BIOGRAFIENieuwe feiten en getuigenissen over David Bowies cocaïneverslaving

Er waren er al een stuk of vijftien. Toch komt biograaf nummer zestien met iets wat we nog niet wisten.

Goh, alweer een David Bowie-biografie. Op Amazon.com staan er zo rond de vijftien vermeld, en gegeven dat aantal vraag je je af wat iemand drijft om er nog een aan toe te voegen. Voor de liefhebber heeft zo'n ongoing output van levensschetsen van popsterren iets verslavends. Je wil toch weten of biograaf nummer zestien nog iets heeft weten op te duiken, aan te vullen, toe te voegen, bij te stellen. De stroom van boeken over sommige pop-iconen wakkert die verslaving bij me aan. En dan hoeven het niet eens popmuzikanten te zijn die hoog op de playlist van mijn iPod staan. Er staat - ik beken - een halve boekenplank Madonna-biografieën bij mij thuis - maar naar haar muziek luister ik nog maar zelden. Toch blijft de junk in mij de Madonna-biografieën kopen. Idem bij - bien étonné - Lou Reed, de Sex Pistols, Elvis Costello en Herman Brood.


De gemiddelde Bowie-biografie zakt op tweederde meestal dramatisch in, en dat ligt zelden aan de kennis en kunde van de biograaf, maar aan het feit dat Bowie zélf na, zeg, het album Let's Dance (1983), gestaag weg zeilde in de richting van middelmaat en zelfherhaling. Bowies wonder years zijn en blijven de jaren zeventig, het decennium waarin hij sneller van gedaante en imago wisselde dan, later, Madonna dat zou presteren. Ziggy Stardust, A lad insane, The thin white duke - Bowie couchsurfte van de ene naar de andere identiteit, mengde underground met gitaarrock, was hetero-, homo-, noch bi- maar omniseksueel, droeg de plateauzolen van een discoheld, flirtte met avant-garde en tegencultuur, en reikte tegelijk naar de status van popidool for the millions. Hij was, in de jaren zeventig: onvoorspelbaar. Hij was: ongrijpbaar. Verruilde Londen voor Berlijn lang voordat die stad de naam had hip te zijn.


En dan de albums. Hunky Dory. Station To Station. Ziggy Stardust. Low. Heroes. Deze en andere albums uit de jaren zeventig kwamen bij mij wél op de iPod, en verdwenen nooit uit de hoogste regionen van de afdeling 'meest afgespeeld'.


Niet zo fijn aan Bowie was zijn tijdelijke en nooit helemaal opgehelderde obsessie met het fascisme. Aan die obsessie worden Bowie-fans niet graag herinnerd, maar geen biograaf kan eromheen. In een interview in Playboy uit 1974 zei Bowie: 'Adolf Hitler was een van de eerste rocksterren. (...) Hitler was geen politicus. Hij was een mediafenomeen. De wereld zal nooit meer iemand van zijn kaliber voortbrengen. He staged a country.'


Oef.


Dictator

Niet veel later deed hij er nog een schepje bovenop. 'Ik geloof sterk in het fascisme.' Dat we het maar even wisten. De finale uithaal kwam, wederom in Playboy, in 1976: 'Ik had een soort Hitler in Engeland kunnen zijn. Ik zou een uitstekende dictator zijn. Nogal excentriek en behoorlijk gek.' Later probeerde Bowie die sweeping statements min of meer te relativeren door het op een soort cultuurhistorische fascinatie te gooien: 'De magische kant van de nazicampagne interesseerde me destijds, en ook de mythologie die ermee verbonden was.' Zou het?


In de loop van de jaren worstelden diverse Bowiebiografen met deze curieuze ode aan het fascisme in het algemeen en Hitler in het bijzonder. Peter en Leni Gillman beschouwden in Alias David Bowie (1986) die ode als een uitvloeisel van de waanzin die hij ofwel gewiekst simuleerde ofwel oprecht probeerde te bezweren. Bowies broer Terry leed van jongsaf aan schizofrenie, en het echtpaar Gilman ontrafelt de teksten van met name het album Aladdin Sane ('a lad insane') op sporen van identificatie met de schizofrenie van zijn broer Terry.


Christopher Sanford voorzag de flirt met het fascisme in Bowie, Loving the Alien (1996) van een cultuurhistorisch en filosofisch rafelrandje, dat een licht potsierlijke indruk maakt: 'De fixatie met fascisme kwam voort uit een oprechte interesse in het Duitse expressionisme.' Verderop in de biografie vliegt Sanford echt uit de bocht: 'Bowie beschouwde het fascisme als het directe gevolg van de crisis van vóór 1914 in Europa, toen Darwins determinatie-leer, Nietzsche's fatalisme en de door Freud ontworpen psychoanalyse de morele zekerheden van dit tijdvak onderuit haalden.'


David Bowie als een pophits scorende kruising tussen Ernst Jünger en Martin Heidegger - geloven wij dat? Onbedoeld grappig is dat Sanford in één bijzin meldt dat excessief cocaïnegebruik misschien enige wanorde in het brein kon hebben veroorzaakt.


Definitief

Bowies trek in coke keert terug in vrijwel iedere biografie, maar David Buckley was, in Strange Fascination. David Bowie, The Definitive Story (1999) de eerste die de fascisme-episode geheel en al toeschrijft aan paranoia en grootheidswaan, veroorzaakt door de overconsumptie van coke en alcohol. Althans, Buckley laat er in zijn biografie derden over aan het woord, onder wie de journalist en toneelschrijver Alan Franks: 'Bowie was in die jaren zo depressief als de hel. Hij kende echt de diepten van drugsverslaving. Ik geloof ook wel in de verhalen over zijn zelfmoordneigingen uit die tijd. (...) Bowie was ten prooi aan chemicaliën die enorme wisselingen in zijn gemoedsleven veroorzaakten. Dat gemoed stuiterde alle kanten op, tot in het uiterste, en het fascisme was één van die vele onnavolgbare uitersten.'

In het nu verschenen Starman. David Bowie, The Definitive Biography (in de popcultuur móet iedere biografie vergezeld gaan van het epitheton 'definitief') weet biograaf Paul Trynka de feiten en getuigenissen over die cocaïneverslaving te ontsluieren. Het is ontluisterende informatie. Bowie haalde begin jaren zeventig regelmatig vier à vijf nachten door, zonder zelfs maar één uur slaap te pakken. Hij deed dit regelmatig in zijn eentje, maar vaak ook met een medegebruiker, Glenn Hughes, destijds bassist van Deep Purple. Hughes geeft inzicht in de 'nuchtere' feiten over de door coke aangejaagde psychosen waaraan Bowie soms ten prooi was. 'Hij keek dan dagen en nachten naar ellenlange nazifilms' en geloofde ook dat in ieder tv-toestel een paar ogen verscholen zat dat de kijker in de gaten hield. Zelf was hij sowieso van intergalactische komaf, beweerde Bowie eens tijdens die nachtenlange cokesessies. De nu onthulde proporties van grootverbruik werpen, zacht gezegd, een nieuw licht op Bowies voorliefde voor ruimtevaart, aliens, extra-terrestrials. Hij was, in zijn door coke veroorzaakte psychosen, de private voorafschaduwing van de rol die hij zou spelen in de film The Man Who Fell To Earth uit 1976.


Grootverbruik van cocaïne als de 'diagnose' voor de wild zwiepende statements over Hitler en als mediaster: het klinkt overtuigender dan de quasi-intellectuele schaamlap in het boek van Sanford, of de vrij willekeurige psychologisering ('schizofrenie in de familie'), toegepast door het biografenechtpaar Gillmann. Trynka is in Starman redelijk hardnekkig in zijn pogingen om niet alleen Bowies uitspraken maar ook zijn muziek uit die jaren te verbinden aan de stevige trek in coke, met alle gevolgen van paranoia en betrekkingswaan van dien.


In de Times Literary Supplement verscheen een waarderende recensie over Trynka's Starman. Toch was het eindoordeel streng: 'Er is nog steeds geen échte definitieve Bowie-biografie.'


Godallemachtig, en er zíjn er al zo'n vijftien! Het kan niet anders of tenminste vijftien andere (aspirant)biografen zullen die conclusie beschouwen als een dwingende aansporing. Ik hoop dat míjn verslaving (de leeshonger) al die toekomstige biografieën nog kan voeden.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden