Blair antwoordt niet

Het echte nieuws is te vinden op straat, in de wandelgangen van het parlement en vooral in de pub, waar de Britten zichzelf en hun land minder serieus nemen en graag bakkeleien met that nosy-parker from Holland....

Door Peter de Waard en correspondent Groot-Brittannië

Word je met een ander gevoel wakker in een land dat nog altijd pretendeert over de wereldzeeën te regeren? Nee, zij het dat het bier slapper is en daardoor de kater na een pubbezoek minder erg.

Maar het nieuws lijkt iedere ochtend zoveel opwindender te zijn dan in Nederland. De politici zijn uitgesprokener, de celebrity’s beroemder, de gebeurtenissen dramatischer en het debat heftiger.

De Britten hebben het buitenland niet nodig. De voorpagina’s van Britse kranten die ik ’s morgens op de stoep vind, zijn op een hoge uitzondering na gevuld met binnenlandse onderwerpen. Nederlandse kabinetscrises, Indonesische vulkaanuitbarstingen en Tsjetjeense onlusten kunnen zelfs in de serieuze pers niet concurreren met binnenlandse trivialiteiten als de koopwoede van de Engelse voetbalvrouwen en het feit dat Sadie Frost blij is dat Kate Moss niet wordt vervolgd voor cocaïnegebruik. Bekende Britten lijken zoveel meer voor te stellen dan BN’ers.

Voordat ik doorblader naar het echte nieuws, kijk ik op de website van de BBC. Ik zou niet willen dat een buitenlandredacteur mij belt met de opmerking ‘Elizabeth is dood’ en ik van niks weet.

Het enige opmerkelijke bericht zit in mijn e-mailpot: een persbericht van Cardiff University dat uit een onderzoek is gebleken dat deze vrijdag – 23 juni – de gelukkigste dag van het jaar is: het is lang licht, iedereen verheugt zich op het weekeinde, de vakanties zijn in aantocht en de zomer is nu echt begonnen. Ik maak er meteen een berichtje van op mijn weblog – je kunt er in de krant van de 24ste niet meer mee aankomen. Het idee dat vandaag de gelukkigste dag van het jaar moet zijn, stemt mij meteen depressief.

Toen ik als correspondent begon, bladerde ik zeven kranten door, knipte alles uit en vormde in twee weken een stapel knipsels die voldoende kopij voor vijf jaar zou genereren. Twee maanden later gooide ik de vergeelde knipsels weg en beperkte mij tot twee kranten. Het echte nieuws is beter te vinden in de wandelgangen van het parlement, op straat en in de pubs, waar de mensen zichzelf en hun land minder serieus nemen dan de media en graag met that nosy-parker from Holland redetwisten.

Het correspondentschap begint met een lege agenda, een blanco adressenboek en veel vrije tijd, waardoor ik dacht in een jaar mijn golfhandicap te kunnen halveren. Inmiddels is het netwerk zo groot dat een hoofdredacteur zich aan kapitaalvernietiging zou schuldig maken door mij terug te halen naar Nederland en is de agenda zo vol dat driekwart van alle borrels moet worden afgezegd om niet in de Betty Ford-kliniek te eindigen.

Elke dag begint met de kruistocht tegen de Britse bureaucratie. Waarom ontbreekt de contrasignering op de accreditatie voor de Labour-conferentie eind september? Als je te laat bent, kost het tweehonderd pond. En waarom heb ik nog niets van Arsenal gehoord over de benefietwedstrijd van Bergkamp?

Vandaag zijn er vijf persconferenties in Londen die ik graag zou willen bezoeken. Maar ik kan er maar één doen, omdat ze bijna allemaal om elf uur beginnen. Ik wil een reportage maken over de Speaker’s Corner op Hyde Park die teloor lijkt te gaan en heb een interviewafspraak met ex-hardloper, Tory-toff en bobo Lord Seb Coe die de Olympische Spelen in Londen gaat organiseren.

Als correspondent lijkt ineens alles interessant. Ik zal niet over de baan klagen. Je mag in een ander land vijf jaar boven je stand leven. Je hoeft daarvoor niet eens zoals een zakenbankier elke ochtend om half zes op te staan, maar kunt tot half negen in bed blijven liggen. Je wordt uitgenodigd voor de garden party op Buckingham Palace en de preview van de nieuwe Velasquez-tentoonstelling in de National Gallery, waarvoor het publiek uren in de rij moet staan. Met een accreditatie kun je vooraan zitten op Old Trafford, Wimbledon en de royal enclosure van Royal Ascot. En je mag zelfs af en toe de premier een vraag stellen.

De persconferenties van Tony Blair kennen een vaste hiërarchie van vragenstellers: BBC, ITV, Channel 4, Sky, The Sun, The Times tot uiteindelijk Robin Oakley van CNN.

De rest of the presspack mag daarna om de microfoon vechten. Blairs vinger gaat wijzend rond. Ik ben ik er twee keer in geslaagd een vraag te stellen. Antwoord krijg je niet. Blair is de grootmeester van het ontwijkende antwoord. En je kunt er niet op door gaan: Prime minister, that was not an answer on my question. De microfoon is al weer verplaatst naar een Poolse journalist die iets wil weten over een diplomatiek incident in Warschau.

Nieuws levert Blairs persconferentie nooit op. Het gaat er ook niet om wat hij zegt, maar hoe hij zegt. Het draait om presentatie en spin.

Van de schijnwereld van Garden Party’s, Brit Awards, Downing Street en Seb Coe waar iedereen zich belangrijk vindt, ga ik naar huis. Om vier uur ’s middags heb ik nog niets voor de krant van de volgende dag. Mijn vingers jeuken. Een krant zonder een stukje van mij is mijn krant niet. Gelukkig staat de reportage over Nottingham er morgen in. Maar ik wil ook nog iets schrijven voor de nieuwspagina.

Er ligt nog een onderzoek dat de verkeersopstoppingen in de stad nu erger zijn dan voor de invoering van de omstreden congestieheffing – een toltarief waar ook in Nederland naar wordt gekeken. Het onderzoek lijkt goed onderbouwd met cijfers van gemiddelde snelheid op vele punten in de stad. Maar de bron is verdacht: de autolobby. Ik bel de dienstdoende voorlichter van Transport for London voor een reactie. Hij laat mij vijf minuten aan de lijn hangen. ‘Helaas. Mijnheer O’Hara moet u antwoord geven, maar die is al naar huis. Belt u maandag maar terug.’ ‘Dat kan niet’, roep ik boos. ‘Het gaat om een stukje voor de krant van morgen. Ik moet vandaag antwoord hebben.’

Hij laat mij weer vijf minuten hangen. ‘Sorry. Maar u kunt beter een e-mail sturen met de vragen.’ Uiteindelijk zoek ik mijn toevlucht tot chantage. ‘Als u niet reageert staat in een Nederlandse kwaliteitskrant de kop Congestieheffing mislukt.’ Na tien minuten heen en weer praten, zegt hij mij weer even geduld te hebben. Daarna klinkt het aan de andere kant van de lijn: ‘John O’Hara.’

Ik kan het nieuwsstukje genuanceerd opschrijven. Mijn vrouw komt thuis uit het echte Engeland. Ze heeft een baan als gids op Hever Castle (kasteel van Hendrik VIII’s tweede echtgenote Anne Boleyn) waar ze rondleidingen geeft aan Britse schoolkinderen, wier ouders nooit snappen dat een buitenlander met de onuitspreekbare naam Zuurbier hen over de Tudor-periode vertelt. ‘Hoe was het?’, vraag ik. ‘Ik had vandaag een groep kinderen uit Belgravia. Toen ik vertelde dat de broer van Hendrik VIII Arthur heette, zei een 8-jarige wijsneus: ik heet ook Arthur. Ik vroeg hem of hij ook de prins van Wales was. Nee, zei hij, maar zijn familie is wel gerelateerd aan de Duke of Wellington.’

’s Avonds kijk ik met timmerlieden, huisschilders, een boekhouder en een leraar in het clubhuis van de cricketclub naar een WK-voetbalwedstrijd. ‘Heet iemand van jullie Arthur? Geloven jullie dat Londen in 2012 klaar is voor de Spelen? En wanneer treedt Blair af? In krijg antwoorden waar geen krant tegenop kan. Ik voel mij een beetje wijzer en geniet van de gelukkigste dag van het jaar.

Peter de Waard in een taxi op weg van Speaker's Corner in Hyde Park naar Oxford Street, hartje Londen. (Kick Smeets) Beeld
Peter de Waard in een taxi op weg van Speaker's Corner in Hyde Park naar Oxford Street, hartje Londen. (Kick Smeets)
Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden