Blanco Esmée sterft in troebele klanken

Esmée, olv Friedemann Layer en Herbert Wernicke. Produktie NOS-Holland Festival. Amsterdam, Carré. Herhalingen op 2, 4, 6 en 8 juni....

De dertien kogels waarmee Untersturmführer Knorr haar in september '44 doorzeefde, de blinkende sieraden aan haar oren en rond haar pols, het troebele water waarin haar lichaam werd gesmeten, het hele godgeklaagde theater waarin de echte tragedie-Esmée eindigde - wie heeft ooit verzonnen dat opera een kwestie is van overdrijven?

Theo Loevendie waarschijnlijk niet. Zijn Esmée, die ook de Esmée is van Jan Blokker, Loevendies librettist, en die voor de duur van deze premièreproduktie ook een beetje de Esmée is van de regisseur Herbert Wernicke, sterft door vier kogels, afgeschoten door vier heertjes in een keurig gestileerde setting. Loevendie dompelt haar stem onder in een allerminst uitzinnig, enigszins troebel tutti van het orkest, met glissandi van de harp en de piano en met opwaartse uithalen van de blazers, eindigend in een vette klap van trom, pauk en tomtoms. Een onheilszwanger akkoord trilt na - een akkoord dat eerder heeft geklonken.

Esmée, geschreven voor zeven solisten, koor, en een orkest van relatief bescheiden bezetting, is geen toonbeeld van groter doen dan groot. Het is, afgezet tegen de historie van oorlog en verzet waaraan Blokker de stof ontleende, een tamelijk ingetogen, zij het niet erg transparant getoonzette partituur, waarin de beste momenten de momenten zijn waarop Loevendie met herinneringen speelt. Herinneringen aan eerdere muzikale voorvallen, en, in ruimere zin, aan voorbije muziek. Esmée is een feest van de parodie en de pastiche, voorzover de term feest op zijn plaats is.

Het publiek liet, onder aanvoering van koningin Beatrix en premier Kok, een moeizaam op gang komend applaus los. Over de uitvoering kon men zijn twijfels hebben. Het Radio Filharmonisch, gezeten in de piste van Carré, werd gedirigeerd door minister Jo Ritzen of iemand die voor zuinige Jo wilde doorgaan (Friedemann Layer). De internationale solistenploeg bleek van een wisselvallige kwaliteit, waarbij het tot zjumzjumzjum verhaspelde Duits, Nederlands en Engels van Blokkers teksten nog het geringste probleem vormde.

De Amerikaanse sopraan Jeanne Piland was de bijna immer aanwezige protagoniste. Ze had in sommige duetten moeite met de projectie van haar stem, maar kwam op bespiegelende momenten tot de heldere, blanco klinkende cantilenes die Loevendie waarschijnlijk voor ogen hebben gestaan. Zoals in de fraaie slotzang van Esmée, gezet op 'Ik ben geen lichaam meer, ben niet meer aan te raken: onzichtbaar als een ster', en andere, niet minder fraaie woorden.

Esmée is een opera over een vrouw die haar eigen weg gaat, zonder zich te storen aan de mores van bezetters en verzetslui, 'waarna de omstandigheden wraak nemen'. De weg die Esmée volgt is een weg van de liefde. De traditie waarin ze zich plaatst is, met andere woorden, die van Norma, La Traviata, Katja Kabanova en andere bekende operaheldinnen. In die zin is de stof van Esmée verrassend conventioneel. Het meest heeft Esmée weg van de figuur Lulu die Alban Berg ontleende aan Wedekind. Esmée heeft geen Werdegang (van verzetsdaden is amper sprake). Het zijn de mannen die, stikkend van idealisme, Befehlsgehorsamkeit of godsdienstijver, maar vooral stikkend van begeerte, het drama vorm geven - tot aan haar liquidatie.

Loevendie, die hier verwijlt in de stilistiek van zijn opera Naima en het orkeststuk Flexio uit het begin van de jaren tachtig, is de weg van de conventie opgegaan met opvallende moedwil, en met wisselend succes. Heel fraai is het hochmusikalische Hölderlin-lied met de bariton aan het begin, waarbij het toehorende koor uitbarst in meegecomponeerd applaus, en een koraal aanheft. Het gaat op zijn beurt over een wals, waarna laagculturele bezettersklanken de overhand nemen in karikaturale, schots en scheef gezette vierkwartsmaat.

Waar sprake is van dreiging, zoals bij de Duitse dienstklopper Leon en zijn (door de gedistantieerde Wernicke als postbodes uitgedoste) cohort, doet de muzikale karikatuur zijn intrede - naar een gezond muziekdramaturgisch principe, berustend op een tegenstelling tussen wat men ziet en wat men hoort. De lyriek die minnaar Max (tenor Christoph Homberger) ten beste geeft, vormt een interessante laag bij tango- en andere ballroomklanken.

Andere orkestgeluiden zijn laag, dragen een vermoeden van Duits marsritme - dreigend, maar al te cementachtig en voorspelbaar. Prikkerige dissonanten omringen de jaloers kakelende Ingrid (Marie Angel).

Wernicke zet het schouwspel neer op een scheefliggend, rood, geknakt hakenkruis. Zijn enscenering heeft de vorm van een raamvertelling, waarin een gezelschap de geschiedenis als het ware naspeelt, vanaf het huisconcert in de eerste scène tot de 'herinnerinsscène' aan het eind. Vandaar die alomtegenwoordige champagne en die keurige smokings van Jan en Alleman - waarbij het Verzet zowel de alpinopet draagt als als de partizanenmuts. Die kleine boodschap is, ongeveer, het meest lucide dat Wernicke aan deze première heeft kunnen bijdragen.

Roland de Beer

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden