit het stuk gehaald, het gevaar verwijderd, de weerbarstigheid weggepoetst. Er is een soort joligheid voor in de plaats gekomen die slechts op twee punten wordt gepareerd: in alles wat Tjitske Reidinga doet (een schitterend genuanceerde, soms huiveringwekkende bijrol waarin ze het cliché van het domme blondje volledig ontstijgt) en in die ene, doorleefd gespeelde 'ik huil van binnen'-monoloog van Will van Kralingen vlak na de pauze.

Dan gloort er iets van wanhoop, van ontzetting. Dan pas, en maar heel even.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden