Bijzondere leerstoel steeds bijzonderder

Het aantal bijzonder hoogleraren daalt. De crisis kan een rol spelen - een op de tien bijzondere leerstoelen wordt door het bedrijfsleven gesponsord - maar een belangrijker oorzaak is dat universiteiten een restrictiever aanstellingsbeleid voeren.

Toen Dymph van den Boom in 2007 begon als rector magnificus aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) kreeg ze als snel de een na de andere hoogleraarsbenoeming ter goedkeuring op haar bureau, in veel gevallen van bijzonder hoogleraren, gesponsord door een externe organisatie. Ze merkte dat er grote belangstelling van buiten was om een leerstoel te ondersteunen. 'Organisaties wilden graag een eigen hoogleraar, maar het was me niet altijd duidelijk waarom dit goed voor ons was.' Van den Boom besloot dat de UvA zich 'terughoudender' moest gaan opstellen bij die verzoeken. 'Een nieuwe leerstoel moet een duidelijke aanvulling zijn op ons eigen onderzoek. Het is niet de bedoeling dat we zomaar titels weggeven.'


Van den Boom verordonneerde strengere criteria voor de benoeming van een extern gefinancierde hoogleraar. Ook eiste ze dat de vragende partij behalve voor de salariskosten garant zou staan voor alle bijkomende kosten, zoals huisvesting en ondersteuning. Totale benoemingskosten: 40 duizend euro. Per jaar.


Meer Nederlandse universiteiten zijn de afgelopen jaren een strenger aanstellingsbeleid gaan voeren. In de laatste vijf jaar daalde het aantal bijzondere leerstoelen in Utrecht, Groningen, Nijmegen, Leiden, Delft, Wageningen en aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, zo blijkt uit onderzoek van de Volkskrant.


In 2007 lag het aantal bijzondere leerstoelen nog op 1.313 - bijna een kwart van het totaal. Nu is 21 procent van de hoogleraren 'bijzonder': van de 5.617 hoogleraren aan de Nederlandse universiteiten bekleden er 1.181 een bijzondere leerstoel. Zo'n hoogleraar staat niet op de loonlijst van de universiteit, maar wordt betaald - of werkt onbezoldigd - via een daarvoor opgerichte stichting. De aanstelling is meestal voor een dag in de week voor een termijn van vijf jaar, met eventueel een tweede termijn.


Het bijzonder hoogleraarschap - het woord zegt het al - was oorspronkelijk een uitzondering. Abraham Kuyper, de oprichter van de protestantse Vrije Universiteit, besloot in 1905 ook professoren van andere gezindte toe te laten - maar wel met een aparte status.


Tegenwoordig kan elke organisatie, belangengroep of bedrijf een voorstel voor een bijzondere leerstoel doen. Zo heeft de Vereniging Koninklijke Nederlandse Boekverkopersbond een leerstoel 'boekhandel' aan de UvA, de gemeente Nijmegen een leerstoel 'geschiedenis van Nijmegen' aan de Radboud Universiteit en financiert adviesbedrijf Cap Gemini de leerstoel 'knowledge management of global work' in Maastricht.


Tot medio jaren tachtig bleef de extern gefinancierde leerstoel ook echt uitzonderlijk: in 1985 ging het om 4 procent van alle professoren. Maar in jaren negentig steeg het aantal snel. Op de universiteiten werd streng bezuinigd waardoor een bijzonder hoogleraar aantrekkelijk werd. Die kon vooral voor onderwijstaken worden ingezet. Voor externe partijen diende zo'n leerstoel om een specifiek wetenschapsgebied in het universitaire curriculum te krijgen, een onderwerp 'academisch zichtbaar te maken' of als prestigeproject.


Veruit de meeste leerstoelen, 42 procent, worden gedragen door stichtingen die specifiek onderzoek willen stimuleren. Daarnaast nemen de universiteitsfondsen 29 procent van de leerstoelen voor hun rekening, de overheid 5 procent. Zo ondersteunt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) maar liefst negen leerstoelen. Uit het Volkskrant-onderzoek blijkt verder dat belangenorganisaties 183 leerstoelen sponsoren (15 procent). Daar zitten veel zorginstellingen bij, maar ook maatschappelijke organisaties als de Unesco, Oxfam Novib en de Unie van Baptistengemeenten.


Bijna een op de tien bijzondere leerstoelen wordt door een bedrijf of een combinatie van bedrijven gesponsord. Dat lijkt veel, maar vijf jaar geleden lag het percentage bedrijven een stuk hoger (28 procent). Ondersteunde de Rabobank in 2007 nog vijftien leerstoelen, anno 2011 zijn dat er nog zes. Dat kan met de economische crisis te maken hebben, maar volgens woordvoerder René Loman van de bank hebben universiteiten gesneden in het aantal leerstoelen en hun hooglerarenbestand 'gestroomlijnd'.


Navraag bevestigt dit beeld. In Utrecht wordt sinds 2007 een 'behoorlijk restrictief beleid' gevoerd. En volgens rector magnificus Paul van der Heijden is de Universiteit Leiden strenger geworden. 'We hebben besloten dat we het aandeel bijzondere hoogleraren niet te groot willen laten worden.' Het aandeel bijzondere leerstoelen in Leiden ligt nu op 17 procent, iets lager dan het landelijk gemiddelde.


De belangrijkste reden is de relatief hoge belasting op de rest van de staf, vertelt Van der Heijden. 'Meestal is de bijzonder hoogleraar vooral met onderwijs bezig. Alle administratie en de organisatie van bijvoorbeeld tentamens moet door anderen worden gedaan.'


Ook wil de rector de 'specialisatiedrang een halt toeroepen' die zich sinds begin jaren negentig manifesteert - 'met name in de geesteswetenschappen'. Van der Heijden: 'Er zijn in het verleden bijzondere leerstoelen gevestigd die we nu niet meer zouden ondersteunen. Zo is in mijn vakgebied, het arbeidsrecht, wel gepleit voor een leerstoel 'bindend en ontbindend verklaren van cao's'. Dat gaat me veel te ver.'


Niet alle Nederlandse universiteiten beperken het aantal bijzondere hoogleraren. In Rotterdam zweren ze erbij: 42 procent van het hooglerarenbestand bekleedt er een bijzondere leerstoel. Dit komt voornamelijk doordat de Erasmus Universiteit de bijzondere leerstoel inzet 'om jonge beloftevolle wetenschappers alvast warm te laten lopen op tot de gewone leerstoel vrijkomt', aldus een woordvoerder. De 'externe' financier is in dit geval het trustfonds van de universiteit. Financiering is eigenlijk een te groot woord: het salaris van de trustfonds-hoogleraren wordt door de EUR betaald, het fonds voegt een vergoeding van 1.200 euro per jaar toe. De meeste van de 125 leerstoelen van het trustfonds zijn op deze manier ingevuld.


Voor dit onderzoek vroeg de Volkskrant bij alle universiteiten de relevante cijfers op. Het onderzoek is voor een groot deel uitgevoerd door Marijke Gijsbers.


BIBLIOTHEEKWETENSCHAP: GEZICHT NAAR BUITEN

Prof. dr. F.J.M. Huysmans, bijzonder hoogleraar bibliotheekwetenschap, in het bijzonder met betrekking tot openbare bibliotheken (UvA, 2 dagen per week).


Vanwege:

Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB).


Hoofdactiviteit:

Onderzoek en beleidsadvies voor bedrijven en instellingen.


Kosten:

40 duizend euro per jaar.


Het SIOB sponsort de leerstoel bibliotheekwetenschap 'zodat de sector zichtbaar is in het academisch landschap' en als gezicht naar buiten. 'De hoogleraar kan met academische distantie over het bibliotheekwezen praten. Mensen nemen daarom eerder dingen van hem aan dan van ons', aldus initiatiefnemer Jan-Ewout van der Putten, oud-directeur van de Vereniging van Openbare Bibliotheken.


Frank Huysmans (41) bekleedt de leerstoel sinds 2005. Daarvoor was hij universitair docent en onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. Zijn promotieonderzoek ging over mediagebruik en tijdsindeling in gezinnen.


Huysmans geeft les en doet onderzoek naar de kwaliteit van de informatievoorziening van bibliotheken. Een van de vakken die hij geeft is 'innovatie van de publieke informatievoorziening', waarbij hij en zijn studenten onderzoeken hoe bibliotheken hun informatie digitaal presenteren. 'Instellingen hebben te maken met digitalisering, een teruglopend aantal bezoekers en bezuinigingen. Daar moet je slimme oplossingen voor bedenken', aldus Huysmans.


WATERMANAGEMENT: OMAN ALS CASUS

Prof. dr. R. J. Schotting, bijzonder hoogleraar kwantitatief watermanagement in semi-aride gebieden (Universiteit Utrecht, 8 uur per week).


Vanwege:

stichting Leerstoel Sultan Qaboos bin Said al Said.


Financiers:

Zes Nederlandse bedrijven waaronder PA en Shell


Hoofdactiviteiten:

senioronderzoeker bij onderzoeksinstituut Deltares, universitair hoofddocent.


Kosten:

30- tot 60 duizend euro/jaar.


In 2005 gaven zes Nederlandse bedrijven de sultan van Oman een cadeau: een leerstoel aan een Nederlandse universiteit. De leerstoel werd ondergebracht bij de Universiteit Utrecht, die watermanagementexpert Ruud Schotting vroeg te solliciteren. Hij reageerde enthousiast: 'De waterproblemen in Nederland en Oman zijn in essentie niet verschillend, alleen de oplossingen zijn anders. We kunnen veel van elkaar leren.'


Zijn hoogleraarschap vertaalt zich vooral in het lesgeven, waarbij hij Oman als casus gebruikt. Daarnaast regelt hij stages en studiereizen voor studenten in Oman. Met de financiers heeft hij weinig contact: 'Er is geen enkele sturing. Ik ga gewoon mijn gang.'


Initiatiefnemer van de leerstoel is de lobbyist Rio Praaning, eigenaar van lobbykantoor PA. In Oman adviseert hij de regering over mediarelaties. De leerstoel valt onder de maatschappelijke activiteiten van het kantoor, zegt Praaning, die Schotting eerder meenam naar China om daar advies te geven over watermanagement. 'Op deze manier kunnen we bijdragen aan het oplossen van de wereldwijde waterproblematiek', aldus Praaning.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden