Bij free fight kan overheid beter buiten de ring blijven

BERICHTEN over vechtsport halen zelden de landelijke pers en de nationale politiek, maar vorige week was het toch zover. Naar aanleiding van een free fight-gala op zondag 19 februari in Amsterdam ontspon zich een discussie over de mogelijkheid om zulke krachtmetingen te verbieden....

MAARTEN VAN BOTTENBURG; JOHAN HEILBRON

De Volkskrant en NRC Handelsblad berichtten de maandag na dit gala over gevechten waar 'bijna alles' zou zijn toegestaan. Voor wie het niet geloven wilde, drukte de Volkskrant een close-up af van het gehavende gezicht van één van de deelnemende vechters, de Amsterdamse judoka Ruud Ewoldt.

De reacties bleven niet uit. Een dag later verklaarde de staatssecretaris voor Welzijn en Sport, Erica Terpstra, een verbod te overwegen. 'Walgelijk', noemde ze de gevechten, waarvoor ze het woord sport niet in de mond wilde nemen.

Het idee voor een verbod moet in een opwelling zijn geboren, want toen de bewindsvrouwe die woensdag daarop voor de radio een toelichting gaf, erkende zij dat een verbod zo eenvoudig nog niet is. De discussie die volgde op de uitlatingen van de bewindsvrouwe lijkt dan ook weinig meer dan een storm in een glas water.

Kun je het free fight loszien van worstelen en kickboksen? Zijn de risico's van het profboksen en het harde muay-thai kickboksen aanvaardbaar en die van het free fight niet? Ieder beleidsvoornemen op dit terrein moet berusten op inzicht in de samenhang tussen al die ringsporten waarbij contact is toegestaan. Die samenhang is een historisch gegeven.

De meeste hedendaagse vechtsporten zijn ontstaan uit de omvorming van Aziatische krijgskunsten tot gestandaardiseerde competitiesporten (judo, karate, kendo, taekwondo, kempo). Veel van die sporten werden aanvankelijk niet in sportverenigingen beoefend, maar - zoals in Japan gebruikelijk was - in sportscholen. Judo, karate en taekwondo zijn inmiddels uitgegroeid tot reguliere en internationaal geaccepteerde sporten, waarvoor verenigingen, nationale bonden en internationale federaties bestaan.

Buiten de erkende sportorganisaties om bleven echter hardere vechtstijlen bestaan en werden ook nieuwe varianten daarvan geïntroduceerd (kickboksen, full contact karate, muay-thai). De publieke belangstelling voor zulke wedstrijden was groot en werd in de jaren zeventig gevoed door kung fu-films en idolen zoals Bruce Lee.

Als commerciële instellingen speelden veel sportscholen op die ontwikkeling in. Dat gebeurde door de hardere vechtsportvarianten aan te bieden en ook wel door leerlingen te trainen voor deelname aan wedstrijden hierin.

Zo zijn in de vechtsportwereld twee circuits ontstaan. Ten eerste het gesubsidieerde circuit van sportorganisaties, waarin per vereniging één vechtsport (judo, karate) wordt beoefend. Ten tweede het commerciële circuit, dat een veelheid aan sportscholen als basis heeft en waarvan internationale vechtsportgala's de top vormen.

Vooral in dit tweede circuit rees de vraag welke technieken en stijlen het meest effectief waren. Er werd gezocht naar combinaties en als proef op de som werden onderlinge krachtmetingen georganiseerd. Tijdens zulke free style wedstrijden vochten judoka's, karateka's, boksers, worstelaars volgens bepaalde regels tegen elkaar. Het free fight is in dat opzicht niet nieuw.

Net als in andere topsporten is langzamerhand ook in de vechtsporten een klein internationaal circuit van stervechters ontstaan. Voor internationaal opgezette gala's is een publiek, er zijn sponsors en ook de verkoop van televisierechten brengt geld in het laadje. De opzet van het in Amsterdam georganiseerde gevecht was ontleend aan het uit Japan afkomstige RINGS-vechtsysteem. Vuistslagen naar het gezicht zijn niet toegestaan, evenmin als kopstoten, stoten of trappen naar het kruis, bijten, en dergelijke. Naast stoot- en traptechnieken komt het vooral aan op arm- en beenklemmen en verwurgingen, allemaal technieken die de tegenstander tot opgave kunnen dwingen.

Moet dit nu allemaal maar mogen? De vraag is begrijpelijk maar niet erg vruchtbaar. Een discussie over wat nog net wèl zou kunnen worden toegestaan en wat net niet meer, is ongetwijfeld relevant; niet alleen voor de overheid maar ook voor de betrokken vechtsporters.

Toen het thaiboksen in Nederland werd geïntroduceerd, was de in Thailand gebruikelijke elleboogstoot nog verboden. Die werd te riskant bevonden. De beschreven concurrentie tussen de sportscholen leidde er evenwel toe dat deze techniek de laatste jaren wel is toegestaan. Ook de concurrentie van Amsterdam met Thaise, Japanse en Europese steden als centra van de full contact-sporten is daaraan debet geweest.

Het is de vraag of hier een taak ligt voor de overheid. De enige ondubbelzinnige mogelijkheid zou zijn om alleen de punten-vechtsporten toe te staan en contact-vechtsporten niet of slechts onder uiterst strenge condities. Dit is min of meer de keuze die in Zweden is gemaakt.

Navolging daarvan zou echter heel wat voeten in de aarde hebben. Het zou een verbod op ook het profboksen betekenen en rigoureuze maatregelen ten aanzien van de bestaande sportscholen vereisen. Ondertussen zouden full contact-gevechten 'ondergronds' blijven voortbestaan. Een verbod op één enkele vorm is eveneens buitengewoon gecompliceerd.

In de eerste plaats hangen de vechtsporten onderling nauw samen en bestaan ertussen slechts graduele verschillen. In de tweede plaats bestaat er volstrekt onvoldoende kennis van de vechtsportwereld om één variant eruit te lichten en te verbieden. Een dergelijke keuze kan daarom alleen maar willekeurig zijn.

Het is opmerkelijk dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar recente ontwikkelingen in de diverse vechtsporten op sportief, medisch, sociaal en organisatorisch gebied. Welke regels hanteren de diverse stijlen en hoe verhouden deze zich tot elkaar? Welke blessures komen voor en welke risico's zijn er op blijvend letsel? Hoe liggen de verhoudingen tussen de organisatoren, sponsors, media, sportschooleigenaren, vechtsporters en toeschouwers? Welke organisaties bestaan er en wat is hun beleid ten aanzien van regulering, medische begeleiding, voorlichting en controle, toelating en recrutering?

Zonder inzicht in deze vragen kan geen vechtsportbeleid worden ontwikkeld. Zo'n beleid moet rekening houden met de dynamiek van de vechtsportwereld en in het bijzonder met de verhouding tussen de gesubsidieerde sportorganisaties en het commerciële circuit.

Eén van de beleidsvragen daarbij is welke harde vechtsportvarianten zich alsnog zouden kunnen aansluiten bij de officiële bonden. Dit wordt momenteel onderzocht in de karate-do bond. Een andere vraag betreft de eventuele regulering van het commerciële circuit, met name op medisch terrein. Zulke kwesties verdienen meer aandacht dan de gezwollen ogen van een Amsterdamse judoka.

Maarten van Bottenburg

Johan Heilbron

De auteurs zijn sociologen en respectievelijk verbonden aan het onderzoeksbureau Diopter en de Amsterdamse School voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden