Black Stuff uit zwarte poel

Dubliners waarderen hun beroemde inwoners - nu met het Beckettfestival - , hun vrijheidshelden, hun bier en hun bijnamen. See you bij Stiffy by the Liffey....

Karin Veraart

Opeens is hij daar, backstage. Opgedoken in een achterkamertje van het Gate Theatre in Dublin, Edward Beckett (63) - neef van. Niet onverdienstelijk fluitist van zichzelf, maar eigenlijk altijd in de weer met de erfenis van zijn grote oom, (toneel-)schrijver en Dubliner Samuel Beckett. Nu meer dan ooit: Dublin viert het feit dat haar beroemde zoon honderd jaar geleden geboren werd. En zo is de beleefde neef daar voor een meet & greet met pers, samengestroomd voor de voorstelling Eh Joe, een Beckett uit de jaren zestig.

Edward, nu streng beheerder van het werk, wil graag kwijt hoe close hij was met de schrijver van onder meer Waiting for Godot. En dan is hij weg, op naar een volgend evenement in het kader van het Beckett Centenary Festival.

Eh Joe vervolgens, duurt weinig langer dan een half uur, voor een stel Amerikanen reden om bij de theaterkassa geld terug te eisen. Vreemd, want het is een prachtsolo van Michael Gambon, ster van het Gate Theatre - en van Dublin. De Ierse hoofdstad is fier op haar beroemde inwoners, en draagt dat graag uit. Grofweg manifesteert de trots zich rond twee thema's: geschiedenis (Vikingen en vrijheidsstrijders!) en literatuur.

Nu zijn het vooral Beckett-banieren die wapperen langs straten, stegen en de oevers van de Liffey, maar namen als James Joyce, Oscar Wilde, George Bernard Shaw en Jonathan Swift liggen op ieders lippen bestorven. Tegelijk kun je een Dubliner niet snel op dweperij betrappen - een prettig soort luchtigheid en relativerende grappenmakerij kenmerken menige conversatie, uitleg of uiteenzetting.

Die tekenen ook de sfeer in de stad. Het is goed toeven in Dublin, ondanks dat het er op het eerste oog een beetje een zootje is. Dubh Linn staat in het Gaelic (veel opschriften zijn er tweetalig, al zeggen jongere stadsmensen vaak het Iers niet meer machtig te zijn) voor zwarte poel - volgens sommigen nog immer een uiterst adequate benaming. Wie een wandelingetje begint aan de noordoever van de Liffey begrijpt wat wordt bedoeld; dit is het van oudsher armste deel. Maar onder die donkerte sluimert de charme.

Langs de zuidoever strekt zich het hippe Temple Bar District uit, 's avonds hét uitgaansgebied, overdag ook leuk met boetieks, galeries en goede koffietentjes. Daarachter weer, liggen de duurdere winkelstraten, Trinity College en het lommerrijke Stephen's Green.

De noorderlingen, intussen, claimen het betere bier: the black stuff, het Guinness, zou hier lekkerder zijn, en: goedkoper. Ter verificatie neme men vanuit Temple Bar het innemende witte bruggetje naar noord - de Duke of Wellington Bridge, bijgenaamd Ha' Penny Bridge naar het vroegere tolgeld. Dubliners weten een goede bijnaam te waarderen: de bronzen visverkoopster Molly Malone, met haar karretje in het centrum vereeuwigd, is 'a tart with a cart'; het natuurhistorisch museum met zijn opgezette beesten 'the dead zoo', de Millennium Spire, een weinig populaire 120 meter hoge piek onder (heel veel) meer 'the Stiffy by the Liffey'.

Celtic Tiger is de naam waarin de Ierse economische opleving ligt vervat die het land nu ruim tien jaar doet opstoten in de vaart der volkeren en die ook de zieltogende noordkant niet ongemoeid liet. Voor weerslag van die welvaart moet je overigens eerst aan het Famine monument voorbij, een indrukwekkende beeldengroep van uitgemergelden - slachtoffers van de hongersnoden van de 19de eeuw. Pal erachter begint de wijk Docklands: flitsende flats, met restaurants en cafés tussen mooie industriële monumenten.

De Liffey - naar geest een vrouwelijke rivier, zeggen kenners - laat zich hier van haar charmantste kant zien; met de millenniumviering is ook een luxe, brede promenade (boardwalk) aangelegd, waarlangs joggers rennen en toeristen voortdurend fotostoppen. Op de kop ligt een goederentreindepot-omgetoverd-tot-kanjer-van-concertzaal voor grote producties als Celtic Tiger van dansfenomeen Michael Flatley (Lord of the Dance).

Terzelfder hoogte aan de over(zuid-)kant is het gaan vervallen. De pietepeuterige Pembroke Cottages komen nauwelijks boven de geparkeerde auto's uit; een aanpalende winkelstraat is bepaald een rommeltje. Maar terug richting centrum kom je langs het chique Ballsbridge en zijn karakteristieke Georgian townhouses met voordeuren in kleuren die inmiddels een even hoog icoongehalte hebben als de Ierse pubs.

In O'Neills, kroeg op steenworp afstand van Becketts alma mater, staan twee professionals hun best te doen op mafketels Gogo en Didi uit Waiting for Godot. Donagh Deeney en Jessica Freed maken deel uit van de club acteurs die de Literary Pub Crawl verzorgen: een kroegentocht met literaire tint. De strenge Edward Beckett ziet hier door de vingers dat een personage door een vrouw wordt vertolkt. 'Al jaren', grinnikt Freed. Ook zij hebben haast: op naar de volgende crawl, en dat 360 avondjes per jaar. En weg zijn ze. Het Dublingevoel lijdt er niet onder. Zoals het geintje zich laat lezen op de abri's in de stad: Start without me. Godot.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden