Bionische man

Zijn eerzucht is onmetelijk, zijn wilskracht van graniet en zijn ego zo groot als een multinational. Vier biografieën van Lance Armstrong: ‘Je zou hem een stijlvolle nederlaag willen toewensen.’..

De wording van Lance Armstrong, zoals beschreven door zijn moeder in No Mountain High Enough, laat zich lezen als een panklaar scenario voor David Lynch of een andere regisseur die wel raad weet met de verraderlijke rust in de voorsteden van Amerika.

De scene speelt zich af in Dallas, 1970. Het is een voor Texaanse begrippen frisse herfstochtend en de asblonde Linda Gayle Mooneyham (graag gespeeld door Olivia Newton-John) draagt haar cheerleader-jack. Ze is op weg naar school en houdt de boeken stevig tegen haar borst geklemd, een schild tegen aantasting van haar zedelijkheid.

Dan duikt Eddie Haskell (John Travolta) op. Eddie is het soort jongen voor wie moeders hun dochters waarschuwen, zo’n charmante schelm. Of hij haar een ritje mag aanbieden naar het schoolplein in zijn Pontiac GTO. Gave auto voor een gave meid, zegt hij. Linda houdt wel vier keer de boot af, bekend als ze is met de reputatie van Eddie Haskell, maar uiteindelijk wint zijn Pontiac het pleit. ‘Maar meteen naar school’, zegt Linda nog wel. ‘Meteen naar school’, belooft Eddie.

De rest van het jaar cruisen Linda en Eddie samen door Dallas en ruim een jaar later, inderhaast getrouwd, krijgen ze een zoon. Ze noemen hem Lance naar Lance Rentzel, beroemd speler van de football-club Dallas Cowboys met wie het slecht zou aflopen. De 17-jarige Linda heeft echter het leven geschonken aan een waarachtig koningskind. Geen berg zal hem te hoog gaan, zoals haar biografie ook in het Nederlands woordspelig is vertaald, en dat betrekt ze maar meteen op zichzelf – zo zoon zo moeder.

Eddie Haskell (in werkelijkheid heette hij overigens Eddie Gunderson) wordt al snel bedankt voor zijn bewezen dienst. Ze vindt het helemaal niet erg om opgezadeld te zijn met een kind. Integendeel. ‘Mijn zoon was mijn redding.’ Het moederschap gaf haar leven betekenis. In Lance vond Linda Gayle Mooneyham een bondgenoot, een doel en de enige man die haar werkelijk trouw is gebleven.

Deze Lance Armstrong (de achternaam is van Linda’s tweede echtgenoot) staat op het punt zijn sportieve carrière te beëindigen met een zevende Tourzege. Bij zijn eerste, in 1999, werd hij nog binnengehaald als de redder van de wielersport. Een jaar eerder was de Ronde van Frankrijk bijna om zeep gebracht door dopingperikelen en de directie zag in hem een gedroomde winnaar. Ook toen al waren er enige verdachtmakingen betreffende stimulantia, maar hij weersprak ze met allure en als voormalig kankerpatiënt was Lance Armstrong boven twijfel verheven. Wie zo ziek was geweest, zou zijn gezondheid niet riskeren voor een zege in de Tour de France.

Vijf jaren en vijf Tours later is de stroom geruchten alleen maar aangezwollen en er zijn oud-medewerkers opgestaan om hem te beschuldigen van dopinggebruik. Tot een tuchtzaak heeft dat nooit geleid.

Lance Armstrong is uitgegroeid tot een tegenstander van formaat, een coureur zo groot ook dat de Tour-directie vermoedelijk blij is als hij er op 24 juli een punt achter zet. Meer nog dan zijn illustere voorgangers Anquetil, Merckx, Hinault en Indurain heeft Armstrong de Ronde van Frankrijk in een wurggreep. In haar biografie verklapt Linda Armstrong dat haar zoon zich vroeger verbeeldde the bionic man te zijn. Hij is het geworden.

Uitgezonderd de editie van 2003, waarin de voorbereiding te kort schoot, is Lance Armstrong voortdurend superieur geweest, zowel lichamelijk als geestelijk. Maar niet alleen in sportief opzicht heeft hij zich de Tour toegeëigend. Armstrong heeft met zijn ploeg een organisatie binnen de organisatie gecreëerd. Het wielrennen is altijd een sport geweest waarin beoefenaar en supporter dicht bij elkaar stonden. Daaraan heeft Lance Armstrong meedogenloos een einde gemaakt.

Het is mooi dat kankerpatiënten in hem een rolmodel vinden, maar voor de rest van ons is het de laatste jaren de dood in de pot geweest. Zijn punctualiteit is onberispelijk, zijn eerzucht onmetelijk, zijn wraakzucht gevreesd, zijn wilskracht van graniet en zijn ego zo groot als een multinational. Dat heeft zich uitbetaald, maar zo langzamerhand is Lance Armstrong veel menselijks vreemd. Je zou ‘the bionic man’ de komende maand een stijlvolle nederlaag willen toewensen, zo eentje als Miguel Indurain leed in 1996. Sporthelden die het alleen van bewondering moeten hebben, leven niet lang voort.

Afgezien van de biografie van moeder Armstrong zijn er aan de vooravond van de Tour nog drie boeken verschenen die het fenomeen belichten. Ze zijn dringend gewenst. Wat we van Lance Armstrong weten, is voornamelijk geautoriseerde kennis, geput uit zijn twee biografieën. Armstrong is een meester in de omgang met de media. Hij wekt de schijn van openhartigheid, maar weet precies wat hij kwijt wil.

Aanvankelijk was Armstrong een innemende opschepper die op een leuke manier lak had aan de mores in het Europese wielrennen. Hij had zich in de triatlon onderscheiden op de fiets en zich daarmee een plek verworven bij Motorola, de Amerikaanse wielerploeg die in het begin van de jaren negentig deel uit maakte van het peloton in Europa. Zijn agressieve, bonkige manier van fietsen leverde ritzeges op in de Tour en de wereldtitel in 1993.

Bij Lance Armstrong I werd ruim tien jaar geleden kanker geconstateerd, zo hevig dat het einde nabij leek en zou hij het overleven, dan toch niet als wielrenner. Uit die hopeloze situatie werd Lance Armstrong II geboren. Hij herrees uit de dood als een tanig mens die, na een moeilijke aanloop, opeens in staat bleek mee te strijden op de hoogste cols en uit te blinken in tijdritten. Lance Armstrong was een ronderenner geworden, zo eentje die zijn krachten doseert, die aanvalt als het moet en die verdedigt als het kan.

Sinds hij zich in zijn comeback heeft gevormd tot de Tourrenner par excellence fietst Lance Armstrong zonder achteruitkijkspiegel. Volle kracht vooruit, alleen de toekomst telt. In geen der twee biografieën wilde hij langdurig stilstaan bij zijn natuurlijke vader of bij de hardhandige vader die hem zijn achternaam schonk. Gelukkig is moeder Linda wat scheutiger met haar herinneringen. Als haar biografie iets duidelijk maakt, dan is het dat de wilskrachtige Lance Armstrong II het product is van haar genen. De onbezorgde Lance Armstrong I moet een aardje naar zijn vaartje hebben gehad.

Voor de rest staat Geen berg te hoog bol van spierballenwijsheden. Waar een wil is is een weg, een tegenslag is een mogelijkheid en today is the first day of the rest of your life, zo’n posterspreuk van lang geleden, maar in de Armstrong-context bijna een vanzelfsprekendheid. Opvallend ook de pluralis majestatis in geval van hoogte- of dieptepunten. Als zoon wereldkampioen wordt, roept moeder: ‘We did it’ en als hij getroffen wordt door kanker zegt zij: ‘This is not going to happen to us’. Kortom, een vrouw van wie je als zoon graag een keer moederdag vergeet.

Van de andere boeken belooft Inside the Postal Bus het meest. Het levert ook de grootste teleurstelling op. Schrijver Michael Barry is ploeggenoot van Armstrong en staat dus overal met zijn neus bovenop, maar moet dat hebben gedaan met oren en ogen dicht. Mogelijk is hij te veel intimus om oog te hebben voor het bijzondere, mogelijk zijn er klemmende afspraken gemaakt met de kopman over de inhoud.

De interessantste kanttekening komt van George Hincapie, een andere en belangrijkere passagier van de Postal Bus. Hincapie roept de Tour van 2003 in herinnering, waarin Armstrong wankelde na een teleurstellende tijdrit. Volgens Hincapie had hij daarin echter zijn allerbeste prestatie geleverd, omdat ze slechts geschraagd werd door doorzettingsvermogen. Lance Armstrong is zo getroffen door het compliment dat hij daaruit de moed put om zijn zwaarst bevochten Tour binnen te halen, zo wil althans het verhaal van Hincapie en het is te mooi om niet te geloven.

Voor 23 dagen in juli van de Engelse wielerjournalist John Wilcockson geldt de uitspraak van Ernest Hemingway dat wielrennen een sport is die slechts in de Franse taal beschreven mag worden. Eigenlijk is dat onzin, want het Nederlands (Vlaams meegerekend) voldoet veel beter, maar zijn opmerking legt wel de feilen van het Engels bloot.

Ondanks Armstrongs succes is het wielrennen Wilcocksons lezers kennelijk nog zo vreemd, dat alle regels en gebruiken gepaard gaan van een alinea uitleg. Echt jammer is het dat de auteur er niet in slaagt iets wezenlijks toe te voegen aan hetgeen Lance Armstrong zelf al prijs gaf in zijn biografieën.

Voorafgaand aan de Tour van 2003 is Wilcockson naar Austin gereisd voor een audiëntie bij zijn hoofdpersoon. Gevraagd naar wat hem nog drijft, wijst Lance Armstrong naar een plek op de muur waar nog plek is voor een zesde gele trui. ‘Alsof daarmee alles is verklaard’, schrijft Wilcockson, maar hij neemt er wel genoegen mee.

Een jaar later komt de motivatie opnieuw ter sprake in huize Armstrong als de Amerikaanse journalist Daniel Coyle zijn opwachting maakt. In een adembenemende passage beschrijft hij hoe de dan zesvoudige Tourwinnaar een tirade begint tegen alle ‘trollen’ die hem, de grote Lance Armstrong, de voet proberen dwars te zetten met hun miezerige dopingverhalen. Op dat moment beseft Coyle dat de loopbaan van Armstrong het sportieve en financiële belang allang is overstegen. ‘Dit is een gevecht en het kan nooit stoppen, want als Armstrong stopt met vechten, houdt hij op te leven.’

Daniel Coyle heeft zijn boek daarom Lance Armstrong’s War genoemd. Het is een proeve van Amerikaanse sportjournalistiek in de beste tradities, precies wat nodig is om Armstrongs biografieën in perspectief te zetten. Alle genoemde Armstrong-aspecten (wraakzucht, eerzucht, wilskracht en monumentaal ego) worden in alle eerlijkheid en veelkleurigheid aan de orde gesteld.

De inspanning ging zo ver dat Coyle zich in februari 2004 met vrouw en vier kinderen vestigde in Girona, de Spaanse uitvalsbasis van Amerikaanse wielrenners. Hij sprak met iedereen die ertoe deed in Armstrongs omgeving, ook met Dr. Evil (de zo omstreden sportarts Ferrari). Net als Wilcockson volgde Coyle Armstrongs Tour-expeditie van 2004 van dichtbij, maar stelde hij wel de juiste vragen, deed wel de rake observaties en bewaarde alle uitleg voor een apart hoofdstuk.

In december van dat jaar hadden Coyle en Armstrong hun laatste ontmoeting. Bij het afscheid neemt Armstrong hem mee naar de garage. Daar staat een Pontiac GTO, bouwjaar 1970, te glimmen. De auto is een cadeautje van vriendin Sheryl Crow en van hetzelfde type als zijn vader 35 jaar geleden bezat, de auto dus waarmee het allemaal begon.

‘So now we spend a long moment looking at the car, shining and black and perfect. ‘‘Hell of a fast car’’, he says. ‘‘Hell of a car’’.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden