Biografie Vincent van Gogh

Twee nare pestkoppen zouden op de dag des onheils Vincent hebben vermoord.

Zal er ooit een gedetailleerder en meeslepender biografie over Vincent van Gogh worden geschreven dan Vincent van Gogh. De biografie door Steven Naifeh en Gregory White Smith? Lijkt me niet. Toch kan dit niet de zogeheten definitieve biografie zijn, omdat beide biografen tekortschieten op juist díeplek in de biografie waar zij pretenderen een kardinaal feit in Vincents leven bij te stellen: het was moord, geen zelfmoord. Twee jongens zouden Van Gogh meer dan eens hebben getreiterd, en op de dag des onheils zou een van hen op hem hebben geschoten.


Die bijstelling is geen sinecure. Als Naifeh en Smith gelijk hebben, kunnen de geschriften van hele regimenten kunsthistorici bij het grof vuil worden gezet: van hen die Van Goghs schilderij Korenveld met kraaien, gemaakt enkele weken voor zijn overlijden, hebben geïnterpreteerd als een symbolische aankondiging van een zelfverkozen dood, .


Naifeh en Smith voeren in de biografie geen bewijzen aan voor hun theorie van de moord, wel veel veronderstellingen. In die veronderstellingen zijn vrij makkelijk gaten te schieten.


De biografen richten zich op de onbeantwoord gebleven vragen rondom Van Goghs zelfmoord. Het wapen is nooit teruggevonden. De schotwond in de buik wekt bevreemding; schiet wie dood wil zich niet effectief door hoofd of hart? Die laatste vraag krijgt een dominante plaats in Vincent. De biografie.


Maar het voor de hand liggende antwoord komt niet aan bod. Eerder deed Vincent al zelfmoordpogingen, die even 'onhandig' en ineffectief waren. Die pogingen duiden op zogeheten impulssuïcide, waarbij de aspirant-zelfmoordenaar zijn daad niet overdenkt, maar gehoor geeft aan de dwang en drang van het moment. En gedurende die momenten weet je niet goed wát je precies doet. In dat verband is het veelzeggend dat Van Gogh zich bijvoorbeeld na het afsnijden van een deel van zijn oor zou verklaren zich niets meer van deze automutilatie te herinneren. Naar eigen zeggen was het hem overkomen en gebeurde het in een roes. Het zelfde geldt voor het incident in het verpleeghuis waar hij op zeker moment petroleum opdronk. Je zou kunnen zeggen: hij dééd het niet; het overviel en overkwam hem. Al die impulsen tot zelfverminking zijn overigens door latere biografen herleid tot symptomen van manische depressiviteit en borderline-stoornis, waaraan Van Gogh zou hebben geleden.


In de weken voor zijn dood logeerde Vincent in de herberg Ravoux in Auvers. Ravoux was ook de naam van de herbergier. In vrijwel alle recente Van Gogh-biografieën is te lezen dat Vincent een vuurwapen meekreeg van deze herbergier, om in de velden de kraaien te verjagen als hij daar aan het schilderen was. Naifeh en Smith zeggen hierover dat het 'een op niets gebaseerd' verhaal is. Waaróm het op niets is gebaseerd, leggen de beide biografen ons niet uit. We moeten er maar naar gissen.


Verder relativeren Naifeh en Smiths Van Goghs eerdere zelfmoordpogingen. Op 9 mei 1889 werd Van Gogh vanwege een 'acute manische en delirante toestand' opgenomen in het instituut Saint Paul de Massole in het plaatsje Saint-Rémy. Behandelend arts was daar Théophile Peyron. Over deze Peyron schrijven Naifeh en Smith: 'Dr. Peyron meende er een zelfmoordpoging in te zien dat Vincent aan zijn penselen zoog.'


Nu zuigen er wel meer schilders, al dan niet halfbewust, aan hun penselen. Maar Vincent zóóg helemaal niet aan zijn penselen, getuige Peyrons verslag over patiënt Van Gogh. In het ontslagrapport dat Peyron in mei 1890 schreef staat: 'Enkele keren heeft hij geprobeerd zichzelf te vergiftigen door verf te eten en petroleum te drinken die hij wegnam van een jongen die de lampen kwam bijvullen.'


Petroleum drinken en verf eten: wie deze zelfdestructieve, zo niet suïcidale handelingen reduceert tot het zuigen aan penselen, gaat wel erg vrij om met Peyronds medische rapporten. Verbazingwekkend is dat Naifeh en Smith de poging tot vergiftiging eerder in hun biografie wél noemen. Later lijken ze dit feit te zijn vergeten als zij deze daad afzwakken tot 'het zuigen aan penselen'.


Naifeh en Smith beschrijven overigens wel degelijk dat Van Gogh op gezette tijden de mogelijkheid van zelfmoord overwoog. Maar belangrijker vinden zij het dat Van Gogh in zijn brieven zelfmoord meer dan eens op morele gronden afwijst. Wie zichzelf doodt, was volgens Van Gogh 'een slecht mens', die had toegegeven aan 'morele lafheid', zo is na te lezen in de brieven. Ook haalde Van Gogh in een brief een beroemd geworden uitspraak van Jean-Francois Millet aan dat zelfmoord 'de daad van een oneerlijk man' is. Conclusie van de twee biografen: 'Hij keurde elke neiging af om de hand aan zichzelf te slaan.'


Akkoord, maar maakt die afkeuring dan ook direct Van Goghs zelfmoord minder geloofwaardig? Het gebeurt wel vakert dat juist wie de drang voelt zich van het leven te benemen, zich afkeurend uitlaat over de zelfgekozen dood. In de weken na Anthonie Kamerlings zelfmoord drukten tenminste twee roddelbladen een oud interview met hem opnieuw af. In dat interview sprak Kamerling negatief over zelfmoord. Zoiets doe je je omgeving niet aan, vond hij.


Verder terug in de tijd liet Ernest Hemingway zich in de felst mogelijke bewoordingen uit over zelfmoord. Hemingway noemde het 'een onvergeeflijk teken van zwakte en lafheid'. In juli 1961 pakte Hemingway zijn lievelingsgeweer tevoorschijn, liet het steunen op de grond, duwde zijn voorhoofd tegen de dubbele loop en haalde de trekker over.


Afkeurende woorden over suïcide: zijn het niet vaak onderdelen van een wanhopige overlevingsstrategie, uitgesproken door mensen die hun demonen proberen te bezweren? Naifeh en Smith laten deze interpetatie van Van Goghs morele bezwaren tegen zelfmoord onbesproken.


Ook beweren Naifeh en Smith dat Van Gogh zich wel eens een grapje permitteerde over zelfmoord, zoals in de brief in 1889 aan zijn zuster waarin hij schrijft over de remedie van Charles Dickens tegen zelfmoord: 'Iedere dag een glas wijn, wat brood en kaas, en het roken van een pijp.'


Wie de moeite neemt de brief in kwestie op te zoeken en na te lezen, ontdekt wat Vincent in werkelijkheid schreef: '(Je zult inzien) dat ik nog niet verleerd heb wel eens een grapje te maken.' Maar dat 'grapje' gaat over iets heel anders dan Dickens' remedie! Het grapje verwijst naar Vincents opmerking dat familieleden een eerdere brief van hem het beste kunnen inslikken en opeten. Over het rantsoen, zoals voorgeschreven door Dickens, is hij spottend noch serieus, maar neutraal. Grappig was de verwijzing naar Dickens in ieder geval niét bedoeld.


Naifeh en Smith besluiten de passage in de biografie over de moord-theorie met wat zij kennelijk als het finale argument voor die theorie zien: het bezoek in de jaren dertig aan Auvers door kunsthistoricus John Rewald: 'In de jaren dertig, toen de grote kunsthistoricus John Rewald Auvers bezocht en sprak met de nog levende getuigen (..), hoorde hij mensen zeggen dat enkele 'jongejongens' per ongeluk op Vincent hadden geschoten (..). Vincent verkoos het hun de hand boven het hoofd te houden als een uiterste daad van martelaarschap.'


Rewald is behalve de biograaf van Paul Cézanne ook de auteur van het standaardwerk The History of Impressionism, waarvan de eerste druk in 1946 verscheen. Dat is dus ongeveer zestien jaar na diens bezoek aan Auvers. Maar Rewald rept in dit werk met geen woord over de 'jonge jongens'. Hij heeft er dus geen enkele waarde aan gehecht. Dit is Rewalds conclusie: 'He killed himself there in July (..), unable to believe any longer in the possibility of cure.' Rewalds bezoek aan Auvers komt in Vincent. De biografie dus wél aan bod, zonder dat Rewalds conclusie wordt genoemd. Dat is niet uitsluitend een schimmige manier van vertellen, dat is selectief omgaan met de feiten en 'bewijslast'.


De passage in Vincent van Gogh. De biografie over de vermeende moord op Van Gogh levert al met al geen enkel bewijs, maar roept uitsluitend vragen op. Waarom schrijven de biografen bijvoorbeeld dat herbergier Ravoux en Vincents broer Theo daags na het drama geen directe aanwijzingen hebben dat Vincent een poging tot zelfmoord had gedaan? In eerdere biografieën staat nota bene het tegendeel. Onder verwijzing naar het politierapport schrijft biograaf Philip Callow (Vincent van Gogh. Een leven uit 1990) bijvoorbeeld dat Vincent tegen de herbergier zei: 'Ik heb op mijzelf geschoten. Ik hoop maar dat ik het niet verknoeid heb.'


Een korte speurtocht op internet leert dat het verhaal over de twee 'jonge jongens' die op Van Gogh zouden hebben geschoten al jaren circuleerde in en rond Auvers. De theorie is dus niet nieuw. Naifeh en Smith bezorgen een opwaardering van een sensatieverhaal dat door geen enkele andere Van Gogh-biograaf als geloofwaardig en overtuigend werd beoordeeld. Dit laatste wil niet zeggen dat het verhaal op voorhand onzin en geklets is. Wel valt op dat de twee biografen niet alleen feiten maar ook uitspraken van Van Gogh in zijn brieven ombuigen in de richting van die moord-theorie.


Dat ombuigen gebeurt in Vincent van Gogh. De biografie met de Franse slag en nogal opzichtig, zo opzichtig dat je bijna geneigd bent te denken dat de beide biografen moeten hebben gedacht dat hun titanenwerk het niet zonder een sensationele en aandachttrekkende quasi-nieuwe 'plot' kon stellen.


--------------------------------------------------------------


Vincent van Gogh. De Biografie

Steven Naifeh en Gregory White Smith schieten tekort waar zij pretenderen een kardinaal feit bij te stellen: Vincent pleegde geen zelfmoord. Een wankele theorie.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden