Biografie zonder hoofdpersoon

WAT DOE je als biograaf met een man die zijn reputatie heeft te danken aan grote verdiensten voor de publieke zaak, maar over wiens privé-leven zo goed als niets is overgeleverd?...

Met dat probleem zaten Henne van der Kooy en Justus de Leeuwe die - 'hoe dan ook', bekennen ze in hun inleiding - een portret wilden schrijven van de ondernemende Amsterdamse arts Samuel Sarphati, 'ook al zou het beperkt moeten blijven tot een bundeling van wat er in deelstudies over hem te vinden was'.

Maar te vinden zijn eigenlijk alleen de maatschappelijke prestaties.

Sarphati zou zijn naam verbinden aan zulke ogenschijnlijk uiteenlopende initiatieven als een vereniging ter bevordering van de farmacie, een onderwijsinrichting voor handel en nijverheid, een vuilophaaldienst, een brood- en meelfabriek, een maatschappij voor landbouwontginning, een crediet- en depositobank, een bank voor Suriname, een vereniging en al gauw ook een Paleis voor Volksvlijt, en ten slotte - kroon op het werk - een prestigieus hotel genaamd Amstelhotel.

De geschiedenis van al die wapenfeiten valt terug te lezen in de archieven, het 'paleis' heeft tot de brand van 1929 met galerij en al het stadsgezicht van Amsterdam bepaald, en in het Amstelhotel kun je als deftige gast tot op deze dag een overnachting boeken. Maar van de held die het allemaal teweegbracht, hebben we alleen maar een ongedenkwaardig borstbeeld over, dat een beetje verstopt staat in een naar hem genoemd park, in de buurt van de naar hem genoemde straat die niet eens dank zij hem, maar dank zij Nescio ('Behalve de man die de Sarpahtistraat de mooiste plek van Europa vond, heb ik nooit een wonderlijker kerel gekend dan de uitvreter') beroemd is gebleven.

Het leven van Sarphati lijkt uitsluitend bestaan te hebben uit het ontwikkelen van grote, halsbrekende projecten - alsof er dus domweg ook geen ruimte zou zijn overgebleven voor iets anders. Over z'n jeugd en z'n schooljaren schijnt niets bekend. In z'n (Leidse) studententijd moet hij al allerlei sociale en bestuurlijke activiteiten hebben ontplooid waarvan ook nauwelijks iets is beklijfd. Eenmaal als armendokter gevestigd in de verpauperde Amsterdamse jodenbuurt, komt hij als een sociaal-medische missionaris in het geweer tegen de erbarmelijke hygiënische omstandigheden waarin z'n patiënten verkeren, maar al gauw blijken z'n ambities veel verder te reiken dan de bescheiden kring van z'n artsenparochie. Hij trouwt, boven z'n stand, 'met een edele, geestelijk zeer ontwikkelde vrouw', maar over dat huwelijk weten we even weinig als over z'n vriendschappen, of over z'n relaties met de Portugees-joodse gemeenschap en z'n eigen, blijkbaar orthodoxe religiositeit. Zelfs over de oorzaak van z'n vroege dood - hij stierf in 1866, amper 53 - moet de biograaf in het duister tasten.

Wat konden Van der Kooy en De Leeuwe méér dan bundelen van wat ze uit deelstudies al van hem wisten?

Je zou zeggen: op zoek naar circumstantial evidence, naar de historische context, naar tijdgenoten, naar zoiets als de geest van de vroege, nog betrekkelijk 'pre-liberale' negentiende eeuw.

Dat hebben ze ook geprobeerd, maar daar zijn ze jammer genoeg niet zo goed in. Hun poging om iets te achterhalen van Sarphati's studentenactiviteiten - hij was in Leiden een jaargenoot van onder andere Nicolaas Beets, wat toch een paar perspectieven beloofde - blijft steken in een nogal dorre en veel te wijdlopige beschrijving van wat er rond 1830 bij de alma mater allemaal veranderde, zonder dat al die details ook maar iets bijdragen tot een scherper beeld van de student Sarphati.

Vlijtig bronnenonderzoek leidt ook in het geval van de brood- en meelfabriek, de landbouwontginningsplannen, de volksvlijtbeweging, de stichting van diverse banken, tot veel wetenswaardigs - maar Sarphati komt geen millimeter dichterbij.

Over z'n tomeloze energie kan geen twijfel bestaan, maar hoe werd hij van de sociaal bewogen beschermer van z'n gesjochten kleine patiënten tot de eerzuchtige voortrekker van een hele stad? Welke persoonlijke geldingsdrang speelde een rol bij al die ondernemingen die de grenzen van de Amsterdamse jodenbuurt al snel overschreden? Een vuilophaaldienst, een broodfabriek, een handelsschool en een vereniging voor volksvlijt - dat leek allemaal nog te passen binnen de nobele wens om het leven van de mindere man menswaardiger te maken - maar een heel paleis, een verzameling banken en een rijkeluishotel, plus een belendende stadsuitleg waarvan zelfs de meest geëmancipeerde scharrelaar nooit zou kunnen dromen? Kortom: wat precies dreef hem?

Burgertrots, is de meest gehoorde, en ook door Van der Kooy en De Leeuwe aangehangen verklaring. Sarphati zou in zekere zin de 'pionier' zijn geweest van een liberale generatie burger-ondernemers van wie de bekendste vertegenwoordigers (Polak, Wibaut, Miranda) pas later in de negentiende, en in het begin van de twintigste eeuw hun stempel op stad en land zouden drukken.

Ongetwijfeld zullen die latere boegbeelden van de typisch negentiende-eeuwse ondernemersbourgeoisie in Sarphati een grote voorganger hebben moeten erkennen. Maar de 'monocausale' verklaring voor zijn drijfveren blijft iets onbevredigends houden. Aankomende leden van de nog betrekkelijk kleine burgerij waren er genoeg in zijn tijd, aan particuliere initiatieven was al vroeg geen gebrek - maar een zo overdonderende uitwaaiering van activiteiten moet toch iets specifieks van die ene man zijn geweest, en met specifieke kanten in zijn karakterstructuur te maken hebben gehad.

Nog in het jaar van zijn dood schreef een vriend, de Amsterdamse koopman P.N. Muller, een necrologie in De Gids, waaruit Van der Kooy en De Leeuwe, ten onrechte dunkt me, slechts een paar zinnen citeren.

'Den man wil ik herdenken', schreef Muller, 'die waarlijk niet heeft mogen juichen in zoo onverdeelde medewerking als waarop zijne bedoelingen hem recht gaven te rekenen. Miskenning en tegenwerking waren meer zijn deel. Hard en onverdiend luidde dikwijls het oordeel over hem. De kleine eerzuchtige zag met wangunst den ''vreemdeling'', zooals men den Israeliet nog zoo gaarne ten onzent wil noemen, groote zaken tot stand brengen, tot welker ontwerp zelf zijn beperkter brein niet bij machte was. Onmagt hem te volgen, laat staan hem te overtreffen, wekte dan vaak jaloezij. ''De man is onhandelbaar'', heette het. ''IJdelheid der ijdelheden, niets dan ijdelheid was de bron waaruit al dat rustelooze plannen maken voortspruit. Hij was een type zijner natie, tuk op toejuiching, verzot op roem.'' En ik antwoord hen die gisteren nog alzoo spraken, maar die heden nog ijveriger zijn dan zijn trouwste vrienden in het verkondigen van zijn lof, dat ik Amsterdam en geheel Nederland geluk zou wenschen met een dozijn van die eerzuchtige mannen zooals dr Sarphati er ongetwijfeld een was. Alsof zonder eerzucht, alsof zonder bepaalden hartstocht ooit iets groots tot stand kan komen.'

Over het Nederlandse antisemitisme in de negentiende eeuw houden Van der Kooy en De Leeuwe zich overwegend op de vlakte. Ze sluiten niet uit dat het Sarpahti een hoogleraarschap (schei- en natuurkunde) aan het Atheneum Illustre heeft gekost, en dat er in het Amsterdamse gemeentebestuur nogal wat heren rondliepen die hem niet lustten omdat hij 'Israeliet' was. Maar verder hebben ze zich in het onderwerp niet erg verdiept, zodat we ook nauwelijks te weten komen of Sarphati er mogelijk als student in het 'gojse' Leiden al onder heeft geleden, laat staan dat ze hebben onderzocht in hoeverre zijn inspanningen voor de publieke zaak en zijn brandende eerzucht wellicht ook zijn aangeblazen door een voortdurende behoefte aan maatschappelijke revanche of zelfs rehabilitatie tegenover al die christen-regenten die hem 'een type zijner natie' noemden.

Maar was hij niet ook, of god mag weten mede daarom, een voor zijn omgeving onuitstaanbare querulant, wiens ambitieuze vergezichten - een Amsterdams crystal palace naar het voorbeeld dat hij in 1851 op de Londense wereldtentoonstelling had gezien, en waar hem de armzaligheid van de Nederlandse inzending diep had geërgerd - de slome stadsbestuurders van Amsterdam telkens de stuipen op het slaperige lijf joegen?

Tamelijk verstopt blijft in de 'biografische monografie' ten slotte het antwoord op de vraag hoezeer Sarphati als onverschrokken projectontwikkelaar avant la lettre zijn hand uiteindelijk heeft overspeeld. Het staat wel vast dat hij aan het eind van zijn leven vrijwel failliet was, en dat er nog jaren nodig zijn geweest om de financiële janboel rond de exploitatie van het Paleis voor Volksvlijt en de Amstelhotelmaatschappij weer een beetje op orde te krijgen. Een jaar vóór zijn eigen dood was zijn vrouw gestorven. Het leek, schreef P.N. Muller, 'alsof het gemis van dat eene stipje in die grootsche ruimte hem doof en onverschillig maakte voor zijn Paleis'. En de biografen vervolgen: 'De financiële verwikkelingen rond het Paleis hadden zijn privévermogen opgeslokt; de schulden en het persoonlijk verlies waren voor zijn vriend Wertheim reden om te schrijven dat zijn dood ''bijna een toevlucht'' was.' De suggestie van zelfmoord blijft hangen, zoals iets te veel in het boek.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden