Bleke Betten vlinderen in de Butterfly

Wie de naam Robert Wilson verbindt aan Madama Butterfly, weet dat hij geen Puccini krijgt die geregisseerd is vanuit de operagids van Elsevier of Leo Riemens....

Wilsons Parijse Butterfly-enscenering ging negen jaar geleden in première in de Bastille. Na een reeks reprises in andere operahuizen is het schouwspel nu ook aangekocht door de Nederlandse Opera, die zelf gezorgd heeft voor vocalisten (onder wie Kallen Esperian als Cio-Cio San), een dirigent (Edo de Waart), en het Nederlands Philharmonisch Orkest.

Een sopraan als de fameuze Licia Albanese, een Cio-Cio San die geschiedenis maakte door bij haar harakiri altijd eerst met enige pathetiek een sluier over een Boeddhabeeld te werpen, zou zich er niet lekker voelen. In Wilsons Butterfly zit geen mes en ook geen (facultatieve) Boeddha.

Toch wordt hier getrouwd en gebeden. Er worden bloemen gestrooid (weten we, mede dankzij de boventiteling), er wordt gewacht dat het een aard heeft, en als de term 'de hand aan zichzelf slaan' ergens betekenis heeft, dan is het wel aan het slot van deze Madama Butterfly. Wilsons 'lege' enscenering uit 1993, een van zijn eerste producties rond een hard core repertoire-opera, is een wonder van suggestiviteit, en bovendien ook een toonbeeld van Werktreue. Eigenlijk dus: een tranentrekker van jewelste.

In potentie. Want het voornaamste stemmenduo werkt niet mee. De belichting wil wel. Die verschiet bij elke oplaaiende emotie van kleur. De zanger-acteurs willen ook wel. Hun lichaamstaal is minutieus. Maar de stemmen van Kallen Esperian en Martin Thompson (Pinkerton) willen niet. Hun cantilenen zijn bleke Betten. Esperian, een jeugdig klinkende en expressieve Wachtende belichaamt een klassieke castingsfout. Haar stem is onvoldoende berekend op het paradoxale beroep dat de Butterfly-partij doet op longen en zangspieren.

Daarmee valt de basis weg. De Waart, van huis uit al geen fanatieke stemmenvolger, weet het contact tussen orkest en gezongen lijn zelden van de benodigde warmte te voorzien. De rest is levende theorie.

Puccini's Butterfly dateert van voor Pearl Harbour. De superioriteit van de Amerikaanse cynicus tegenover het goedgelovige Japanse kindvrouwtje is driedubbel. Haar tragiek net zo. Maar dat uitgerekend een Puccini, een componist bij wie het bordkartonnen afdak altijd zal passen, zich blijkt te kunnen voegen naar een Wieland-Wagneriaans principe, namelijk dat muziektheater geen zaak is van bouwwerken en requisieten, maar van gestalten en basale interacties, is fascinerend.

Voor Wilson is de gestalte alles. Zijn voornaamste requisiet is het Zoontje, het kind van mevrouw Vlinder, verwekt door de luitenant. Gekapt en getraind als een mini-Bobje Wilson, stapt het ventje als een levend beeldhouwwerk door de tweede akte. Souvenir van de liefde, en focus van het melodrama. Ook de groteren rond hem zijn beeldhouwwerken, en alles behalve levenloos.

Gestoken in Wilsonkostuums, wat op zichzelf al half Japans betekent, beoefenen ze het geisha-trippelen, de No-theatergestiek en de barokke opera seria-pose. Zelfs ook het Egyptische hiërogliefen-gebaar - in een wonderlijk vooruitlopen op Wilsons recente Aida in Brussel. Oogcontact is er niet. Handcontact nauwelijks.

Maar 'verhaal' is er, en drama des te meer - in aanleg. Pogingen worden gedaan Puccini's muziek tastbaar te maken. Handen volgen een vioolmelodie. Voeten wenden zich naar een muzikale modulatie. Cio-Cio San vangt een fluittoon als een vlinder in haar hand - in een eerste akte-duet dat vocaal en orkestraal als kleurloos karton wordt opgediend.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden